Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11280

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
C/09/470077 / HA ZA 14-850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(oud) erfrecht, diverse geschilpunten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/470077 / HA ZA 14-850

Vonnis van 30 september 2015

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] , Italië,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. L. Roumen te Leidschendam-Voorburg,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.S. Sewdajal te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna [A] en [B] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 juli 2014 met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de conclusie van antwoord houdende een reconventionele eis van 1 oktober 2014

met producties 1 tot en met 6;

- het tussenvonnis van 5 november 2014 waarbij een comparitie van partijen is

bevolen;

  • -

    de brief van de zijde van [B] met bijlagen van 3 maart 2015;

  • -

    het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de op

21 mei 2015 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde

gedingstukken, te weten een conclusie van antwoord in reconventie, tevens

houdende een akte in conventie en vermeerdering van eis, met producties

8 tot en met 15, een (eerste) vermeerdering van eis in reconventie met producties 7

en 8, een ter zitting ingediende (tweede) vermeerdering van eis in reconventie en

de pleitnotities van partijen;

  • -

    de brieven van de zijde van [A] d.d. 28 mei 2015;

  • -

    de brieven van de zijde van [B] met bijlagen d.d. 3 juni 2015;

  • -

    de brief van de zijde van [A] van 17 juni 2015.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 5 oktober 1987 is in [plaats] overleden mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). Erflaatster was de niet-hertrouwde weduwe van de heer [vader A] . (Partij) [A] en zijn op 16 augustus 2008 overleden broer [C ] (hierna: [C ] ) zijn zoons van erflaatster en [vader A] (hierna: vader [A] ). Erflaatster heeft haar zoons bij testament als enig erfgenamen benoemd.

2.2.

[B] is de weduwe van [C ] . [C ] heeft bij testament van

28 december 1992 tot zijn erfgenamen benoemd degenen die krachtens de (Nederlandse) wet daartoe geroepen zijn (te weten [B] en hun kinderen) en in het kader van een ouderlijke boedelverdeling alle goederen die tot zijn nalatenschap behoren aan [B] toegedeeld.

2.3.

Tot de nalatenschap van erflaatster behoorden ten tijde van het overlijden van erflaatster een garage aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: [adres 1] ), woningen aan de [adres 2 (nrs 1,2 en 3)] te [plaats] (hierna: [adres 2 (nrs 1,2 en 3)] ), een bedrijfsruimte met twee afzonderlijke bovenwoningen aan de [adres 3] te [plaats] (hierna: [adres 3] ), een benedenwoning met twee afzonderlijke bovenwoningen aan de [adres 4] te [plaats] (hierna: [adres 4] ), de woning aan de [adres 5] te [plaats] (hierna: [adres 5] ) en (de juridische eigendom van) de woning aan het [adres 6] te [plaats] (hierna: [adres 6] ).

2.4.

Voorts behoorden ten tijde van het overlijden van erflaatster tot haar nalatenschap in totaal 43.323 gulden (€ 19.659,12) aan banksaldi en 20.931 gulden (€ 9.498,07) aan vorderingen en restituties.

2.5.

Een op 31 december 1986 gedateerde notariële akte met als opschrift “economische eigendomsoverdracht” (hierna: de akte van 31 december 1986) bevat, voor zover van belang, het navolgende:

“Heden […] verschenen voor mij, mr [ [notaris] ], notaris […]

1. mevrouw [erflaatster] […] “verkoper”;

2. de heer [C ] […] wonende te [woonplaats] ,

[adres 6] , ten deze handelend in zijn hoedanigheid van directeur en als zodanig ter vertegenwoordiging van de naamloze vennootschap Internationale Verhuisonderneming “ [X] ” N.V. […] “koper”;

De comparante sub 1 verklaarde te hebben verkocht aan de vennootschap sub 2 voor welke de comparant sub 2 verklaarde te hebben gekocht:

Het woonhuis met verder toebehoren […] aan het [adres 6] […]

De comparanten verklaarden, dat deze verkoop en koop is geschied voor de prijs van [270.000 gulden], die de comparante sub 1 verklaarde te hebben ontvangen […]

6. Het economische eigendom van het gekochte gaat op heden over op koper,

zodat vanaf heden bij koper het gehele belang bij het gekochte berust, alle baten en lasten daarvan voor rekening zijn en hij het volledige risico daarvan draagt en vanaf heden met name ook voordelen of nadelen, voortvloeiende uit vervreemding van het verkochte aan derden, te zijnen bate en te zijnen laste komen. Koper verleent verkoper volledige vrijwaring voor alle verplichtingen die na heden terzake van het verkochte onroerend goed jegens derden ontstaan buiten eigen toedoen van verkoper, zoals onder meer de lasten, belastingen en de eigenaarsaansprakelijkheid.

7.a. De juridische levering van het verkochte, ter bepaling door koper in zijn geheel of in gedeelten, zal plaatsvinden op eerste verzoek van koper, doch uiterlijk op eenendertig december negentienhonderdzesennegentig, onder door koper vast te stellen bepalingen, mits met inachtneming van het bij deze akte overeengekomene […]

7.e. Koper is bevoegd vanaf heden met betrekking tot het beheer van en de beschikking over het verkochte alle besluiten te nemen en op eigen naam en voor eigen rekening met betrekking daartoe alle rechtshandelingen te verrichten […]

De comparante sub 1 verklaarde vervolgens tot zekerheid van de nakoming (door verkoper) van al haar verplichtingen voor haar jegens koper voortvloeiende uit en samenhangende met de voormelde koopovereenkomst […] het recht van hypotheek te verlenen op voormeld onroerend goed […]”.

2.6.

