Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11227

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
C/09/446565 / HA ZA 13-771(2)
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bevoegdheidsincident; art. 6 EEX-Vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/446565 / HA ZA 13-771

Vonnis in bevoegdheidsincident van 30 september 2015

in de zaak van

1. de vennootschap naar vreemd recht

BACARDI AND COMPANY LIMITED,

gevestigd te Vaduz, Liechtenstein,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BACARDI-MARTINI B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

verweersters in dit bevoegdheidsincident,

advocaat thans mr. N.W. Mulder te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B & S INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B & S INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

3. [A],

wonende te [woonplaats ] , België,

gedaagde,

verweerder in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

advocaat mr. J.J. Schelling te Rotterdam,

4. [B],

wonende te [woonplaats ] ,

gedaagde,

verweerder in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

eiser in dit bevoegdheidsincident,

advocaat mr. J.J. Schelling,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B & S HOLLAND TRADING GROUP B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen;

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B & S B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

verweerster het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KAMSTRA EXPORT B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KAMSTRA LIQUORS B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SQUARE DRANKEN B.V.,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SQUARE DRANKEN NEDERLAND B.V.

t.h.o.d.n. Square dranken,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

11. [C],

wonende te [woonplaats ] ,

gedaagde,

verweerder in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

eiser in dit bevoegdheidsincident,

advocaat mr. J.J. Schelling,

12. de vennootschap naar vreemd recht

HELLWEGE SPIRITUOSEN & WEIN VERTRIEBS GMBH,

gevestigd te Prisdorf, Duitsland,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

13. de vennootschap naar vreemd recht

EMIL KRITZKY GMBH SCHIFFSAUSRÜSTUNG,

gevestigd te Prisdorf, Duitsland,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P.H.I. LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P.H.S. B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

16. de vennootschap naar vreemd recht

CORRIG LOGISTICS EUROPE LTD.,

gevestigd te Dublin, Ierland,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEREMA TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
B & S PAUL GLOBAL B.V.

t.h.o.d.n. Bosman Bonded Stores,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B&S GLOBAL TRANSIT CENTER B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

20. [D],

wonende te [woonplaats ] , Ierland,

gedaagde,

verweerder in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

eiser in dit bevoegdheidsincident,

advocaat mr. J.J. Schelling,

21. [E],

wonende te [woonplaats ] , Ierland,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

eiseres in dit bevoegdheidsincident,

advocaat mr. J.J. Schelling,

22. de vennootschap naar vreemd recht

BRANDLUX LIMITED,

gevestigd te Dublin, Ierland,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

23. de vennootschap naar vreemd recht

SHANNON BRANDS LIMITED,

gevestigd te Dublin, Ierland,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

24. de vennootschap naar vreemd recht

KEY BRANDS DISTRIBUTORS LIMITED,

gevestigd te Dublin, Ierland,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

25. de vennootschap naar vreemd recht

FIRST BRANDS LIMITED,

gevestigd te Dublin, Ierland,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen,

26. de vennootschap naar vreemd recht

PRIME BRANDS LIMITED,

gevestigd te Dublin, Ierland,

gedaagde,

verweerster in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening,

niet verschenen.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk Bacardi Limited en Bacardi Nederland en gezamenlijk Bacardi c.s. (vrouwelijk enkelvoud) genoemd worden. Gedaagde sub 3 zal hierna worden aangeduid als [A] , gedaagde sub 4 als [B] en gedaagde sub 11 als [C] (gezamenlijk ook: [A] c.s.). Gedaagde sub 20 wordt hierna afzonderlijk [D] genoemd, gedaagden sub 20 en sub 21 hierna gezamenlijk [D] c.s.

