Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11378

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-09-2015
Datum publicatie
19-10-2015
Zaaknummer
C/09/493799
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv (op de stukken) afgewezen.

Het verzoek betrof de kinderalimentatie voor de duur van de procedure vast te stellen op € 25,- per kind per maand en de partneralimentatie op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-6053

Zaaknummer: C/09/493799

Datum beschikking: 28 september 2015

Alimentatie en voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

Beschikking op het op 30 juli 2015 ingekomen verzoek van:

[verzoeker]

de man,

wonende te [woonplaats], gemeente Wetsland,

advocaat: mr. H. Dreesmann-Bruijntjes te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[verweerster],

de vrouw,

wonende te [woonplaats], gemeente Westland,

advocaat: mr. te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Verzoek

Het verzoek van de man luidt om bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv de door de man te betalen kinderalimentatie en partneralimentatie voorlopig te wijzigen en voor de duur van de procedure vast te stellen op € 25,- per kind per maand en voor de vrouw op nihil, alsmede de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 24 september 2008 te schorsen hangende de duur van de procedure en te bepalen dat de vrouw hangende de procedure geen executiemaatregelen jegens de man mag treffen gericht op de inning van achterstallige partneralimentatie en/of kinderalimentatie, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Feiten

  • -

    Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] tot [datum].

  • -

    Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

• [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

• [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

  • -

    De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank d.d. [datum] is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Hierbij is een door partijen getroffen regeling van hun betrekkingen na de echtscheiding opgenomen en overeenkomstig die regeling de door de man te betalen partneralimentatie en kinderalimentatie bepaald op respectievelijk
    € 200,- per maand en € 250,- per kind per maand.

  • -

    Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie en kinderalimentatie thans respectievelijk € 224,74 per maand en € 280,94 per kind per maand.

Beoordeling

Ingevolge artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering.

In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van
artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad d.d. 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).

Vereist voor de ontvankelijkheid van de man ten aanzien van de voorlopige voorziening is dat deze een belang heeft bij zijn verzoek. Gelet op hetgeen de man heeft gesteld als grond voor zijn verzoek kan hem een voldoende belang bij het verzoek niet worden ontzegd. Voorts wordt eveneens voldaan aan de in het tweede lid van artikel 223 Rv gestelde voorwaarde dat de gevraagde voorziening samenhangt met het verzoek in de bodemprocedure. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de man in zijn verzoek tot het treffen van de verzochte voorlopige voorziening ontvankelijk is zodat de rechtbank zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

De man stelt als spoedeisend belang bij de door hem verzochte voorziening dat zijn draagkracht ontoereikend is om de opgelegde kinderalimentatie en partneralimentatie te blijven voldoen en verzoekt dan ook om de door hem te betalen alimentatie, al dan niet voor de duur van het geding, op nihil te stellen. Volgens de man kan de vrouw te allen tijde executie afdwingen. Door een voorlopige voorziening te treffen wordt de opbouw van een achterstand voorkomen en wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn financiële zaken op orde te brengen, aldus de man.

Voor nihilstelling van de partneralimentatie en vaststelling van de kinderalimentatie op
€ 25,- per kind per maand voor de duur van de bodemprocedure is in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats, indien naar het oordeel van de rechtbank er een voldoende (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van de man niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de hoofdzaak afwacht. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer op grond van eindbeslissingen in de hoofdzaak al vast staat dat het provisioneel verzochte uiteindelijk in de hoofdzaak zal worden toegewezen. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.

Ter onderbouwing van zijn verzoek in de hoofdzaak voert de man aan dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de bij convenant overeengekomen kinder- en partneralimentatie niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De wijziging van omstandigheden is volgens hem aan de zijde van de vrouw daarin gelegen dat de vrouw reeds geruime tijd samenwoont met haar huidige echtgenoot, deze echtgenoot ook onderhoudsplichtig is en de vrouw thans een inkomen uit dienstverband geniet. Voorts is er sprake van een wijziging van omstandigheden aan de zijde van de man, nu de man inmiddels samenwoont met zijn nieuwe partner, zijn inkomen sinds het jaar 2013 € 13.424,- per jaar bedraagt en er geen fiscaal voordeel meer wordt gerealiseerd.

De vraag of sprake is van een dergelijke wijziging van omstandigheden kan thans niet op voorhand bevestigend worden beantwoord. Daarvoor is nader onderzoek nodig waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. Dat de Wet hervorming Kindregelingen op 1 januari 2015 in werking is getreden staat vast, maar niet op voorhand kan worden geconcludeerd dat dit tot gevolg heeft dat de door de man te betalen kinderalimentatie op € 25,- per kind per maand wordt gesteld in de hoofdzaak. De man heeft zijn standpunt ter zake onvoldoende onderbouwd. Dit geldt eveneens voor de door de man gestelde wijziging van omstandigheden gelegen in zijn inkomen, de samenwoning met zijn nieuwe partner en het inkomen van de vrouw. Slechts het huwelijk van de vrouw op 26 juni 2015 levert een wijziging van omstandigheden voor wat betreft de partneralimentatie in de hoofdzaak op.

In het licht van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie dat van de man niet gevergd kan worden dat hij de eindbeslissing in de hoofdzaak afwacht. Dit oordeel zou wel anders kunnen zijn als de vrouw maatregelen neemt ter inning van de vastgestelde alimentatie en de man daardoor in een financiële noodsituatie is gekomen of op korte termijn dreigt te komen. Daarvoor heeft de man echter onvoldoende gesteld. Niet is gesteld dat de vrouw daadwerkelijk maatregelen heeft getroffen en evenmin welke concrete effecten deze maatregelen op zijn situatie hebben. Wat zijn financiële nood betreft, heeft de man ook onvoldoende gesteld. Dat het huwelijk van de vrouw op [datum] een wijziging van omstandigheden voor wat betreft de partneralimentatie in de hoofdzaak oplevert, maakt dit alles niet anders. Hiermee is immers met ingang van die datum een einde gekomen aan de door de man te betalen partneralimentatie.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de man om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Gelet op het vorenstaande zullen eveneens de verzoeken van de man de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage d.d. [datum] te schorsen hangende de duur van de procedure en te bepalen dat de vrouw hangende de procedure geen executiemaatregelen jegens de man mag treffen gericht op de inning van achterstallige partneralimentatie en/of kinderalimentatie, wat daarvan ook zij, worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.M. Braun in tegenwoordigheid van mr. I. van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2015.