Een op 24 februari 1989 gedateerde notariële akte (hierna: de akte van 24 februari 1989) bevat, voor zover van belang, het navolgende:

“Heden […] verscheen voor mij, mr [ [notaris] ], notaris, […]

de heer [C ] […] te dezen handelend:

a. voor zich;

b. als gevolmachtigde van zijn broer de heer drs [A] […]

c. in zijn hoedanigheid van directeur en als zodanig ter vertegenwoordiging van de naamloze vennootschap Internationale Verhuisonderneming “ [X] ” N.V. […]

De comparant verklaarde bij deze akte over te willen gaan tot de gedeeltelijke scheiding van de nalatenschap van […] erflaatster, voorzover betreft de juridische eigendom van [ [adres 6] ]

Thans overgaande tot scheiding verklaarde de comparant, ten deze handelend voor zich en als gevolmachtigde van zijn mede-erfgenaam, de juridische eigendom van voormeld onroerend goed […] voor het geheel toe te delen aan hem, comparant, in privé, onder de volgende bepalingen:

- de scheiding zal geschieden per één januari negentienhonderd negen en tachtig.

- vanwege de aan genoemde naamloze vennootschap toekomende economische eigendom zijn alle baten en lasten reeds vanaf een en dertig december negentienhonderd zes en tachtig voor haar rekening gekomen en dient derhalve ook geen verrekening van de waarde van gemeld onroerend goed met en tussen genoemde erfgenamen plaats te vinden.

- […]

- Partijen doen afstand van hun eventueel recht om ontbinding of vernietiging van deze scheiding te vorderen.”

2.7.

Een door [C ] ondertekende, op 24 februari 1989 gedateerde schriftelijke verklaring bevat, voor zover van belang, onder meer het navolgende:

“[ [C ] ] verklaart ten aanzien van […] [adres 6] het volgende:

- […]

- […]

- Bij akte van scheiding, 24 februari 1989 […] is de juridische eigendom toegescheiden aan hem, ondergetekende, onder bepaling dat in verband met de plaatsgevonden hebbende economische eigendomsoverdracht geen verrekening van de waarde van gemeld pand met en tussen [de] erfgenamen dient plaats te vinden.

- In afwijking van het hiervoor gestelde heeft de heer [A] te kennen gegeven ten aanzien van eventuele verrekeningen alle rechten voor te behouden, welke rechten door hem, ondergetekende, worden erkend.”

2.8.

[adres 3] is in 1989 verkocht en geleverd aan een derde tegen een koopprijs van 64.530,27 gulden (€ 29.282,56). [adres 4] is eveneens in 1989 verkocht en geleverd aan een derde tegen een koopprijs van 48.804,28 gulden (€ 22.146,46). [adres 5] is in augustus 1988 verkocht en geleverd aan een derde voor een koopprijs van 76.500 gulden. Na aftrek van de kosten van de makelaar resteerde een bedrag van 74.310,41 gulden (€ 33.720,58).

2.9.

[A] heeft bij wijze van voorschot op hetgeen hem uit de nalatenschap zal toekomen in december 1987 10.000 gulden (€ 4.537,80) van zijn broer ontvangen, alsmede de onder 2.5 genoemde, gehele (netto-)verkoopopbrengst van [adres 5] .

2.10.

[A] heeft zijn toenmalige advocaat bij aangetekende brief van 3 oktober 2007 aan [C ] het volgende laten mededelen:

“Na het overlijden van uw moeder […] op 5 oktober 1987 waren u en cliënt de enige erfgenamen. In de nalatenschap van uw moeder bevonden zich onder andere banktegoeden en onroerend goed. Inzake het door u gevoerde beheer heeft u echter nimmer openheid van zaken gegeven. Cliënt heeft tevens nooit zijn deel van de opbrengsten mogen ontvangen.

Gelet op de verjaringstermijn van 20 jaren na de datum van overlijden van de erflater, welke termijn binnenkort verstrijkt, stuit cliënt middels dit aangetekend schrijven mitsdien de verjaring van al zijn rechten en vorderingen uit de betreffende nalatenschap jegens u ex artikel 3:316 lid 1 jo. Art. 4:183, 3:306 en 3:315 BW.

Teneinde zijn vordering op de nalatenschap te kunnen bepalen wenst cliënt voorts een uitgebreid verslag te ontvangen waarin alle opbrengsten en uitgaven ter zake de uit de nalatenschap verkregen onroerende zaken staan vermeld.

Cliënt sommeert u eveneens […] bekend te maken welke bedragen u bij leven van uw moeder heeft ontvangen. Dit gegeven is bij een overeenkomst inzake de verdeling van de gemeenschap van cruciaal belang.

Mitsdien sommeer ik u namens cliënt om mij binnen 10 dagen na heden […] een dergelijk verslag te doen toekomen bij gebreke waarvan ik u namens cliënt in rechte zal betrekken.”

2.11.

Na daartoe op 30 juni 2014 verlof te hebben verkregen van de voorzieningen-rechter in deze rechtbank, heeft [A] conservatoir (derden)beslag (hierna: het conservatoir beslag) laten leggen ten laste van [B] op banksaldi, aandelen in de naamloze vennootschap Internationale Verhuisonderneming “ [X] ” N.V. (hierna: [X] NV) en [adres 6] .

