Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11175

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
C/09/492870 / HA ZA 15-840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen advocaatstelling eiser na verwijzing door de kantonrechter naar de civiele rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel (civiele bodemzaken)

Vonnis van 23 september 2015

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/492870 / HA ZA 15-0840 van:

[eiser] ,

eiser wonende te [woonplaats] ,

toevoeging nr. [nummer] ,

kantongemachtigde: mr. Ö. Arslan te Den Haag,

civiele advocaat: na verwijzing door de kantonrechter géén advocaat gesteld,

tegen

de stichting STICHTING SCHADEREGELINGSKANTOOR VOOR RECHTSBIJSTANDVERZEKERING,

gedaagde gevestigd te Zoetermeer,

kantongemachtigde: mr. M.C. Sinnecker te Den Haag,

civiele advocaat: mr. M.C. Sinnecker te Den Haag.

De rechtbank zal de procespartijen hierna [eiser] en SRK noemen.

De rechtsoverwegingen

1. De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de hierna volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop volgt:

  • -

    de dagvaarding van 6 februari 2015 tegen de eerste rolzitting van de kantonrechter te Den Haag van 17 februari 2015, met de producties 1 t/m 5 van [eiser] ;

  • -

    de conclusie van antwoord van 28 april 2015, met de producties 1 t/m 16 van SRK;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 28 mei 2015 bij de kantonrechter;

  • -

    het verwijzingsvonnis van de kantonrechter van 23 juni 2015, waarbij hij op grond van de wetsartikelen 71 en 93 Rv de procedure in de stand waarin die zich bevond heeft verwezen naar de eerste rolzitting van 29 juli 2015 van het team handel;

  • -

    het ter derde rolzitting van 26 augustus 2015 gedane verzoek van mr. Sinnecker tot ontslag van instantie, met als bijlage een opgave van de werkelijk gemaakte advocatenkosten door SRK.

2. Ter rolzitting van 26 augustus 2015 heeft de rechtbank vonnis bepaald op vandaag.

3. [eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd dat het (de kantonrechter van) de rechtbank moge behagen bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te verklaren voor recht dat SRK toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele plichten jegens [eiser] , althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem;

  • -

    SRK te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] geleden en te lijden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  • -

    SRK te veroordelen tot het betalen van de immateriële schade van € 2.500,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag op grond van art. 6:97 BW;

  • -

    SRK te veroordelen tot het (terug)betalen van de door [eiser] in de afgelopen jaren betaalde premiegelden, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

  • -

    SRK te veroordelen tot het voldoen van de kosten die [eiser] heeft gemaakt voor de verzetprocedure van € 141,- voor eigen bijdrage advocaat;

  • -

    SRK te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten en in de proceskosten.

4. Deze vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op zijn kernstellingen dat SRK als zijn rechtsbijstandverzekeraar een beroepsfout heeft gemaakt in een procedure van [eiser] tegen het UWV bij de Centrale Raad van Beroep in 2013 en dat SRK hem de daardoor veroorzaakte en nu gevorderde schadeposten moet vergoeden, met verwijzing naar een schadestaatprocedure voor het overige, aldus [eiser] bij dagvaarding.

5. SRK heeft tegen die vorderingen en de onderbouwing daarvan gemotiveerde verweren gevoerd bij conclusie van antwoord. Naar de kern genomen komt dat verweer erop neer dat SRK ook buiten rechte al heeft erkend dat zij een beroepsfout heeft gemaakt door niet tijdig de gronden van het hoger beroep aan te voeren waardoor [eiser] daarin niet-ontvankelijk is verklaard, maar in correspondentie buiten rechte ook al gemotiveerd heeft betwist dat door die beroepsfout civielrechtelijke schade is veroorzaakt voor [eiser] . Dit omdat de door haar verzekerde [eiser] gewenste hoger beroep procedure tegen het UWV bij de Centrale Raad van Beroep over zijn arbeids(on)geschiktheid in 2011 geen reële kans van slagen had, waarop SRK [eiser] vooraf ook heeft gewezen. Ook in de dagvaarding heeft [eiser] volgens SRK niet gesteld of aannemelijk gemaakt welke aan de beroepsfout toerekenbare schade hij zou hebben geleden. De nu gevorderde schadeposten moeten worden afgewezen en voor verwijzing naar een schadestaatprocedure is geen plaats, aldus SRK bij conclusie van antwoord.

6. In zijn verwijzingsvonnis van 23 juni 2015 heeft de kantonrechter de procedure verwezen naar de eerste rolzitting van 29 juli 2015 van het team handel (civiele bodemzaken) van de rechtbank. Op die eerste civiele rolzitting heeft mr. Sinnecker (tot dan kantongemachtigde) zich advocaat gesteld voor SRK, maar heeft mr. Arslan (tot dan kantongemachtigde) zich niet tot advocaat gesteld voor [eiser] . Ook op de tweede rolzitting van 12 augustus 2015 en op de derde rolzitting van 26 augustus 2015 heeft zich geen civiele advocaat voor [eiser] gesteld. Op die derde civiele rolzitting heeft mr. Sinnecker namens SRK ontslag van instantie verzocht op grond van art. 123 Rv, met herhaald verzoek tot veroordeling van [eiser] in de werkelijke door SRK gemaakte proceskosten wegens misbruik van procesrecht.

