Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11177

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
29-09-2015
Zaaknummer
C/09/494348 / KG ZA 15-1225
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang van eerdere door voorzieningenrechter opgelegde verboden en geboden wordt toegewezen voor een periode van maximaal vijf jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/494348 / KG ZA 15-1225

Vonnis in kort geding van 24 september 2015

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

The Royal Bank of Scotland N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

2. de vennootschap naar vreemd recht

The Royal Bank of Scotland plc,

statutair gevestigd in Edinburg, Schotland, en tevens kantoorhoudende via haar Nederlandse branche te Amsterdam,

eiseressen,

advocaat mr. R. van der Zaal te Amsterdam,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde.

Eiseressen worden hierna afzonderlijk aangeduid als ‘RBS N.V.’ respectievelijk ‘RBS plc’ en gezamenlijk als ‘RBS’. Gedaagde wordt hierna aangeduid als ‘ [gedaagde] ’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 augustus 2015 met producties;

- de door RBS overgelegde aanvullende producties;

- de op 17 september 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door RBS pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

RBS N.V. en RBS plc zijn onderdeel van de wereldwijd opererende bank The Royal Bank of Scotland. Op 9 september 2012 zijn vanwege een herstructurering een groot deel van de activiteiten van RBS N.V. overgegaan naar RBS plc.

2.2.

Bij vonnis in kort geding op tegenspraak gewezen op 26 september 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in een procedure tussen RBS N.V. en [gedaagde] als volgt beslist, voor zover nu relevant [nummering toegevoegd door voorzieningenrechter]:

“[1] verbiedt [gedaagde] na betekening van dit vonnis op welke manier dan ook en via welk telefoonnummer of welk e-mailadres dan ook, contact op te nemen met (medewerkers van) RBS;

[2] verbiedt [gedaagde] e-mailadressen te registreren en te gebruiken waarin namen van afdelingen van RBS, medewerkers van RBS of de namen ‘RBS’, The Royal Bank of Scotland en/of variaties daarop voorkomen, dan wel op enige andere wijze de identiteit van (afdelingen van) RBS of medewerkers van RBS te gebruiken, al dan niet voor het opstellen van correspondentie die ten onrechte suggereert dat deze van RBS afkomstig is;

[3] gebiedt [gedaagde] iedere verspreiding, openbaarmaking en/of het (in de media) doen van uitlatingen waarin hij RBS van fraude beschuldigt, alsmede soortgelijke uitingen, te staken en gestaakt te houden en van het internet, waaronder begrepen van de ‘#JesterStrause’ en ‘#BankFraudette’ Twitter-accounts, te verwijderen en verwijderd te houden;

[4] gebiedt [gedaagde] iedere verspreiding, openbaarmaking en/of het (in de media) doen van uitlatingen waarin hij persoonsgegevens van RBS-medewerkers publiceert te staken en gestaakt te houden;

[5] gebiedt [gedaagde] alle media, waarin publicaties of reacties zijn verschenen waarin RBS door [gedaagde] , al dan niet onder een alias, wordt beschuldigd van fraude en waarin door [gedaagde] persoonsgegevens van RBS-medewerkers worden gepubliceerd, op deugdelijke wijze te verzoeken, onder toezending van een kopie van dit vonnis, met een gelijktijdig afschrift aan de raadsman van RBS, deze uitingen te verwijderen en verwijderd te houden met uitsluitend het volgende verzoek:

“Omdat de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage bij vonnis van 26 september 2012 heeft geoordeeld dat de hierna te noemen bericht(en) of artikel(en) onrechtmatig is/zijn jegens The Royal Bank of Scotland N.V., verzoek ik u deze te verwijderen en verwijderd te houden:”

[6] gebiedt [gedaagde] Google te verzoeken, op de wijze die Google hiertoe voorschrijft, de publicaties of reacties waarin RBS door [gedaagde] , al dan niet onder een alias, wordt beschuldigd van fraude en waarin door [gedaagde] persoonsgegevens van RBS-medewerkers worden gepubliceerd te verwijderen en verwijderd te houden uit de Google zoekresultaten en uit haar cache, opdat deze publicaties niet meer vindbaar zijn via Google;

[7] verbiedt [gedaagde] derden op te roepen om op enige wijze schade toe te brengen aan RBS, waaronder begrepen maar niet beperkt tot het oproepen van derden om websites van RBS te hacken en offline te halen;

- een en ander op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,-- voor iedere keer, dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] in strijd handelt met een van voornoemde verboden c.q. geboden met een maximum van € 50.000,--;

(…)”

In het navolgende zal naar de verboden en geboden telkens worden verwezen onder vermelding van het toegevoegde nummer.