Voor Bacardi c.s. is de zaak inhoudelijk behandeld door haar procesadvocaat tezamen met mr. A.M.E. Voerman, eveneens advocaat te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het hier relevante verloop van de procedure tot en met 23 juni 2015 blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 22 april 2013 en 23 april 2013 tevens inhoudende een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening en tot het verstrekken van afschrift van bescheiden;

  • -

    de akte houdende overlegging producties, met producties 0 tot en met 24;

  • -

    het jegens de gedaagden [B] , [C] en [D] c.s. verleende verstek;

  • -

    de zuivering van het verstek door [B] , [C] en [D] c.s.;

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van [B] , [C] en [D] c.s.;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord;

  • -

    het pleidooi in dit incident van 23 juni 2015;

  • -

    de pleitnota’s van Bacardi c.s. en [B] , [C] en [D] c.s.

1.2.

Op 18 maart 2015 is vonnis gewezen in het eerder door [A] opgeworpen bevoegdheidsincident. Vonnis in het door [B] , [C] en [D] c.s. opgeworpen bevoegdheidsincident is bepaald op heden.

2 Inleiding

2.1.

Voor een goed begrip van de vorderingen en de grondslagen daarvan acht de rechtbank het nodig om eerst een aantal stellingen van Bacardi c.s. en door haar gehanteerde definities weer te geven.

2.2.

Bacardi c.s. stelt dat Bacardi Limited houdster en Bacardi Nederland licentieneemster is van een aantal in de dagvaarding nader gespecificeerde Gemeenschapsmerken, Beneluxmerken en internationale merkregistraties met gelding voor de Benelux, die zij, naar de rechtbank begrijpt, aanduidt als de BACARDI-merken.

2.3.

Bacardi c.s. maakt in haar processtukken en vorderingen voorts gebruik van de aanduidingen Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten. Zij definieert deze als: alle op het grondgebied van de Europese Unie (hierna: EU) verhandelde Bacardi-producten:

  • -

    I) ten aanzien waarvan door of namens gedaagden de productcodes zijn verwijderd, ongeacht de herkomst van de Bacardi-producten en ongeacht de douanestatus daarvan;

  • -

    II) ten aanzien waarvan uit de administratie van gedaagden of derden die door gedaagden zijn ingeschakeld, blijkt dat het om producten gaat waarvan de productcodes zijn verwijderd, ongeacht de herkomst van de Bacardi-producten en ongeacht de douanestatus daarvan;

  • -

    III) ten aanzien waarvan door gedaagden niet wordt aangetoond dat zij door of met toestemming van Bacardi in de EER in het verkeer zijn gebracht of dat zij uitsluitend de T1-status hebben gehad en derhalve bij voortduring uitgezonderd zijn gebleven van het vrije verkeer van goederen in de EU;

  • -

    IV) met de niet-communautaire status (T1) indien deze producten als niet-communautaire producten worden verkocht maar niet door de koper als niet-communautaire producten zijn ontvangen;

  • -

    V) met de niet-communautaire status (T1) indien deze producten worden aangeboden aan marktpartijen zonder dat bij dit aanbod een voorbehoud is gemaakt dat deze producten zijn bestemd voor verkoop buiten de EU.

3 Vorderingen en grondslagen in de hoofdzaak

3.1.

Bacardi c.s. vordert in de hoofdzaak – zakelijk weergegeven en voor zover thans relevant:

1. te verklaren voor recht:

a. dat gedaagden sub 5, 7-10, 12-14, 18 en 22-26 (verder te noemen: de vennootschappen) inbreuk hebben gemaakt op de BACARDI-merken en/of onrechtmatig hebben gehandeld en/of in groepsverband onrechtmatig hebben gehandeld door het verhandelen van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten;

b. dat gedaagden 14-17 en 19 onrechtmatig hebben gehandeld door het verlenen van diensten van een tussenpersoon;

c. dat [A] c.s., [D] c.s.1 en gedaagden sub 1, 2, 5 en 6 onrechtmatig jegens Bacardi c.s. hebben gehandeld vanwege het onbehoorlijk besturen van de vennootschappen;

2. de vennootschappen te veroordelen om de inbreuk op de BACARDI-merken en elk onrechtmatig handelen (in groepsverband) jegens Bacardi c.s. in de gehele EU te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, waaronder de verhandeling (in groepsverband) van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten;