7. Art. 123 Rv is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet van toepassing. Dat wetsartikel ziet op de in de praktijk uitzonderlijke situatie dat eiser in een advocaatzaak bij dagvaarding verzuimt advocaat te stellen en dat formele verzuim niet ter eerste of tweede rolzitting heeft hersteld. Indien echter een al lopende kantonprocedure door de kantonrechter wordt verwezen naar de civiele rechter op grond van art. 71 Rv, wijst de kantonrechter partijen erop dat zij alsnog bij advocaat moeten verschijnen op grond van art. 79 Rv, de verplichte procesvertegenwoordiging in advocaatzaken. Beide partijen zullen dan alsnog verplicht advocaat moeten stellen. Uit de wetsgeschiedenis van art. 71 Rv volgt voorts dat op grond van de omstandigheid dat vóór de verwijzing verrichte proceshandelingen na verwijzing geldig blijven, een eenmaal in het geding verschenen partij ook na verwijzing moet worden aangemerkt als een in het geding verschenen partij, ondanks het in de praktijk uitzonderlijke verzuim om – zoals in dit geval namens [eiser] – na verwijzing door de kantonrechter advocaat te stellen bij de civiele rechter.

8. Onder het motto “eens verschenen blijft verschenen” moet de civiele rechter de procedure op tegenspraak dan in zo’n zeldzaam geval als zich nu bij [eiser] voordoet naar de kennelijke bedoeling van de wetgever bij art. 71 Rv dus verder behandelen op tegenspraak in de stand waarin de procedure zich bij de kantonrechter bevond, maar kan hij geen ontslag van instantie verlenen op grond van art. 123 Rv. Daarbij geldt op grond van art. 79 Rv echter wel onverminderd dat [eiser] bij de civiele rechter zonder advocaatstelling geen geldige verdere proceshandelingen meer kan verrichten.

9. Voor deze procedure betekent dat naar het oordeel van de rechtbank het volgende. SRK heeft de door [eiser] bij dagvaarding ingestelde vorderingen bij conclusie van antwoord gemotiveerd weersproken en weerlegd. Omdat [eiser] na de verwijzing door de kantonrechter naar de civiele rechter om onbekende redenen geen advocaat heeft gesteld hoewel hij daartoe meerdere keren de gelegenheid heeft gehad, heeft [eiser] de kans laten lopen om bij de civiele rechter de gemotiveerde verweren van SRK ter comparitie van partijen of bij conclusie van repliek te weerspreken en te weerleggen.

10. De rechtbank zal daarom de gemotiveerde stellingen en verweren uit de conclusie van antwoord van SRK voor juist houden en de vorderingen van [eiser] dus afwijzen. Dat geldt ook voor de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht over de door SRK erkende beroepsfout. Bij die enkele verklaring voor recht heeft [eiser] - bij gebreke van enige gestelde of aannemelijke aan die beroepsfout toerekenbare relevante civielrechtelijke schadepost - immers onvoldoende belang.

11. Datzelfde geldt voor het door [eiser] door zijn proceshouding aldus onweersproken gelaten gemotiveerde verzoek van SRK bij conclusie van antwoord om de in het ongelijk te stellen [eiser] wegens misbruik van procesrecht in alle werkelijke door SRK gemaakte proceskosten te veroordelen. De rechtbank begroot die werkelijke kosten van SRK op € 1.909,00 voor betaald civiel griffierecht plus € 6.620,16 voor de ter rolzitting van 26 augustus 2015 met drie gespecificeerde declaraties onderbouwde werkelijke advocatenkosten van SRK, dat is in totaal dus € 8.529,16, zoals bij antwoord verzocht met uitvoerbaarverklaring van die proceskostenveroordeling bij voorraad.

12. Voor de goede orde merkt de rechtbank tenslotte nog op dat zich in deze procedure niet het eveneens uitzonderlijke geval voordoet van het na verwijzing door de kantonrechter bij de civiele rechter door eiser niet betalen van het verhoogde griffierecht. Zie daartoe het vonnis van deze rechtbank van 23 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8914. In dit geval procedeert eiser [eiser] immers op toevoeging en bedraagt het griffierecht bij de kantonrechter én bij de civiele rechter hetzelfde bedrag, in dit geval € 78,-. [eiser] heeft dit bedrag al betaald bij de kantonrechter van de rechtbank en er is dus geen sprake van een bij de civiele rechter van de rechtbank door [eiser] nog bij te betalen verhoogd griffierecht. In zoverre berust de standaard beslissing van de kantonrechter in zijn verwijzingsvonnis over het door eiser nog bij de civiele rechter te betalen verhoogde griffierecht dus op een kennelijke vergissing.

De beslissingen

De rechtbank:

- wijst de vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] tot betaling aan SRK van € 8.529,16 voor de werkelijke proceskosten van SRK tot dusver;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2015.1

1 type: 0417coll: 1820