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. [B] zal veroordelen om binnen twee weken na datum vonnis rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot de huuropbrengsten uit het tot de nalatenschap behorende, althans behoord hebbende onroerend goed vanaf

5 oktober 1987 tot datum dagvaarding op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag waarop [B] in gebreke blijft met het afleggen van deze rekening en verantwoording;

II. het aan [A] toekomende deel van de onder I bedoelde huuropbrengsten zal vaststellen;

III. [B] zal veroordelen tot betaling aan [A] van het onder II bedoelde deel;

IV. [B] zal veroordelen aan [A] te voldoen zijn deel van de netto- verhuuropbrengsten van de [adres 1] en de [adres 2 (nrs 1,2 en 3)] vanaf datum dagvaarding tot aan de overdracht van dit onroerend goed;

V. de verdeling zal vaststellen van de nalatenschap met toedeling aan [A] van de [adres 1] en de [adres 2 (nrs 1,2 en 3)] en met verrekening van de door (de echtgenoot van) [B] en [A] genoten voordelen;

VI. [B] zal veroordelen tot medewerking aan de levering van de [adres 1] en de [adres 2 (nrs 1,2 en 3)] aan [A] ;

VII. zal bepalen dat, indien [B] niet haar onder VI bedoelde medewerking zal verlenen, dit vonnis in de plaats zal treden van haar wilsverklaring als bedoeld in artikel 3:300, tweede lid, BW jo. Artikel 3:301 BW, althans [B] een dwangsom zal verbeuren van € 1.000 voor iedere dag waarop [B] in gebreke blijft met het verlenen van bedoelde medewerking;

VIII. een deskundige zal benoemen die de waarde van [adres 6] per februari 2015, althans februari 1989 zal bepalen;

IX. [B] zal veroordelen aan [A] de helft van de door de deskundige vast te stellen waarde van [adres 6] per februari 2015, althans februari 1989 te voldoen;

X. [B] zal veroordelen tot betaling van € 27.500, zijnde de helft van de netto-verkoopopbrengst van de [adres 3] en de [adres 4] ;

XI. [B] zal veroordelen tot betaling van € 14.578,59 (de helft van de banktegoeden en vorderingen/restituties);

XII. de omvang van de nalatenschap van erflaatster zal vaststellen, alsmede het aan [A] toekomende erfdeel;

XIII. [B] zal veroordelen om aan [A] uit te keren het aan hem toekomende erfdeel uit de nalatenschap van erflaatster;

(vermeerdering:)

XIV. voor recht zal verklaren dat de verdeling van 24 februari 1989 nietig is;

XV. voor recht zal verklaren dat [adres 6] , althans de recent hiervoor verkregen verkoopprijs van € 920.000 behoort tot de nalatenschap;

(proceskosten:)

XVI. [B] zal veroordelen in de kosten van dit geding met rente.

3.2.

[A] legt aan zijn vorderingen samengevat het navolgende ten grondslag.

[C ] heeft vanaf het overlijden van erflaatster het beheer gevoerd over de nalatenschap van erflaatster (hierna: de nalatenschap) door onder meer huurpenningen te innen betreffende het verhuurde gedeelte van het onroerend goed dat tot de nalatenschap behoort, althans heeft behoord. Onder meer bij brief van

3 oktober 2007 heeft [A] zijn broer verzocht rekening en verantwoording af te leggen, hetgeen, ondanks herhaalde aanmaning, tot op heden niet deugdelijk is geschied. Voorts heeft [A] recht op de helft van de (netto)huur die sinds

5 oktober 1987 is geïnd, de helft van de verkoopopbrengst van de [adres 3] en de [adres 4] , de helft van de huidige waarde van [adres 6] , althans de waarde daarvan ten tijde van het overlijden van erflaatster en de helft van de rente over de banksaldi. Verder dienen de [adres 1] en de [adres 2 (nrs 1,2 en 3)] nog te worden verdeeld, in welk kader [A] opteert voor toedeling aan hemzelf. [C ] heeft voorts op 2 januari 1987 een schenking van erflaatster ontvangen van 72.275 gulden

(€ 32.796,96) en heeft in de periode 1976 – 1989 een voordeel genoten omdat hij kosteloos heeft kunnen wonen aan het [adres 6] .

3.3.

[B] voert gemotiveerd verweer.

in reconventie

3.4.

[B] vordert, na herhaalde vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. voor recht zal verklaren dat [adres 5] in de nalatenschap van erflaatster valt;

b. voor recht zal verklaren dat [adres 5] voor € 38.258,40 is verkocht;

c. [A] zal veroordelen om de helft van de verkoopopbrengst van [adres 5] , € 19.129,20, aan [B] te voldoen;

d. het erfdeel van [A] zal vaststellen op € 281.220,78;

e. het erfdeel van [B] zal vaststellen op € 189.124,66;

f. [adres 2 nr 1] aan [B] zal toedelen;

g. [adres 1] aan [B] zal toedelen;

(eerste vermeerdering:)

h. voor recht zal verklaren dat [adres 6] bij akte van 24 februari 1989 aan [C ] is toegedeeld en dientengevolge buiten de nalatenschap van erflaatster valt;

i. voor recht zal verklaren dat ter zake de waarde van [adres 6] geen verrekening tussen partijen dient plaats te vinden of, in het geval wel verrekening dient plaats te vinden, [A] zal veroordelen tot betaling aan [B] van de helft van de sinds 5 oktober 1987 ten behoeve van [adres 6] gemaakte kosten;

j. voor recht zal verklaren dat tot de nalatenschap van erflaatster geen geldbedrag of vordering behoort, betrekking hebbende op de economische eigendoms-overdracht van [adres 6] ;

(tweede vermeerdering:)

k. voor recht zal verklaren dat [A] geen aanspraak meer heeft op enig deel van de nalatenschap van erflaatster;

l. voor recht zal verklaren dat de nalatenschap van erflaatster per 3 april 2008 geheel in eigendom toebehoort aan [B] ;

(proceskosten:)

m. [A] wegens misbruik van omstandigheden zal veroordelen in de werkelijke kosten van dit geding aan de zijde van [B] gevallen;

3.5.

[B] legt aan haar vorderingen samengevat het navolgende ten grondslag.