3. [A] c.s., [D] c.s. en gedaagden sub 1, 2, 5, 6 te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat de vennootschappen elke inbreuk op de merkrechten van Bacardi c.s. en elk onrechtmatig handelen jegens Bacardi c.s. in de gehele EU (doen) staken en gestaakt (doen) houden, waaronder verhandeling (in groepsverband) van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten;

4. gedaagden 14-17 en 19 te veroordelen het verlenen van diensten die inbreuk maken op de aan Bacardi c.s. toekomende rechten in de gehele EU te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden;

5. gedaagden te veroordelen om opgave te doen van gegevens met betrekking tot de verhandeling van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten;

6. inzage in een ten laste van gedaagden op 19 april 2013 gelegd bewijsbeslag;

7. [A] c.s., [D] c.s. en gedaagden sub 1, 2, 5-10, 12-14, 18 en 22-26 hoofdelijk te veroordelen tot afdracht van de winst die is behaald met de verhandeling van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten;

8. te verklaren voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade als gevolg van de verhandeling van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten en het verlenen van diensten van een tussenpersoon en vergoeding van die schade;

9. te verklaren voor recht dat gedaagden sub 9 en 10 in strijd met een door gedaagde sub 9 getekende onthoudingsverklaring hebben gehandeld en dat gedaagden sub 1, 2, 5, 9, 10 en [A] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbeurde boetes en alle schade die het gevolg is van de verhandeling van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten door gedaagden sub 9 en 10;

10. hoofdelijke veroordeling van gedaagden sub 1, 2, 5, 9, 10 en [A] c.s. tot vergoeding van de onder 9 genoemde boetes;

met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de overeenkomstig artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te begroten proceskosten, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis en met waarmerking van het vonnis als Europese Executoriale Titel.

3.2.

Bacardi c.s. legt aan haar vorderingen – zakelijk weergegeven en voor zover van belang voor deze beslissing – de volgende stellingen ten grondslag.

3.2.1.

Bacardi Limited is houdster van de BACARDI-merken. Bacardi Nederland is licentiehoudster van de BACARDI-merken en distributeur van Bacardi-producten in de Benelux.

3.2.2.

Gedaagden zijn alle onderdeel van de B&S-groep. Aan het hoofd van de B&S-groep staan gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2. [A] c.s. en [D] c.s. zijn bestuurders en feitelijk beleidsbepalers van de vennootschappen. [D] c.s. zijn onder meer bestuurder en feitelijk beleidsbepaler van gedaagden sub 16 (hierna: Corrig) en 22 tot en met 26, die in Ierland zijn gevestigd (hierna: de Ierse vennootschappen). Gedaagde sub 16 heeft een vestiging in Farmsum (Nederland).

3.2.3.

Gedaagden zijn betrokken bij de grootschalige verhandeling van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten. De vennootschappen hebben in groepsverband inbreuk op de Gemeenschaps- en Benelux merkrechten van Bacardi c.s. gemaakt en onrechtmatig jegens Bacardi c.s. gehandeld door de verhandeling van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten of zijn daarbij betrokken als tussenpersoon.

3.2.4.

De bestuurders c.q. feitelijke beleidsbepalers van de vennootschappen, te weten gedaagden 1, 2, 5, 6, [A] c.s. en [D] c.s. kan een ernstig verwijt worden gemaakt nu zij de verhandeling van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten hebben bewerkstelligd, althans niet zijn tegengegaan. Zij kunnen daarom hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de verhandeling van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten door de vennootschappen en door een aantal inmiddels ontbonden vennootschappen die niet in de procedure zijn betrokken.

3.2.5.

Gedaagde sub 9 heeft in 2000 een onthoudingsverklaring met een boetebeding getekend maar is daarna niettemin weer betrokken geweest bij de verkoop van Inbreukmakende en/of Onrechtmatige Bacardi-producten. Gedaagde sub 10 heeft de bedrijfsactiviteiten van gedaagde sub 9 overgenomen, waardoor de verhaalspositie van Bacardi c.s. is benadeeld.