2.3.

Het vonnis van 26 september 2012 is op dezelfde dag aan [gedaagde] betekend, met gelijktijdig bevel om binnen twee dagen aan de inhoud van het vonnis te voldoen.

2.4.

Op 29 mei 2013 heeft RBS N.V. door een deurwaarder aan [gedaagde] laten aanzeggen dat hij in gebreke is gebleven met de nakoming van het onder 2.3. weergegeven bevel en dat RBS N.V. de door [gedaagde] verbeurde dwangsommen van € 50.000,-- opeist. Betaling door [gedaagde] is uitgebleven.

2.5.

Op 31 mei 2013 heeft RBS N.V. executoriaal derdenbeslag laten leggen onder ING Bank N.V. en onder ABN AMRO Bank N.V. Deze beslagen hebben geen doel getroffen.

2.6.

Bij brief van 18 juli 2013 bericht de heer [gerechtsdeurwaarder] , gerechtsdeurwaarder, als volgt aan de advocaat van RBS:

“(…)

Een onderzoek naar de verhaalsmogelijkheden [voorzieningenrechter: op [gedaagde] ] heeft het volgende opgeleverd.

- Er is geen sprake van een periodiek inkomen

- Er zijn geen rechtsverhoudingen met bankinstellingen waarbij de heer [gedaagde] een vordering tegoed heeft van deze derden

- De heer [gedaagde] huurt een kamer op de bovenetage van een eengezinswoning welke aan een derde toebehoort, welke derde geen gemeenschappelijke huishouding voert met de heer [gedaagde]

- Er zijn geen roerende zaken of andere vermogensbestanddelen aangetroffen waarop de vordering kan worden verhaald

(…)”

2.7.

Bij vonnis in kort geding op tegenspraak gewezen op 12 september 2013 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in een procedure tussen RBS N.V. en RBS plc aan de ene kant en [gedaagde] aan de andere kant als volgt beslist, voor zover nu relevant:

“(…)

- legt de verboden en geboden zoals aan [gedaagde] opgelegd bij vonnis van 26 september 2012 (…) tevens op aan [gedaagde] ten behoeve van RBS plc;

- verklaart de verboden en geboden zoals aan [gedaagde] opgelegd bij vonnis van 26 september 2012 en in dit vonnis tevens opgelegd aan [gedaagde] ten behoeve van RBS plc gedurende een periode van één jaar uitvoerbaar bij lijfsdwang, een en ander voor zover [gedaagde] in strijd handelt met deze veroordelingen, telkens voor perioden van twee weken, met een maximumduur van 4 maanden, met dien verstande dat ten aanzien van het gebod onder 3, voor zover dat strekt tot het verwijderen van de aldaar genoemde uitlatingen van internet, dit deel van het gebod uitsluitend uitvoerbaar bij lijfsdwang is voor zover het de Twitter-accounts ‘#JesterStrause’ en ‘#BankFraudette’ betreft;

(…)”

2.8.

Gedurende de in het vonnis van 12 september 2013 genoemde termijn van een jaar heeft [gedaagde] zich in ieder gehouden aan het verbod onder 1; RBS ontving in die periode geen e-mails van [gedaagde] .

3 Het geschil

3.1.

RBS vordert, zakelijk weergegeven:

  1. de verboden en geboden zoals aan [gedaagde] opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 26 september 2012 onmiddellijk voor onbepaalde tijd, althans voor een periode van vijf jaren na dit vonnis, althans voor een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, een en ander voor zover [gedaagde] in strijd handelt met een of meerdere van deze verboden en geboden, telkens voor perioden van twee weken met een maximumduur van vier maanden, althans voor een door de voorzieningenrechter te bepalen periode of maximumduur;

  2. de verboden en geboden zoals aan [gedaagde] opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van 26 september 2012 en zoals hiervoor genoemd onder nummer 1 tot en met 4 eveneens van toepassing te verklaren met betrekking tot voormalige en huidige medewerkers van RBS en/of raadslieden van RBS en/of kantoorgenoten van naar de voorzieningenrechter begrijpt raadslieden van RBS, op de wijze als in paragraaf 3.18 van de dagvaarding is uitgewerkt;

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder de nakosten.

3.2.