De vorderingen van [A] zijn verjaard. Voor zover de rechtbank daarover anders zou oordelen voert zij aan dat [adres 5] kort na het overlijden van erflaatster aan [A] is toegedeeld en verkocht. [A] heeft de opbrengst behouden. Ten aanzien van de door haar (her)berekende erfdelen van de broers verwijst zij naar de in bijlagen G en H bij haar brieven van 3 juni 2015 opgenomen overzichten, waarin onder meer zijn opgenomen de door haar gemaakte kosten verband houdende met het beheer en giften aan de beide broers. [adres 6] is reeds verdeeld; bij akte van 24 februari 1989 heeft [C ] , mede namens [A] die hem gevolmachtigd had, de juridische eigendom van dit pand aan hemzelf, [C ] , toegedeeld. Nu de economische eigendom reeds voor het overlijden van erflaatster was overgedragen aan [X] N.V., was deze juridische eigendom niet meer dan een lege huls, om welke reden in de akte is opgenomen dat deze toedeling niet tot enige verrekening met [A] leidt.

3.6.

[A] voert gemotiveerd verweer.

in conventie en in reconventie

3.7.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

De vorderingen

4.1.

Zowel de vorderingen in conventie als de vorderingen in reconventie komen er in de kern genomen op neer dat de rechtbank, nadat zij de omvang van de nalatenschap zal hebben bepaald, de wijze van verdeling van de nalatenschap zal gelasten.

Geen verjaring

4.2.

Het meest verstrekkende verweer van [B] betreft haar beroep op verjaring van de vorderingen van [A] . De rechtbank verwerpt dit verweer.

De vorderingen van [A] zijn – zoals zojuist is overwogen – vorderingen strekkende tot verdeling van de nalatenschap en niet, zoals [B] op grond van de inhoud van de brief van 3 oktober 2007 lijkt te betogen, een vordering als bedoeld in artikelen 4:183 BW en 3:315 BW (de hereditatis petitio, het opvorderen van een derde van goederen van de nalatenschap, vgl. ook HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:92). Art. 3:178, eerste lid, BW bepaalt, gelijk in artikel 1112 BW (oud) was opgenomen, dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. Uit de woorden ‘te allen tijde’ volgt dat de vordering tot verdeling niet kan verjaren (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 606 en

HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:762). De in het verlengde van het beroep op verjaring ingestelde, onder 3.4 sub k en l weergegeven reconventionele vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. De vraag of [B] door het eerst ter comparitie instellen van deze vorderingen in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld kan dan ook onbeantwoord blijven.

Omvang van de nalatenschap

4.3.

Eerst zal de rechtbank de omvang van de nalatenschap vaststellen.

Als niet bestreden staat vast dat de nalatenschap in ieder geval omvat:

a) de garage aan de [adres 1] ;

b) de woningen aan de [adres 2 (nrs 1,2 en 3)] ;

c) de verkoopopbrengst van de bedrijfsruimte met bovenwoningen aan de [adres 3] van € 29.282,56 (64.530,27 gulden);

d) de verkoopopbrengst van de benedenwoning met bovenwoningen aan de

[adres 4] van € 22.146,46 (48.804,28 gulden);

e) de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres 5] van € 33.720,58 (74.310,41 gulden, waarvan vast staat dat dit bedrag reeds aan [A] is verstrekt, deels ter voldoening van een vordering van [A] op de nalatenschap van 41.515 gulden en van welke verkoopopbrengst, anders dan uit de vordering onder 3.4 b lijkt te volgen, ook [B] uitgaat);

f) € 13.139,62 vanwege aflossing en royement van een hypotheek op een pand aan de [straat] te [plaats] ;

g) € 19.659,12 (43.323 gulden) aan banktegoeden;

h) € 9.498,07 (20.931 gulden) vanwege vorderingen en restituties.

4.4.

Partijen twisten over de vraag of (de verkoopopbrengst van) [adres 6] tot de nalatenschap behoort. [A] stelt dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. In dit verband betoogt hij in de eerste plaats, zonder dit nader uit te werken, dat de overdracht van de economische eigendom van erflaatster aan [X] N.V. (akte van 31 december 1986) in strijd is met het fiducia-verbod en bovendien betoogt hij dat deze overdracht externe werking ontbeert. De rechtbank volgt [A] niet in zijn betoog. In de eerste plaats is geen sprake van een fiduciaire titel, aangezien nu juist niet de economische eigendom bij de vervreemder - erflaatster - bleef, maar de juridische. Gesteld noch gebleken is voorts dat de overdracht zich kenmerkt door (juridische) eigendomsoverdracht tot zekerheid van terugbetaling van schulden. Van strijd met het fiduciaverbod of een andere goederenrechtelijke regeling is dan ook geen sprake. Voor zover [A] met het beroep op het ontbreken van externe werking bedoelt te betogen dat hijzelf niet gebonden is aan de overdracht van de economische eigendom, faalt dit betoog. De erfgenamen - waaronder dus [A] zelf - verkrijgen onder algemene titel en treden om die reden ten aanzien van contractuele rechten en verplichtingen in de plaats van erflaatster, zodat de vraag naar de externe werking irrelevant is.

De erfgenamen zijn dan ook gebonden aan de overdracht van het economische eigendom.

4.5.

Voorts rijst de vraag of de juridische eigendom van [adres 6] zich nog in de nalatenschap bevindt, of dat deze bij akte van 24 februari 1989 aan [C ] is toebedeeld. [A] betoogt dat dit laatste niet het geval is, omdat wilsovereen-stemming ten aanzien van (volmachtverlening tot) een dergelijke partiële verdeling steeds heeft ontbroken. De rechtbank is echter met [B] van oordeel dat [A] geen beroep kan doen op het gestelde ontbreken van wilsovereen-stemming. Daarbij zijn de volgende vaststaande omstandigheden van belang:

- [A] heeft vóór 24 februari 1989 een boedelvolmacht aan [C ]

verstrekt;

- In de schriftelijke verklaring van 24 februari 1989 (2.7) wordt slechts gewag

gemaakt van een voorbehoud van [A] ten aanzien van eventuele verrekeningen

en dus niet van enig voorbehoud of bezwaar ten aanzien van de toebedeling van de

juridische eigendom.

