Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11330

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
AWB 14/23090
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
-
Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/23090

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 september 2015 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Litouwse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E. Söylemez, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2014 heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser beëindigd en heeft hij eiser tot ongewenst vreemdeling verklaard.

Bij besluit van 18 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 20 mei 2015 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting schriftelijk medegedeeld niet te zullen verschijnen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op 11 juni 2015 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. In deze uitspraak heeft de rechtbank verweerder de gelegenheid gegeven om het gebrek in het besluit op bezwaar te herstellen.

Op 23 juli 2015 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt en het bestreden besluit aangevuld.

Eiser heeft geen zienswijze ingediend.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op grond van artikel 8:57, derde lid, Awb gesloten. De uitspraak is bepaald op heden.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak van 11 juni 2015 heeft de rechtbank onder rechtsoverweging 3.4 het volgende overwogen:

“De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en daardoor op een ondeugdelijke motivering berust, nu verweerder voor het oordeel dat in dit geval sprake is van persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, heeft gesteld dat sprake is van zeer ernstige feiten. Voorts is gewezen op het persoonlijk gedrag van eiser tijdens het geweldsdelict van 2011, de strafverzwarende omstandigheden die zijn aangehaald in het strafvonnis en de invloed van het handelen van eiser op het slachtoffer en de Nederlandse samenleving. Daarnaast is gewezen op het feit dat eiser eerder in aanraking is geweest met politie en justitie in Nederland en in Duitsland. Deze aspecten zijn echter, gelet op hetgeen in [de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38 van 2 juli 2009, COM (2009)313 (de richtsnoeren)] staat vermeld, onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit recidivegevaar bestond en dat daarom nog immer sprake is van een actuele bedreiging van de openbare orde. Hetgeen verweerder in het primaire besluit heeft overwogen, te weten dat verweerder “aanneemt” dat geen verbetering in het gedrag van eiser is opgetreden omdat hij sinds zijn veroordeling in detentie verblijft, is voorts onvoldoende omdat de conclusie dat geen sprake is van een positieve verandering in het gedrag van de vreemdeling gebaseerd moet zijn op een deugdelijk onderzoek naar de feiten. Verweerder heeft, door na te laten onderzoek te verrichten naar het (actuele) gedrag van eiser, miskend dat het op grond van de richtsnoeren de nationale autoriteiten zijn die moeten aantonen dat het persoonlijke gedrag van de betrokkene een bedreiging voor de openbare orde vormt.”

2. Verweerder heeft in zijn brief van 23 juli 2013 aangegeven dat uit het strafvonnis van 29 mei 2013 blijkt dat geen sprake is van een rapport van Pro Justitia. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder in het kader van het onderzoek naar de vraag of er sprake is van een verbetering in het gedrag van eiser, stukken opgevraagd bij zijn gemachtigde. Bij brief van 6 juli 2015 heeft gemachtigde verklaard dat zij niet beschikt over de genoemde stukken. Verweerder is van mening dat er voor het beoordelen van de vraag medewerking kan worden verlangd van eiser. Niet valt in te zien dat eiser zelf dan wel zijn gemachtigde in zijn strafzaak de stukken niet kan opvragen. De enkele stelling dat gemachtigde hier niet over beschikt is onvoldoende. Op basis van de beschikbare gegevens, te weten de omstandigheden die tot de strafrechtelijke veroordeling hebben geleid, de eerdere gedragingen van eiser, het JDD uittreksel van 19 mei 2015 en de eigen verklaringen van eiser, neemt verweerder het standpunt in dat het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Nu eiser geen medewerking heeft verleend middels het overleggen van de gevraagde stukken, heeft verweerder voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

2.1

De rechtbank overweegt dat verweerder naar aanleiding van de tussenuitspraak alsnog onderzoek heeft gedaan met betrekking tot de vraag of eiser, gelet op zijn persoonlijke gedrag, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Daarbij is vastgesteld dat uit het strafvonnis van 29 mei 2013 niet blijkt dat met betrekking tot eiser een reclasseringsrapportage is uitgebracht. Vervolgens is eiser door verweerder in de gelegenheid gesteld om relevante stukken uit het strafdossier of een rapport van de reclassering over te leggen. De gemachtigde van eiser heeft daarop aangegeven dat zij niet over stukken uit de strafrechtelijke procedure beschikt omdat zij eiser in die zaak niet heeft bijgestaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met zijn reactie van 23 juli 2015 op de tussen-uitspraak, thans voldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging van de openbare orde. Gelet op de veroordeling bij vonnis van 29 mei 2013 en de omstandigheid dat op geen enkele wijze is gebleken dat sinds de veroordeling sprake is van een positieve gedragsverandering, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat er sprake is van recidivegevaar. Met het door hem verrichte aanvullend onderzoek heeft verweerder voldaan aan de op hem rustende verplichting zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.4 van de tussenuitspraak. Hierbij is mede betrokken dat verweerder niet zonder medewerking van eiser de beschikking kan krijgen over eventueel aanwezige rapportages van de reclassering. Bij gebreke van een reclasseringsrapportage, dan wel enige andere informatie betreffende het gedrag van eiser, is het aan eiser om concreet aan te tonen dat sinds de veroordeling een positieve gedragsverandering heeft plaatsgevonden die aanleiding geeft om te concluderen dat van een actuele bedreiging of van recidivegevaar geen sprake meer is. Daarvan is evenwel niet gebleken.

3. Op grond van het in de rechtsoverweging 3.4 van de tussenuitspraak van 11 juni 2015 geconstateerde gebrek zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 Awb. Nu verweerder het gebrek met de in de brief van 23 juli 2015 gegeven motivering heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

4. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

5. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 490,- (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- draagt verweerder op € 165,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 490,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P Roché, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Peeters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2015.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.