Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11359

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
SGR 15/4236
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu eiser onvoldoende voortvarend heeft gehandeld om te komen tot een beëindiging van het dienstverband met de werknemer en tot eind februari 2014 is gewacht alvorens de werknemer niet meer in te zetten voor zijn werkzaamheden, kan de rechtbank niet anders dan constateren dat voor eiser de gedragingen van de werknemer geen subjectieve dringende reden voor ontslag vormden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat aan de ontslagreden de subjectieve dringendheid ontbreekt. Er is geen sprake van verwijtbare werkloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/4236

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Yeniasci),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: C. Schravensande).

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2014 heeft verweerder geweigerd eiser een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.

Bij besluit van 1 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 7 juni 2014 is eiser als voeger voor [X] B.V. (de werkgever) gaan werken. Op diezelfde dag is eiser uitgevallen als gevolg van een bedrijfsongeval. Bij brief van 1 september 2014 heeft eiser zich per 7 juni 2014 bij het Uwv ziek gemeld.

2. Aan het bestreden besluit ligt het standpunt van verweerder ten grondslag dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Tijdens ziekte heeft eiser dan ook aanspraak op loondoorbetaling door de werkgever en geen recht op een ZW-uitkering.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW, voor zover hier relevant, wordt geen ziekengeld uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking op grond waarvan hij de arbeid behoort te verrichten recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW, voor zover hier relevant, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte daartoe verhinderd was.

4. Eiser bestrijdt, kort samengevat, dat de werkgever een loonbetalingsverplichting heeft. Volgens eiser volgt uit de arbeidsovereenkomst dat hij als oproepkracht met een nulurencontract werkzaam was voor de werkgever.

5. Blijkens het op 7 juni 2014 ondertekende arbeidscontract zijn eiser en de werkgever overeengekomen dat eiser bij de werkgever in dienst treedt per oproep ingaande 7 juni 2014 voor onbepaalde tijd. Daarbij is de CAO voor de Bouwnijverheid van toepassing verklaard. Boven de overeenkomst staat vermeld “oproepcontract”.

6. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de CAO voor de Bouwnijverheid 2014 (CAO) is het de werkgever niet toegestaan nulurencontracten of oproepcontracten zonder enige urengarantie voor een bepaalde periode overeen te komen.

7. De rechtbank stelt vast dat in het arbeidscontract geen urengarantie wordt vermeld of op enige andere wijze wordt aangegeven voor hoeveel uur eiser in een bepaalde periode werkzaam zal zijn. Dit houdt in dat een urengarantie voor een bepaalde periode ontbreekt. Als gevolg daarvan is de bepaling in het contract dat eiser per oproep bij de werkgever in dienst treedt in strijd met de CAO en dus nietig. Dat maakt dat eiser op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij de werkgever in dienst is getreden. Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van artikel 17, tweede lid, van de CAO duidelijk en ondubbelzinnig. Daarom komt aan de bedoeling van de contractanten bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst geen betekenis toe. Hetzelfde geldt voor het opschrift boven het contract en de omstandigheid dat eiser eerder voor dezelfde werkgever als oproepkracht werkzaam is geweest. Dit betekent dat de werkgever op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW in het geval van ziekte verplicht is om eiser loon door te betalen.

8. Nu eiser uit hoofde van zijn dienstbetrekking op grond waarvan hij arbeid behoort te verrichten recht heeft op loon als bedoeld in artikel 7:629, eerste lid, van het BW en niet gebleken is van een vangnetsituatie, heeft verweerder terecht geen ziekengeld uitgekeerd. Voor een belangenafweging, zoals door eiser voorgestaan, biedt de wettekst van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW geen ruimte. Het feit dat eiser de keuze heeft gemaakt geen loonvordering tegen zijn werkgever in te stellen, dient voor zijn rekening en risico te blijven.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.