- Niet is gebleken van (nadien) aan [C ] geuite bezwaren of voorbehouden ten aanzien van bedoelde toebedeling, terwijl vast staat dat [A] (enige tijd na het verlijden van de akte) de concept-akte en de schriftelijke bevestiging van het

verlijden van de akte van verdeling heeft ontvangen.

- Eerder, in juli 1988, had [A] het aangiftebiljet voor het recht van successie

betreffende de nalatenschap ondertekend, in de bijlage waarvan is opgenomen:

Het perceel [adres 6] te [plaats] […] ten name van erflaatster, is

bij akte, 31 december 1986 […], in economische eigendom overgedragen, zodat de

waarde voor de nalatenschap is te stellen op nihil.

4.6.

De onder 4.5 opgesomde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien vormen naar het oordeel van de rechtbank verklaringen en gedragingen waaraan [C ] redelijkerwijs de zin heeft mogen toekennen dat [A] instemde met de toedeling (maar een voorbehoud maakte ten aanzien van de eventuele verrekeningen) en - voor het geval de boedelvolmacht om welke reden dan ook ontoereikend zou zijn geweest - [A] de mede namens hem in de akte opgenomen toedeling bekrachtigde. Vernietiging op grond van de stelling van [A] dat hij niet aan de partiële verdeling heeft deelgenomen (al dan niet op grond van artikel 3:195, eerste lid, (nieuw)BW) kan dan ook niet aan de orde zijn, nog daargelaten dat de vordering tot vernietiging reeds geruime tijd is verjaard.

4.7.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [adres 6] niet meer tot de nalatenschap behoort en evenmin enige (verkoop)waarde van dit pand, al dan niet bij wijze van “verrekening”, in de verdeling zal kunnen worden betrokken. Ten aanzien van die verrekening wijst de rechtbank op de onder 4.5 aangehaalde passage uit de bijlage bij de aangifte successierecht waarin de waarde van de juridische eigendom door beide broers is getaxeerd op nihil.

4.8.

Nu [A] op geen enkele wijze heeft toegelicht zijn stelling dat de koopsom van 270.000 gulden voor de (economische) eigendom van [adres 6] in 1986 aanmerkelijk te laag was, kan voorts niet worden gezegd dat [C ] bij de partiële verdeling opkwam voor een groter aandeel dan hem toekwam (artikel 3:195, tweede lid, BW) en evenmin dat de overdracht van de (economische) eigendom deels als een gift dient te worden beschouwd. De rechtbank zal in het kader van de giften nog wel terugkomen op de (betwiste) betaling van deze koopsom.

4.9.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank benoeming van een deskundige die de waarde van [adres 6] zal vaststellen niet noodzakelijk.

Vruchten van en uitgaven ten behoeve van het onroerend goed van de nalatenschap

4.10.

Artikel 3:172 BW bepaalt, in overeenstemming met het vóór inwerkingtreding van dit artikel geldende recht, onder meer dat de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijk goed oplevert delen en dat zij in evenredigheid moeten bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.

4.11.

De vanaf 5 oktober 1987 geïnde huren zijn te beschouwen als vruchten van de nalatenschap. De rechtbank is van oordeel dat [A] , die in de loop van deze procedure gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de zich bij [B] bevindende administratie te laten inzien door zijn raadsman, waarbij hij inzage heeft gekregen in het verloop van de bankrekening met nr. [bankrekening] , waarop de huurpenningen werden gestort, de hoogte van de door [B] in het geding naar voren gebrachte totaalbedragen aan geïnde huren van de [adres 1] , en [adres 2 nrs 2 en 3] onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden. Daarbij betrekt de rechtbank dat [B] ter comparitie onweersproken heeft betoogd dat [adres 2 nrs 2 en 3] al voor vele decennia tegen lage huurprijzen aan de [Y] en [Z] waren verhuurd. [A] stelt voorts dat de leegstand van [adres 2 nr 1] van november 2001 tot november 2007 onaannemelijk is, gelet op de kosten voor renovatie van dit pand. [A] wijst er op dat [B] niet heeft aangetoond dat hij heeft geadverteerd om het pand te kunnen verhuren. [B] heeft deze stellingen onvoldoende bestreden. Onaannemelijk is dat [B] in genoemde periode geen enkel voordeel van [adres 2 nr 1] heeft genoten, al was het maar omdat haar zoon (enige tijd) in deze woning heeft gewoond. De rechtbank zal dit voordeel begroten op € 25.000,- netto, waarbij zij betrekt dat het pand in de periode van november 2007 tot augustus 2012 ruim

€ 45.000,- aan huur heeft opgebracht. Bij de verdeling zal dan ook dienen te worden uitgegaan van een totaalbedrag aan geïnde huur over de periode vanaf

5 oktober 1987 tot en met 31 december 2001 van 296.512,97 gulden

(€ 134.551,71), over de periode vanaf januari 2002 tot en met 31 juni 2014 van

€ 169.756,36 + € 25.000 en over de periode vanaf 1 juli 2014 tot en met 31 mei 2015 (€ 10.078,52 + € 8.672,42 =) € 18.750,94. Daarnaast dient als vrucht bij de verdeling te worden betrokken de onbestreden gebleven rente op een kapitaalrekening en rentekwartaalrekening van in totaal € 3.851 (bladzijde 8 conclusie van antwoord in reconventie). Dat de storting van 4.466 gulden op

9 september 1998 bij de verdeling dient te worden betrokken staat - gezien de inhoud van de door [B] als bijlage G overgelegde overzichten - niet ter discussie, evenals de overige daarin voorkomende ontvangsten.

