Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11349

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6541
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/6541

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2015 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[vereniging X] , te [plaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. J.H. Pelle),

tegen

de burgemeester van Rijswijk, verweerder,

(gemachtigde: mr. V.M.M. van Oudenhoven en A. Hofman).

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft verweerder de aanvraag voor een exploitatievergunning en de Drank- en Horecawetvergunning (hierna de vergunningen) afgewezen.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015.

Namens verzoekster zijn verschenen, [persoon A] en [persoon B] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.2

De voorzieningenrechter acht spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de gevraagde voorziening aanwezig. De voorzieningenrechter zal beoordelen aan de hand van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel en zo nodig een belangenafweging of er ook voldoende spoedeisend belang is om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

2 De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.1

Verzoekster is een voetbalvereniging. Verzoekster heeft vergunningen aangevraagd voor de sportkantine, gevestigd aan de [adres] te [plaats] . De eerder verleende vergunningen waren verlopen in 2013. Verzoekster heeft daarom in 2013 nieuwe vergunningen aangevraagd. Die aanvraag is uiteindelijk buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag niet compleet was en er geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid om de aanvraag compleet te maken. Op 10 januari 2014 vraagt verzoekster wederom om de vergunningen en worden de ontbrekende stukken overgelegd. Op advies van de officier van justitie vraagt verweerder een advies aan bij het Landelijke Bureau Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bureau-Bibob) met betrekking tot de bestuursleden van de vereniging.

2.2

Op 20 oktober 2014 is het Bibob-advies aangevraagd. Het Bibob-advies dateert van 4 februari 2015. Bij brief van 20 maart 2015 heeft het Bureau-Bibob aanvullend geadviseerd.

De conclusie van het Bibob-advies is dat er ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, de zogenaamde a-grond (artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Bibob).

3 Verweerder heeft op de aanvragen om vergunningen afwijzend beslist op grond van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet Bibob). Verweerder baseert zich op het Bibob-advies.

4 Verzoekster voert aan dat er geen ernstig gevaar meer bestaat, omdat er geen samenwerkingsverband meer is met de heer [persoon C] en de fiscale administratie inmiddels op orde is. De heer [persoon C] heeft geen bestuursfunctie meer, er is alleen nog de achtergestelde geldlening. Verzoekster heeft een nieuwe penningsmeester. Verzoekster erkent dat haar fiscale administratie in de periode 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2013 niet op orde was. De toenmalige penningmeester heeft haar functie niet behoorlijk uitgevoerd en is uit haar functie ontheven. De boetes van de Belastingdienst zijn op nihil gesteld. Verzoekster is met de Belastingdienst in gesprek over vermindering van de aanslagen.

5 De voorzieningenrechter overweegt als volg.

Het verzoek strekt tot het treffen van een voorziening voor het kunnen exploiteren van de kantine van voetbalvereniging [vereniging X]. Verzoekster wil voorkomen dat er door verweerder handhavend wordt opgetreden totdat op het bezwaar is beslist. Uit de behandeling ter zitting is gebleken dat de bezwaarcommissie het bezwaar op

7 oktober 2015 behandelt en dat daarna snel, waarschijnlijk binnen twee weken, een beslissing op bezwaar volgt. Hieruit volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft op een periode van drie weken. Het vorenstaande maakt dat de voorzieningenrechter het belang van verzoekster bij het gedurende die beperkte periode kunnen blijven exploiteren van de kantine zwaarder weegt dan de belangen van verweerder om handhavend op te treden. Daartoe weegt mee dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat er tot nu toe niet handhavend is opgetreden. Zoals gebruikelijk heeft verzoekster gedurende de aanvraagprocedure de kantine zonder vergunning kunnen exploiteren. Na het ontvangen van het aanvullende Bibob-advies heeft het drie maanden geduurd voordat verweerder zijn voornemen heeft geuit om de aanvraag af te wijzen. Inmiddels is het voetbalseizoen in volle gang. Daar komt bij dat de recente ontwikkelingen binnen [vereniging X], zoals het vertrek van de heer [persoon C] uit het bestuur, de toezegging van de Belastingdienst om de boetes op nihil te stellen en de gesprekken tussen de Belastingdienst en [vereniging X] over de belastingaanslagen, mogelijk een ander licht op de zaak werpen voor verweerder. Dat betekent dat niet op voorhand gezegd kan worden dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Bij deze stand van zaken dient het belang van verzoekster - dat gediend is met het open blijven van de kantine omdat zij haar inkomsten daaruit betrekt - totdat op haar bezwaar is beslist, zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij handhaving in de komende drie weken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar. Het vorenstaande betekent dat verzoekster dient te worden behandeld als ware de aanvraag in behandeling is en het is toegestaan de kantine te exploiteren.

6 Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7 De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van 19 augustus 2015 tot zes weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2015.

de voorzieningenrechter is verhinderd

te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.