3.2.6.

Er is misbruik gemaakt van het identiteitsverschil tussen gedaagde sub 9 en gedaagde sub 10. Gedaagde sub 10 alsook de (feitelijk) beleidsbepalers bij gedaagde sub 9 - te weten [A] c.s. en gedaagde sub 5 - dienen de schade die Bacardi c.s. daardoor lijdt, te vergoeden. Voorts geldt dat [A] c.s. en gedaagde sub 1, 2 en sub 5 als beleidsbepalers door de overgang van de vermogensbestanddelen van gedaagde sub 9 naar gedaagde sub 10 hebben bewerkstelligd dat gedaagde sub 9 haar verplichtingen niet kon nakomen. Daarnaast is sprake van onwil om de verbeurde boetes te betalen. Ook gelet hierop zijn gedaagden [A] c.s. en gedaagden sub 1, 2 en 5 aansprakelijk voor de vorderingen die Bacardi c.s. heeft op gedaagde sub 9.

4. Het geschil in het door [B] , [C] en [D] c.s. opgeworpen bevoegdheidsincident

4.1.

De dagvaarding vermeldt dat de bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen tegen (onder andere) [B] en [C] voor zover deze zijn gebaseerd op gemeenschapsmerken gebaseerd kan worden op de artikelen 95 lid 1, 96 aanhef en onder a, 97 lid 1 en 98 lid 1 sub a van Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk (verder: GMVo) en artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-Verordening inzake het Gemeenschapsmerk. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op Beneluxmerken of op onrechtmatigheid, zou jegens hen bevoegdheid bestaan op grond van verknochtheid.

4.2.

De bevoegdheid om kennis te nemen van de vorderingen tegen de buitenlandse gedaagden zou bestaan op grond van artikel 6 lid 1 van Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechtelijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, verder: EEX-Vo (oud)2 juncto de artikelen 96 en 97 lid 1 GMVo dan wel op grond van de artikelen 96 juncto 97 lid 5 GMVo. Bacardi c.s. beroept zich voorts op toepasselijkheid van (uitsluitend) de artikelen 6 lid 1 en 5 lid 3 EEX-Vo (oud) voor het geval moet worden geoordeeld dat de tegen de buitenlandse gedaagden ingestelde vorderingen niet zijn aan te merken als vorderingen betreffende inbreuk.

4.3.

[B] , [C] en [D] c.s. vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen jegens hen kennis te nemen. [D] c.s. hebben gesteld dat de artikelen 6 lid 1 EEX-Vo (oud), en 96 en 97 lid 5 van de GMVo toepassing missen en dat de Nederlandse rechter daarom geen internationale bevoegdheid heeft. [B] en [C] beroepen zich op relatieve onbevoegdheid van de rechtbank. Zij hebben daartoe betoogd dat zij woonplaats hebben buiten het arrondissement Den Haag, dat niet is gebleken van (bestuurlijk) handelen of nalaten binnen dit arrondissement en dat er onvoldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden om gezamenlijke behandeling te rechtvaardigen.

4.4.

Bacardi c.s. heeft deze incidentele vorderingen gemotiveerd bestreden. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

5 De beoordeling in de bevoegdheidsincidenten

5.1.

De vorderingen in de hoofdzaak tegen [B] , [C] en [D] c.s. en de daaraan ten grondslag liggende stellingen kunnen als volgt worden gecategoriseerd. Naar de rechtbank begrijpt hebben zij volgens Bacardi c.s.:

  • -

    i) onrechtmatig jegens Bacardi c.s. gehandeld door te bewerkstelligen, althans niet te voorkomen dat de vennootschappen, waaronder gedaagden die in Nederland zijn gevestigd, inbreuk maken en/of hebben gemaakt op BACARDI-Gemeenschapsmerken;

  • -

    ii) onrechtmatig jegens Bacardi c.s. gehandeld door te bewerkstelligen, althans niet te voorkomen dat de vennootschappen, waaronder gedaagden die in Nederland zijn gevestigd, inbreuk maken en/of hebben gemaakt op internationale/Benelux BACARDI-merken;

  • -

    iii) onrechtmatig jegens Bacardi c.s. gehandeld door te bewerkstelligen, althans niet te voorkomen dat de vennootschappen, waaronder gedaagden die in Nederland zijn gevestigd, handelen en/of hebben gehandeld in Bacardi-producten waarvan de productcodes zijn verwijderd.