3:170, eerste lid, BW

4.12.

Ten aanzien van de uitgaven ten behoeve van het onroerend goed in de nalatenschap overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat [C ] en later [B] kosten van onderhoud en renovaties hebben gemaakt ten behoeve van het onroerend goed. Anders dan [A] , is de rechtbank van oordeel dat het onderhoud en de renovaties bevoegdelijk zijn verricht, aangezien dit onderhoud en deze renovaties - te weten schilderwerkzaamheden, dak- goot- en voegreparaties, verplichte plaatsing dubbel glas, reparaties van lekkages, alsmede vervanging van CV-ketels, verwarming, een keuken, een intercom en een badkamer dienden tot gewoon onderhoud of tot behoud van het onroerend goed (vgl. artikel 3:170, eerste lid, BW).

kosten van onderhoud en renovatie

4.13.

Bij de verdeling zal moeten worden betrokken 208.496 gulden (€ 94.611,36) aan kosten van onderhoud en renovatie over de periode 5 oktober 1987 tot en met 31 december 2001, € 27.580 over de periode vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 juni 2014 en (€ 1.333,75 + € 118,99 =) € 1.452,74 over de periode vanaf 1 juli 2014 tot en met 31 mei 2015. De eerstgenoemde twee bedragen zijn de resultanten van de bedragen die [B] aanvankelijk had opgevoerd na (lichte) bijstelling naar beneden door [A] , op grond van het namens hem verrichte onderzoek in de administratie, die [B] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

Kosten van beheer

4.14.

[B] heeft aan kosten van beheer een totaalbedrag van 19.477,50 gulden

(€ 8.838,50) over de periode 5 oktober 1987 tot en met 31 december 2001 in haar bijlage G opgevoerd, alsmede (€ 1.800 + € 9.025 =) € 10.825 over de periode vanaf 1 januari 2002 tot en met eind 2014. De in de periode van ruim 27 jaar in rekening gebrachte beheersvergoeding bedraagt dan ook (€ 10.825 + € 8.838,50 / 27 =)

€ 728,28 per jaar en dus € 60,69 per maand. Namens [B] is ter comparitie uiteengezet dat deze vergoeding niet alleen zag op het aanleggen en onderhouden van administratie, maar ook op het “24 uur per dag klaar staan” voor de huurders en het initiëren en begeleiden van het onderhoud aan de huurpanden, hetgeen vóór het overlijden van erflaatster werd gedaan door een commerciële partij die een hogere beheersvergoeding rekende. Nu genoemd maandbedrag naar het oordeel van de rechtbank als bescheiden dient te worden gekwalificeerd en de beheerswerkzaamheden dus niet alleen zagen op het voeren van administratie, ziet de rechtbank, anders dan [A] , onvoldoende aanleiding om op grond van de (veronderstelde) omstandigheid dat de administratieve verslaglegging niet voldoet aan boekhoudkundige normen, de opgevoerde beheerskosten buiten de verdeling te houden.

Overige kosten

4.15.

De overige door [B] (in bijlage G) opgevoerde kosten (kosten van verzekeringen, belasting, erfpacht, VvE-kosten, servicekosten, kosten van water en elektriciteit, eigen bijdrage AWBZ, kosten begrafenis en grafzerk) zijn niet betwist door [A] . Ook deze zullen dus in de verdeling dienen te worden betrokken. Dat geldt ook voor de “Notaris & advocaatkosten” van 12.302,63 gulden (€ 5.582,69), nu [B] genoegzaam heeft aangetoond dat deze verband houden met de (partiële) verdeling van de nalatenschap; het betreft de notariële kosten van de partiële verdeling en de advocaatkosten die zijn gevallen om deze notariële kosten naar beneden te laten bijstellen.

Giften

4.16.

Nu de nalatenschap vóór 1 januari 2003 - de datum van inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht - is opengevallen geldt voor de inbreng van giften ingevolge de artikelen 69 en 139 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow NBW) het oude erfrecht. Gesteld noch gebleken is dat de broers zijn ontheven van hun verplichting onder oud erfrecht (eventuele) aan hen gedane giften in te brengen.

4.17.

Bij de toepassing van art. 4:1132 (oud) BW moet worden uitgegaan van een geobjectiveerd schenkingsbegrip; de motieven die tot de bevoordeling hebben geleid, zijn in beginsel niet van belang voor de vraag of de schenking moet worden ingebracht; voor het aannemen van vrijgevigheid is voldoende dat degene die is verarmd, de verrijking van de andere partij heeft gewild (Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3410).

4.18.

Partijen twisten over de omvang van giften die erflaatster aan hen heeft gedaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Onbetaalde gedeelte koopsom [adres 6]

4.18.1.

Met [A] is de rechtbank van oordeel dat niet ervan kan worden uitgegaan dat de gehele overeengekomen prijs voor de economische eigendom van het pand aan het [adres 6] is voldaan. Uit de inhoud van de door [B] als productie 8 overgelegde notariële afrekening “aankoop (economisch) van [adres 6] ” blijkt dat ter voldoening van de koopsom van 270.000 gulden ten behoeve van erflaatster een hypotheek is afgelost tot een bedrag van 158.330,66 gulden en dat de rest van de koopsom (111.669,34 gulden) is voldaan door middel van een door erflaatster verstrekte geldlening. Ten aanzien van de zojuist genoemde geldlening van 111.669,34 gulden (€ 50.673,34) heeft [B] echter, ondanks de uitdrukkelijke betwisting door [A] van de (volledige) betaling van de koopsom van 270.000 gulden, niet inzichtelijk kunnen maken dat deze lening inderdaad is afgelost. Daarnaast staat vast dat erflaatster (terug)betaling van het geleende en rente over het geleende bedrag nooit heeft verlangd. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een (geobjectiveerde) schenking die dient te worden ingebracht. In dit verband dient naar het oordeel van de rechtbank voorts de formele schuldenaar [X] N.V. te worden vereenzelvigd met [C ] . Van deze vereenzelviging op dit punt is [C ] zelf namelijk kennelijk ook uitgegaan, door de juridische eigendom van het door hem bewoonde [adres 6] aan zichzelf toe te delen (en niet (direct) aan [X] N.V. te leveren hetgeen gezien de inhoud van de akte van 31 december 1986 veel meer voor de hand zou hebben gelegen). Bij de verdeling dient [B] dan ook genoemd bedrag van € 50.673,34 in te brengen.