Daartoe voert RBS – samengevat – het volgende aan. Na het verstrijken van de in het vonnis van 12 september 2013 genoemde termijn van een jaar waarin de geboden en verboden uitvoerbaar bij lijfsdwang waren, handelt [gedaagde] opnieuw in strijd met de bij vonnis van 26 september 2012 opgelegde verboden en geboden door onder meer e-mails te verzenden aan RBS en derden en door uitingen over RBS te plaatsen op internet, waarbij [gedaagde] RBS beschuldigt van fraude. Ook gebruikt [gedaagde] hierbij opnieuw de identiteit van (medewerkers van) RBS. Daarnaast stuurt [gedaagde] nu ook e-mails over RBS aan ((voormalige) kantoorgenoten van) de raadslieden van RBS en gebruikt hij foto’s van ((voormalige) kantoorgenoten van) de raadslieden van RBS in zijn uitingen op internet, kennelijk in de wetenschap dat deze berichten uiteindelijk ook bij RBS terecht komen. RBS heeft er dan ook belang bij dat de hiervoor genoemde geboden en verboden eveneens van toepassing worden verklaard met betrekking tot voormalige en huidige medewerkers van RBS en (kantoorgenoten van) de raadslieden van RBS. Door voornoemde gedragingen van [gedaagde] lijdt RBS schade.

Nu [gedaagde] zich niet vrijwillig houdt aan de hiervoor genoemde verboden en geboden en het uitwinnen van dwangsommen bij [gedaagde] niet effectief blijkt, staat RBS geen ander middel ter beschikking dan de gevorderde uitvoerbaarheid bij lijfsdwang. Dit middel is in het verleden ten aanzien van [gedaagde] ook effectief gebleken. Aangezien [gedaagde] de eerdere periode van uitvoerbaarheid van lijfsdwang heeft afgewacht en daarna zijn onrechtmatige gedragingen heeft hervat, vordert RBS thans primair om dit middel voor onbepaalde tijd op te leggen.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Voorop wordt gesteld dat rechterlijke uitspraken dienen te worden nagekomen. Niet kan worden geduld dat iemand een rechterlijk vonnis niet nakomt of aan de nakoming daarvan nadere voorwaarden stelt, zoals [gedaagde] doet. Mede om die reden is in het vonnis van 26 september 2012 een dwangsom opgelegd en zijn de aan [gedaagde] opgelegde geboden en verboden bij vonnis van 12 september 2013 gedurende een periode van één jaar uitvoerbaar bij lijfdwang verklaard. Thans vordert RBS opnieuw om de geboden en verboden uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren. Het executiemiddel lijfsdwang strekt ertoe druk uit te oefenen op – in dit geval – [gedaagde] om de opgelegde geboden en verboden na te komen. Het is echter een zeer ingrijpend middel, omdat [gedaagde] daarmee zijn persoonlijke vrijheid wordt ontnomen. Toepassing daarvan komt slechts aan de orde indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden, tenzij [gedaagde] aannemelijk maakt dat hij niet in staat is de opgelegde verboden en geboden na te komen. Daarnaast moet het belang van RBS toepassing van lijfsdwang rechtvaardigen.

4.2.

RBS heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde] na het verlopen van de in het vonnis van 12 september 2013 genoemde termijn van een jaar voor de uitvoerbaarheid van lijfsdwang opnieuw e-mailberichten heeft verzonden aan (medewerkers van) RBS, aan de advocaat van RBS en aan kantoren van de Securities and Exchange Commission (hierna: SEC) in Amerika, waarbij hij ook de identiteit van (voormalige) medewerkers van RBS gebruikte. Hiermee is sprake van overtreding van het verbod onder 1, 2 en – voor zover de e-mailberichten zijn verzonden aan anderen dan (medewerkers van) RBS – het gebod onder 3. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken dat tweets over RBS op de Twitter-accounts van [gedaagde] niet zijn verwijderd, althans niet verwijderd zijn gehouden en dat [gedaagde] ook na het verlopen van de hiervoor genoemde termijn van een jaar nog twittert over RBS, waarbij hij RBS beschuldigt van fraude, hetgeen ook een overtreding van het gebod onder 3 betreft. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat de naam van het eerder door [gedaagde] gebruikte Twitter-account #JesterStrause is gewijzigd in ‘Expose Fraud RBS 24H’. Daarnaast gebruikt [gedaagde] thans ook het twitter-account @RBSFraud_Beyond, op welk account [gedaagde] verwijst naar de webpagina ‘RBS € 37Billion or $660Billion Daily’. Op de twitteraccounts gebruikt [gedaagde] als coverfoto afbeeldingen van de voormalige en huidige CEO van RBS. Als profielfoto’s worden afbeeldingen van de huidige CEO van RBS gebruikt, alsmede afbeeldingen van bestuursleden van RBS en van de (voormalige) raadslieden van RBS. Voorts heeft [gedaagde] onder de naam [X] een LinkedIn-account, waarin hij zich omschrijft als ‘Whistleblower & Future Consultant for FCC and SEC: Investigating Fraud @ RBS Worldwide, Comfort Card and Banco Santander’, terwijl [gedaagde] ook op de facebookpagina van de SEC over fraude bij RBS heeft bericht. Ook dit betreft overtredingen van gebod 3 door [gedaagde] .