Voorts verwijt Bacardi c.s. [C] en [B] dat zij:

( iv) onrechtmatig jegens Bacardi c.s. hebben gehandeld door te bewerkstelligen dat gedaagde sub 9 niet in staat is te voldoen aan haar verplichting tot betaling van verbeurde boetes en betaling van schadevergoeding;

op grond waarvan zij als (feitelijk) bestuurder voor die handelingen (i), (ii), (iii) en (iv) aansprakelijk zijn. De vorderingen die zijn gebaseerd op de hiervoor vermelde verwijten zullen worden aangeduid als respectievelijk vorderingen (i), (ii), (iii) en (iv).

5.2.

Bij de beoordeling van de bevoegdheid moet onderscheid gemaakt worden tussen de in het buitenland wonende gedaagden [D] c.s. enerzijds en de in Nederland (doch buiten het arrondissement Den Haag) wonende [B] en [C] anderzijds.

[D] c.s.: artikel 96 in verbinding met artikel 97 lid 5 GMVo

5.3.

De tegen [D] c.s. ingestelde vorderingen zien niet op inbreuk op Gemeenschapsmerken door [D] c.s. zelf maar op het onrechtmatige faciliteren van de inbreuk door de vennootschappen. Bacardi c.s. vordert tegen hen dan ook geen inbreukverbod, maar een gebod om zorg te dragen dat de vennootschappen hun inbreuk staken. Dit is geen vordering als bedoeld in artikel 96 GMVo. Artikel 97 lid 5 GMVo (alsmede artikel 4.6 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken, tekeningen en modellen) voor wat betreft vordering (ii)) mist daarom toepassing. De internationale bevoegdheid dient dan ook te worden vastgesteld aan de hand van de EEX-Vo (oud).

[D] c.s.: Artikel 6 aanhef en onder 1 EEX-Vo (oud)

5.4.

Voorop staat dat de rechtbank Den Haag niet kan worden aangemerkt als de rechtbank van de woonplaats van [D] c.s. De internationale bevoegdheid is dus niet te baseren op artikel 2 EEX-Vo (oud).

5.5.

Internationale bevoegdheid ten aanzien van [D] c.s. kan op grond van artikel 6 aanhef en onder 1 EEX-Vo (oud) alleen worden aangenomen indien deze rechtbank kan worden aangemerkt als het “gerecht van de woonplaats” van (een van) de medegedaagden en indien sprake is van een zodanig nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige behandeling en berechting teneinde tegenstrijdige beslissingen te voorkomen.

5.6.

In rechtsoverwegingen 5.8 en verder van het incidentele vonnis van 18 maart 2015 heeft de rechtbank voor betreft de vorderingen (i) tegen [A] geoordeeld dat zij dient te worden aangemerkt als het “gerecht van de woonplaats” van een andere verweerder in de zin van 6 lid 1 EEX-Vo (oud) omdat zij exclusief bevoegd is kennis te nemen van de op inbreuk op Gemeenschapsmerken gebaseerde vorderingen tegen de Nederlandse mede-gedaagden op grond van de artikelen 96 onder a en 97 lid 1 GMVo en artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-Verordening inzake het Gemeenschapsmerk, welke inbreuk [A] zou hebben gefaciliteerd. De rechtbank oordeelde voorts dat de beslissingen ten aanzien van [A] en de Nederlandse mede-gedaagden zien op eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, nu zowel in de procedure tegen [A] als die tegen de Nederlandse mede-gedaagden moet worden beslist of de Nederlandse mede-gedaagden inbreuk op de BACARDI-Gemeenschapsmerken hebben gemaakt, zodat gevaar van onverenigbare beslissingen bestaat als bedoeld in artikel 6 lid 1 EEX-Vo (oud). De rechtbank verklaarde zich op die grond bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak tegen [A] voor zover deze zijn gegrond op de stelling dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld door - kort gezegd - de inbreuk op de BACARDI-Gemeenschapsmerken door de Nederlandse mede-gedaagden te faciliteren.