Huur [adres 6]

4.18.2.

[A] betoogt dat de omstandigheid dat [C ] in de jaren 1976 tot en met 1986 in de woning aan het [adres 6] heeft gewoond zonder huur aan erflaatster te betalen, met zich brengt dat de aldus bespaarde huur dient te worden ingebracht. De rechtbank kan in het midden laten of deze door [B] betwiste omstandigheid als een schenking die tot inbreng dient te leiden kan worden gekwalificeerd (hetgeen nog maar de vraag is, nu bijvoorbeeld onder nummer 477 van de 10e druk uit 1988 van deel 6 van de Asserserie is opgenomen: “Ingeval van een materiële bevoordeling door een verhuur tegen een te lage huurprijs, brengt art. 1144 mede, dat ter zake van die bevoordeling geen inbreng plaatsvindt, voor zoveel betreft de bevoordeling gedurende de aan het overlijden voorafgaande huurtijd.”). De rechtbank is anders dan [A] namelijk van oordeel dat ten gevolge van de als Bijlage A overgelegde stukken genoegzaam is aangetoond dat ( [X] N.V. huur betaalde aan [C ] en dat) [C ] 30.000 gulden per jaar aan huur voldeed aan erflaatster.

Schenkingen aan beide broers

4.18.3.

De rechtbank is van oordeel dat [B] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist de stelling van [A] luidende dat [C ] hem in 1986 mondeling mededeelde dat, nadat [A] de ter plekke aan hem overhandigde 6.000 gulden zou hebben ontvangen, de tot dan toe door erflaatster aan beide broers geschonken geldbedragen gelijk zouden zijn getrokken. Uit de door [B] als bijlagen C en D in het geding gebrachte (weinig inzichtelijke) stukken, waaronder enkele aanslagbiljetten recht van schenking, kan de rechtbank niet met enige mate van zekerheid afleiden dat erflaatster aan [A] (255.012,58–184.550,28 =) 70.462,30 gulden meer zou hebben geschonken dan aan [C ] . Daar komt nog bij dat namens [B] ter comparitie is verklaard: “[ [C ] ] probeerde zo weinig mogelijk belasting te betalen. Er zijn dus giften onderhands gedaan.” Dit laatste relativeert de waarde van de in het geding gebrachte schenkingsoverzichten en aanslagbiljetten dusdanig, dat van de juistheid van de zojuist aangehaalde stelling van [A] dient te worden uitgegaan. Nu de door [B] in het geding gebrachte stukken geen blijk geven van schenkingen aan [A] daterend van na 1986 (afgezien van enkele door [A] bij dagvaarding onder nr. 23 erkende en in de verdeling te verdisconteren betalingen aan hem van na het overlijden van erflaatster), leidt het voorgaande tot het oordeel dat slechts de op zich onbetwiste, na 1986 gedane schenking aan [C ] van 72.275 gulden (€ 32.796,96) dient te worden ingebracht.

Rente over inbreng

4.19.

Ingevolge art. 69 Ow NBW geldt in het onderhavige geval niet de rentebepaling van artikel 4:233, eerste lid, BW, maar de oude rente-bepaling van art. 1144 OBW. De rente over de inbreng bedraagt dus niet 6% per jaar vanaf het moment waarop de nalatenschap is opgevallen, maar de wettelijke rente vanaf dat moment.

Toedeling [adres 1] en [adres 2 (nrs 1,2 en 3)]

4.20.

De rechtbank zal ten aanzien van de toedeling van het zich nog in de nalatenschap bevindende onroerend goed als volgt beslissen. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat [A] niet (gemotiveerd) heeft bestreden de door [B] reeds bij antwoord (in productie 6) naar voren gebrachte, aan de huidige WOZ-waarde gerelateerde waarde van het onroerend goed ( [adres 2 nr 1] : € 149.000, [adres 2 nr 2] : € 167.000, [adres 2 nr 3] : € 152.000 en [adres 1] : €28.000).

4.21.

[A] heeft bij dagvaarding gevorderd dat het zich nog in de boedel bevindende onroerend goed aan hem zal worden toegedeeld. Nadat [B] bij antwoord te kennen had gegeven toedeling van een deel van dit onroerend goed aan haarzelf te verlangen, heeft [A] in zijn laatste conclusie laten opnemen: “[ [A] ] kan vooralsnog niet instemmen met het voorstel om de panden aan de [adres 2 nr 1] en de [adres 1] aan [ [B] ] toe te delen. [ [A] ] stelt zich op het standpunt dat eerst duidelijkheid moet worden verkregen over de omvang van de nalatenschap”. Aldus is de rechtbank onduidelijk in hoeverre [A] zijn vordering tot toedeling van het onroerend goed handhaaft. Nu de aanmerkelijke waardestijging van [adres 6] niet ten goede komt aan [A] , is de rechtbank van oordeel dat de billijkheid met zich brengt dat [A] de keuze toekomt welk onroerend goed hij wenst te krijgen toegedeeld en welk onroerend goed niet. Deze keuze dient hij uiterlijk drie maanden na dit vonnis schriftelijk aan [B] mede te delen. Deze keuze bepaalt dan de wijze van verdeling van het onroerend goed, waarbij wordt aangetekend dat eveneens de onder 4.20 opgesomde waarden in de verdeling dienen te worden betrokken. Als [A] bijvoorbeeld [adres 2 nr 1] toegedeeld wenst te krijgen, wordt die toedeling aan hem op € 149.000 gewaardeerd (van welk bedrag hem uiteraard de helft toekomt) en vice versa. Uiteraard dienen partijen alle medewerking te verlenen aan de levering van het onroerend goed aan de partij aan wie het betreffende onroerend goed wordt toegedeeld. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten voor de vrees dat partijen hieraan niet zullen meewerken. Het opleggen van een dwangsom of toepassing van artikelen 3:300 en 3:301 BW zal dan ook achterwege blijven.

