Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11377

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
AWB 15/12042 & 15/5813
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om toepassing van artikel 64 Vw afgewezen omdat zij volgens het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) in staat is om te reizen en er op korte termijn geen medische noodsituatie wordt verwacht bij terugkeer naar het land van herkomst. Eiseres voert aan dat het BMA-advies is afgegeven op 4 augustus 2014, maar dat het primaire besluit is genomen op 19 maart 2015. Het besluit is derhalve gebaseerd op een BMA-advies dat ouder is dan zes maanden. Het BMA adviseert verweerder, blijkens het advies, om een besluit niet te baseren op een BMA-advies dat ouder is dan zes maanden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het aan eiseres is om aan te tonen dat er reden is voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies.

De rechtbank overweegt dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij in principe een BMA-advies dat ouder is dan zes maanden niet ten grondslag legt aan een besluit. Indien zes maanden zijn verstreken sinds het uitbrengen van een advies, vraagt verweerder in de regel een nieuw of aanvullend advies. De rechtbank stelt vast dat verweerder in casu de door hemzelf gehanteerde gedragslijn in het onderhavige geval niet heeft gevolgd. De stelling dat dit niet hoefde omdat eiseres niet heeft aangetoond dat er sinds 4 augustus 2014 een wijziging in haar medische situatie heeft plaatsgevonden, miskent dat verweerder gehouden is zijn vaste handelwijze consequent en consistent toe te passen. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/12042 (beroep)

AWB 15/5813 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 30 september 2015 in de zaak tussen

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum 1] ,

eiseres, verzoekster,

hierna te noemen eiseres,

alsmede de minderjarige kinderen:

[kind 1],

geboren op [geboortedatum 2] ,

[kind 2],

geboren op [geboortedatum 3] ,

allen van Nigeriaanse nationaliteit,

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg, advocaat te Voorburg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. A.M. de Wit, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Bij besluit van 26 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiseres heeft de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 24 juli 2015 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen

  1. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op de volgende gronden. Bij nota van 4 augustus 2014 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) een advies uitgebracht over de toepasselijkheid van artikel 64 Vw. Nu eiseres volgens dit advies in staat is om te reizen en er op korte termijn geen medische noodsituatie wordt verwacht bij terugkeer naar het land van herkomst, is artikel 64 Vw niet van toepassing op eiseres.

  2. Eiseres voert aan dat het BMA-advies van 4 augustus 2014 is gebaseerd op informatie van 16 oktober 2013, 22 mei 2014 en 30 juli 2014. Deze informatie was (deels) verouderd toen het BMA-advies tot stand kwam. Uit het advies blijkt dat eiseres medicatie krijgt, genaamd [medicijn] . Uit het advies blijkt niet of deze medicatie beschikbaar is in Nigeria. Evenmin zijn bij het advies de onderliggende stukken aangeleverd waaruit blijkt op basis waarvan is geconcludeerd dat de noodzakelijke behandeling en medicatie in Nigeria aanwezig zijn. Voorts is het primaire besluit genomen op 19 maart 2015 en derhalve gebaseerd op een BMA-advies dat ouder is dan zes maanden. Het BMA adviseert verweerder, blijkens het advies, om een besluit niet te baseren op een BMA-advies dat ouder is dan zes maanden. Het bestreden besluit is ruim na ommekomst van deze termijn tot stand gekomen, zodat dit is gebaseerd op een verouderd advies.

2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het aan eiseres is om aan te tonen dat er reden is voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is het BMA-advies een deskundigenadvies ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien zodanig advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag verweerder daarvan in beginsel uitgaan. Met betrekking tot de stelling dat het advies verouderd is en niet meer gebruikt zou mogen worden, stelt verweerder dat uit de gronden niet is gebleken dat de medische situatie van eiseres sindsdien is verslechterd. Evenmin heeft eiseres dit onderbouwd met documenten.

2.2

De rechtbank overweegt dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij in principe een BMA-advies dat ouder is dan zes maanden niet ten grondslag legt aan een besluit. Indien zes maanden zijn verstreken sinds het uitbrengen van een advies, vraagt verweerder in de regel een nieuw of aanvullend advies. In dit geval heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het BMA-advies, ondanks dat het ouder was dan zes maanden, gebruikt kon worden, nu eiseres geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat haar medische situatie sindsdien gewijzigd is. De rechtbank stelt vast dat verweerder de door hemzelf gehanteerde gedragslijn in het onderhavige geval niet heeft gevolgd. De stelling dat dit niet hoefde omdat eiseres niet heeft aangetoond dat er sinds 4 augustus 2014 een wijziging in haar medische situatie heeft plaatsgevonden, miskent dat verweerder gehouden is zijn vaste handelwijze consequent en consistent toe te passen. Dat verweerder er niet in is geslaagd tijdig een primair besluit te nemen op het verzoek van eiseres, dient voor rekening en risico te komen van verweerder. Nu verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd op een advies dat ten tijde van het primaire besluit reeds ouder was dan zes maanden, luidt de conclusie dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt.

3. Gelet op het overwogene in rechtsoverweging 2.2 behoeven de overige gronden geen bespreking meer.

4. Het beroep is gegrond.

5. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht (€ 167,-) zal vergoeden.

6. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 980,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

7. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

8. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

9. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht (€ 167,-) zal vergoeden.

10. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 490,- (1 punt voor het verzoek om een voorlopige voorziening, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op € 167,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 980,- te betalen.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op € 167,- te betalen aan eiseres als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 490,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Peeters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2015.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.