5.7.

[D] c.s. wordt in het bijzonder verweten dat zij door middel van hun betrokkenheid bij de Ierse vennootschappen de inbreuken op de BACARDI-merken hebben gefaciliteerd.3 Bacardi c.s. meent daarnaast kennelijk echter dat [D] c.s. als bestuurders en feitelijk beleidsbepalers van de B&S groep naast [A] , [B] en [C] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor onder meer de inbreuk op de BACARDI-Gemeenschapsmerken door de Nederlandse mede-gedaagden door deze inbreuk te bewerkstelligen, althans niet te voorkomen.4 In zoverre geldt voor [D] c.s. evenzeer dat bevoegdheid om van de vorderingen kennis te nemen gebaseerd kan worden op artikel 6 lid 1 EEX-Vo (oud). Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op andere stellingen geldt echter dat deze rechtbank niet is aan te merken als het gerecht van de woonplaats van een van de mede-gedaagden, zodat artikel 6 lid 1 EEX-Vo (oud) niet van toepassing is.

5.7.1.

Voor de betrokkenheid van [D] c.s. bij het handelen van Corrig, welke vennootschap een vestiging heeft in Farmsum, Nederland, geldt nog in het bijzonder het volgende. Aan Corrig wordt geen concrete inbreuk op de Gemeenschapsmerken van Bacardi c.s. verweten. Bacardi c.s. stelt slechts dat Corrig heeft gehandeld als tussenpersoon en dat zij vermoedt dat Corrig betrokken is geweest bij de gestelde inbreuk op de Bacardi-merken. Niet valt in te zien dat aan [D] c.s. een verwijt kan worden gemaakt van het handelen van Corrig als tussenpersoon terwijl betrokkenheid van Corrig bij merkinbreuk Bacardi c.s. kennelijk niet is gebleken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het verwijt aan [D] c.s. niet ziet op het faciliteren van onrechtmatige handelingen van Corrig. Voor zover dit wel het geval is, heeft te gelden, zoals hiervoor overwogen, dat de rechtbank Den Haag niet de rechter is van de woonplaats van Corrig in de zin van artikel 60 lid 1 EEX-Vo (oud).

[D] c.s.: artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo (oud)

5.8.

Het betoog van Bacardi c.s. dat internationale bevoegdheid voor de in 5.1 vermelde handelingen ten aanzien van [D] c.s. kan worden aangenomen op grond van artikel 5 lid 3 EEX-Vo (oud) kan eveneens niet worden gevolgd.

5.9.

Zoals reeds ten aanzien van [A] is overwogen in rechtsoverweging 5.12 van het incidentele vonnis van 18 maart 2015, geldt ook voor [D] c.s. dat in de dagvaarding niets is gesteld waaruit moet worden afgeleid dat hun vermeende onrechtmatig handelen in Nederland, laat staan in het arrondissement Den Haag heeft plaatsgevonden. Het betoog van Bacardi c.s. bij pleidooi dat de schade deels is ingetreden in het arrondissement van deze rechtbank omdat uit de producties zou blijken dat is gehandeld met een bedrijf in Leiden en dat ook de Ierse vennootschappen bij deze inbreuk een rol hebben gespeeld heeft niet tot gevolg dat door deze nadere stelling alsnog bevoegdheid ontstaat. De rechtbank beoordeelt haar bevoegdheid aan de hand van de gronden in de dagvaarding. Bovendien is niet in te zien waarom in dat geval moet worden aangenomen dat het door het onrechtmatig handelen van [D] c.s. veroorzaakte schadebrengende feit dan eveneens in het arrondissement Den Haag zou hebben plaatsgevonden.

[C] en [B]

5.10.