Rekening en verantwoording

4.22.

De vordering tot het afleggen van (nadere) rekening en verantwoording zal worden afgewezen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de inhoud van hetgeen als rekening en verantwoording mag worden verlangd, telkens wordt bepaald door de aard van de rechtsverhouding welke verplicht tot het zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen en de omstandigheden van het geval (HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994: ZC1561). De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat het in het onderhavige geval gaat om het afleggen van rekening en verantwoording in de familiaire sfeer over een zeer lange periode. Daarbij komt dat in de loop van de procedure (nadere) rekening en verantwoording is afgelegd en dat na inzage door de raadsman van [A] in de administratie geen (noemenswaardige) onjuistheden of hiaten in de rekening en verantwoording aan het licht zijn gekomen. Van onvoldoende gewicht acht de rechtbank de tegenwerping van [A] dat hogere eisen dienen te worden gesteld, aangezien een beheersvergoeding in rekening is gebracht. Zoals reeds onder 4.14 is overwogen, betreft het namelijk een bescheiden vergoeding die onder het commerciële tarief ligt en die bovendien niet slechts ziet op administratieve verslaglegging, maar voornamelijk op het onderhouden met de relatie met de huurders en het laten uitvoeren van (herstel)werkzaamheden aan het onroerend goed.

Proceskosten

4.23.

De rechtbank zal de kosten van dit geding aldus compenseren dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. Deze beslissing is gegrond op de omstandigheden dat deze zaak familierechtelijk van aard is en dat partijen ieder op belangrijke punten in het ongelijk zijn gesteld. Reeds deze laatstgenoemde omstandigheid staat in de weg aan, het door [B] bepleite, oordeel dat [A] door het aanbrengen van deze zaak misbruik van procesrecht heeft gemaakt. De vordering tot het veroordelen van [A] in de werkelijk gemaakte kosten van dit geding, zal dan ook worden afgewezen.

Het dictum

4.24.

In de beoordeling heeft de rechtbank alle geschilpunten tussen partijen beslecht. Deze geschilpunten hebben, getuige het onder 3.1 en 3.4 weergegevene, geleid tot een bijzonder groot aantal vorderingen. Een aantal daarvan is reeds hierboven expliciet afgewezen. Wat betreft de overige vorderingen geldt dat, voor zover zij betaling van de helft van de waarde van een afzonderlijk in de nalatenschap vallend goed betreffen, niet kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van het groot aantal gevorderde verklaringen voor recht die alle zien op de wijze van verdeling geldt dat, voor zover zij hierboven niet reeds expliciet zijn afgewezen, partijen bij de afzonderlijke toewijzing ervan onvoldoende belang hebben, nu reeds uit de hierboven opgenomen overwegingen afdoende blijkt op welke wijze de verdeling van de nalatenschap door partijen dient te worden verdeeld en de verrekening van de vruchten en uitgaven als bedoeld in artikel 3:172 BW in het kader van die verdeling zal geschieden. Nu de rechtbank - met name vanwege het onder 4.21 overwogene - niet een exacte berekening kan maken van wat ieder der partijen uit de nalatenschap toekomt, zal zij in het dictum volstaan met het gelasten van de wijze van verdeling van de nalatenschap met inachtneming van de onder 4.2 en verder opgenomen overwegingen. De afwijzing van het meer of anders gevorderde dient in dat licht te worden bezien.

4.25.

Samengevat komen de uitgangspunten van de verdeling van de nalatenschap op het volgende neer. Naast de in 4.3 genoemde bestanddelen van de nalatenschap, waarbij de garage aan de [adres 1] wordt gewaardeerd op € 28.000 en de panden aan de [adres 2 (nrs 1,2 en 3)] op € 149.000, respectievelijk € 167.000, respectievelijk € 152.000, dienen in de verdeling te worden betrokken:

- de opbrengsten van het onroerend goed ad € 323.059,01 + € 25.000

(van 5 oktober 1987 tot en met 31 mei 2015);

- rente-opbrengsten ad € 3.851 en het onder 4.11 genoemde bedrag van

4.466 gulden (€ 2.024.31);

- de kosten van onderhoud en renovatie van het onroerend goed ad

€ 123.644,10 (van 5 oktober 1987 tot en met 31 mei 2015);

- de kosten van beheer € 19.663,50 (tot eind 2014);

- notaris/advocaatkosten: € 5.582.69 en de overige onder 4.15 genoemde

posten;

- inbreng wegens giften van de zijde van [B] ten bedrage van

€ 50.673,34 en € 32.796,96, beide bedragen te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf 5 oktober 1987.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster aldus, dat daarbij het in dit vonnis onder 4.2 tot en met 4.25 overwogene in acht wordt genomen;

5.2.

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.3.

compenseert de kosten van dit geding aldus, dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. I.A.M. Kroft, mr. D.R. Glass en mr. drs. J.J. Peters en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2015.