4.3.

[gedaagde] verweert zich door te stellen dat hij niet in staat is om overtreding van het gebod onder 3 te staken, aangezien de berichten op de door hem ingestelde Twitter-accounts automatisch worden geplaatst in verband met een door hem aan die accounts gekoppelde generator. De voorzieningenrechter passeert dit verweer. [gedaagde] heeft ter zitting immers erkend dat hij het plaatsen van de berichten zou kunnen stoppen bijvoorbeeld wanneer hij een overeenkomst met RBS zou sluiten, zodat niet aan de orde is dat [gedaagde] op dit punt in de onmogelijkheid verkeert de veroordeling na te komen. Dit blijkt overigens ook uit het door [gedaagde] onder zijn alias [X] bij e-mailbericht van 5 maart 2015 aan de advocaat van RBS verzonden transcript van een gesprek tussen [X] en [Y] (CEO van RBS) – RBS betwist overigens dat dit gesprek heeft plaatsgevonden – waarin onder de naam [X] onder meer het volgende is opgenomen:

‘(…) Let also know hou high the amount is to ensure my lawyer and attorney with my contact to drop alle investigation, the employees of RBSMarketsNL wants to remove the data, however Google, Twitter and Flickr.com refuse to do so, I have the only key to remove. My lawyer and attorney of my investigative contact tell me not to remove untill all downpayments are done for my own protection and insurance and within my limits. Confirm this and we have an agreement.’

4.4.

[gedaagde] stelt voorts dat hij de berichtgeving niet kan stoppen en de eerdere berichten niet van internet kan verwijderen, omdat hij met deze berichtgeving een groter belang dient. Volgens [gedaagde] loopt er in Amerika een procedure tegen RBS en is hem in verband daarmee gevraagd om de berichtgeving niet te staken althans de berichten niet te verwijderen. [gedaagde] beroept zich in dit verband op het recht op vrije meningsuiting.

[gedaagde] heeft zijn stelling dat er een procedure in Amerika loopt na betwisting van RBS hiervan niet onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter ook dit verweer passeert. De vraag of de verboden en geboden het recht op vrije meningsuiting van [gedaagde] ontoelaatbaar inperken, ligt in deze procedure niet voor. De opgelegde geboden en verboden zijn voor de voorzieningenrechter in principe een gegeven. Niet is gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die dit anders maken.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] opnieuw diverse onderdelen van de vonnissen van 26 september 2012 en 12 september 2013 niet is nagekomen. De voorzieningenrechter is hierbij met RBS van oordeel dat er nog steeds sprake is van onwil aan de zijde van [gedaagde] . [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is de opgelegde geboden en verboden na te komen. Dit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook uit de niet weersproken stelling van RBS dat gedurende de termijn van een jaar waarin de uitvoerbaarheid bij lijfsdwang van toepassing was geen nieuwe overtredingen van de geboden en verboden aan RBS bekend zijn geworden alsmede uit de verklaring van [gedaagde] ter zitting dat een en ander zou kunnen stoppen indien er een overeenkomst tussen hem en RBS tot stand komt. Hieruit blijkt ook dat nog steeds niet te verwachten valt dat [gedaagde] zijn gedragingen zonder extra prikkel van lijfsdwang zal staken. Niet is gebleken dat thans de oplegging van een dwangsom een voldoende prikkel zou zijn, aangezien niet is gebleken dat er inmiddels verhaalsmogelijkheden zouden zijn en [gedaagde] dus vooralsnog door executie van een dwangsom niet zou worden geraakt.

4.6.