Deze rechtbank is met uitsluiting van andere Nederlandse rechtbanken bevoegd te oordelen over de tegen de in Nederland gevestigde vennootschappen ingestelde vorderingen, gebaseerd op onder meer inbreuken op de Gemeenschapsmerken van Bacardi c.s. De tegen [B] en [C] ingestelde vorderingen (i) hangen nauw met de vorderingen tegen de Nederlandse vennootschappen samen omdat hen wordt verweten dat zij deze inbreuken onrechtmatig zouden hebben gefaciliteerd. De samenhang brengt mee dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke berechting met deze medegedaagden rechtvaardigen. [B] en [C] onderkennen dit kennelijk ook nu zij zich in de incidentele conclusie op het standpunt hebben gesteld dat de zaak na verwijzing naar de rechtbank Noord-Nederland dient te worden aangehouden totdat de rechtbank Den Haag heeft beslist over de beweerde inbreuken. De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank om vorderingen (i) te beoordelen volgt daarmee uit artikel 107 Rv.

5.11.

Ook voor wat betreft de tegen [B] en [C] ingestelde vorderingen die betrekking hebben op onrechtmatig handelen, niet bestaande uit het faciliteren van inbreuk op de Bacardi-Gemeenschapsmerken (vorderingen (ii), (iii) en (iv)) en voor zover zij aansprakelijk worden gehouden voor het handelen van een aantal niet gedagvaarde vennootschappen moet voldoende samenhang worden aangenomen. Vanuit proceseconomische redenen valt niet in te zien dat het doelmatig zou zijn om deze vorderingen, waaraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt als aan de vorderingen tegen de Nederlandse vennootschappen op grond van inbreuken op de Gemeenschapsmerken, te verwijzen naar een andere rechter.

Conclusie

5.12.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van de vorderingen jegens [D] c.s., behoudens voor zover zij aansprakelijk worden gehouden voor inbreuk door de Nederlandse mede-gedaagden op de BACARDI-Gemeenschapsmerken, en dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen jegens [B] en [C] .

5.13.

De stelling van Bacardi c.s. dat [B] , [C] en [D] c.s. de proceskosten van het incident hoe dan ook dienen te dragen omdat zij dit onbevoegdheidsincident tegelijk met [A] hadden dienen op te werpen en de kosten dus nodeloos zijn gemaakt wordt niet gevolgd. Niet is in te zien op grond waarvan [B] , [C] en [D] c.s. gehouden zouden zijn hun procesvoering af te stemmen met [A] , ook al hebben zij allen dezelfde advocaat. De rechtbank houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident overigens aan totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

6 De beslissing

De rechtbank:

In het incident:

6.1.

verklaart zich bevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak jegens [D] c.s. kennis te nemen voor zover deze zijn gegrond op de stelling zij als bestuurders en feitelijk beleidsbepalers van de B&S groep hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de inbreuk op de BACARDI-Gemeenschapsmerken door de Nederlandse mede-gedaagden door deze inbreuk te bewerkstelligen, althans niet te voorkomen;

6.2.

verklaart zich onbevoegd om van de overige vorderingen in de hoofdzaak jegens [D] c.s. kennis te nemen;

6.3.

verklaart zich bevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak jegens [B] en [C] kennis te nemen;

6.4.

houdt de proceskostenbeslissing aan totdat in de hoofdzaak zal worden beslist;

In de hoofdzaak:

6.5.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 11 november 2015 voor conclusie van antwoord in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening en tot het verstrekken van afschrift van bescheiden en tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak aan de zijde van [C] , [B] en [D] c.s.;

6.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.G.J. de Heij en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Bacardi c.s. noemt in het petitum kennelijk abusievelijk gedaagden 19-20 in plaats van gedaagden 20-21.

2 Deze verordening is van toepassing nu de dagvaarding van Bacardi c.s. is uitgebracht vóór 10 januari 2015.

3 Zie in het bijzonder de dagvaarding onder randnummer 178.

4 Zie ook randnummer 71 van de dagvaarding.