De belangen van RBS om niet meer zeer veelvuldig te worden benaderd door [gedaagde] en om niet bloot te worden gesteld aan verdachtmakingen van fraude zijn – zoals reeds in het vonnis van 26 september 2012 uitvoering is gemotiveerd – nog steeds onmiskenbaar groot. Gezien dit grote belang en omdat het dwangmiddel van dwangsommen een onvoldoende prikkel is gebleken voor [gedaagde] om zich van deze gedragingen te onthouden, alsmede omdat het dwangmiddel van lijfsdwang eerder een voldoende prikkel is gebleken voor [gedaagde] om zich in ieder geval tijdelijk van deze gedragingen te onthouden is het opnieuw uitvoerbaar verklaren van de verboden en geboden bij lijfsdwang naar het oordeel van de voorzieningenrechter gerechtvaardigd. Hierbij zal, zoals ook door RBS is gevorderd de lijfsdwang worden toegestaan ten aanzien van alle in het vonnis van 26 september 2012 opgelegde geboden en verboden. Hiertoe is redengevend dat voor alle verboden en geboden voor [gedaagde] een prikkel moet blijven bestaan om deze na te komen. Voorkomen moet worden dat [gedaagde] , indien hij zich door de dreiging van lijfsdwang wel aan de hiervoor genoemde door [gedaagde] overtreden geboden en verboden gaat houden, alsnog de andere verboden en geboden gaat overtreden. Voor zover de veroordeling van [gedaagde] in het vonnis onder 3 ziet op het verwijderen en verwijderd houden van internet van uitingen waarin hij RBS van fraude beschuldigt, alsmede soortgelijke uitingen, zal de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang worden beperkt tot het verwijderen en verwijderd houden van de ‘#JesterStrause’, ‘#Bankfraudette’, ‘Expose Fraud RBS 24H’, @RBSFraud_Beyond Twitter-accounts en de webpagina ‘RBS € 37Billion or $660Billion Daily’ alsmede het verwijderen van informatie over RBS op het LinkedIn-account op de naam [X] en de facebookpagina van [gedaagde] . Voor het overige is onvoldoende komen vast te staan dat [gedaagde] zelf de mogelijkheden heeft om te bewerkstelligen dat de informatie van internet wordt verwijderd, zodat lijfsdwang daarvoor te verstrekkend is. Dit laat overigens onverlet dat [gedaagde] wel gehouden is, conform gebod 5 en 6, op de juiste wijze verzoeken te doen strekkende tot verwijdering van daar nader omschreven publicaties of reacties van [gedaagde] .

4.7.

Gezien de ingrijpendheid van het dwangmiddel zal de voorzieningenrechter de verboden en geboden niet voor onbepaalde tijd uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaren. Nu echter vast staat dat [gedaagde] na het verstrijken van de termijn van een jaar van de eerdere uitvoerbaarheid van de geboden en verboden bij lijfsdwang de overtreding van de geboden en verboden heeft hervat, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de verboden en geboden thans voor de periode van maximaal vijf jaar uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren.

4.8.

De voorzieningenrechter ziet tot slot aanleiding om de verboden en geboden onder 1 tot en met 4 eveneens op te leggen aan [gedaagde] ten behoeve van de voormalige en huidige medewerkers van RBC en/of (kantoorgenoten van) de raadslieden van RBS. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is voldoende komen vast te staan dat [gedaagde] ook deze groep personen betrekt in zijn schade toebrengende uitingen ten aanzien van RBS, kennelijk met onder meer de bedoeling om deze berichten op die manier ook bij RBS te doen terechtkomen. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat RBS niet heeft gevorderd deze geboden en verboden ook uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren. Hetzelfde geldt overigens ook ten aanzien van de in het vonnis 12 september 2013 aan [gedaagde] opgelegde verboden en geboden ten behoeve van RBS plc.

4.9.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

legt de verboden en geboden zoals aan [gedaagde] opgelegd bij vonnis van 26 september 2012 (met nummer 425865 / KG ZA 12-911) en zoals hierboven in overweging 2.2. genoemd onder nummer 1 tot en met 4 tevens op aan [gedaagde] ten behoeve van voormalige en huidige medewerkers van RBS en/of raadslieden van RBS en/of kantoorgenoten van de raadslieden RBS;

5.2.

verklaart de verboden en geboden zoals aan [gedaagde] opgelegd bij vonnis van 26 september 2012 gedurende een periode van vijf jaar uitvoerbaar bij lijfsdwang, een en ander voor zover [gedaagde] handelt in strijd met deze veroordeling, telkens voor perioden van twee weken, met een maximumduur van vier maanden, met dien verstande dat ten aanzien van het gebod onder 3, voor zover dat strekt tot het verwijderen van de aldaar genoemde uitlatingen van internet, dit deel van het gebod uitsluitend uitvoerbaar bij lijfsdwang is voor zover het de Twitter-accounts ‘#JesterStrause’, ‘#BankFraudette’, ‘Expose Fraud RBS 24H’ en ‘@RBSFraud_Beyond’ betreft, alsmede de webpagina ‘RBS € 37Billion or $660Billion Daily’, het LinkedIn-account op de naam [X] en de facebookpagina van [gedaagde] ;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van RBS begroot op € 1.525,16, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 613,-- aan griffierecht en € 96,16 aan dagvaardingskosten;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2015.

SG