Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11141

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
15/2969
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel, artikel 64, eerdere besluit gedeeltelijk vernietigd, geloofwaardigheid, nieuwe feiten omstandigheden, omvang geschil

In de onherroepelijke uitspraak van 13 januari 2014 is het destijds bestreden besluit van 12 september 2013 gedeeltelijk heeft vernietigd, namelijk voor zover daarin is bepaald dat artikel 64 van de Vw 2000 niet op eiser van toepassing is. Voorts is bepaald dat verweerder ten aanzien van de vraag of de medische situatie van eiser aanleiding geeft tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en ten aanzien van de vraag of artikel 64 van de Vw 2000 op eiser van toepassing is, opnieuw op de aanvraag dient te beslissen.

De rechtbank stelt voorts vast dat het in stand gelaten gedeelte van het destijds bestreden besluit, waaronder de geloofwaardigheid van eisers relaas, niet is aangevochten door het instellen van hoger beroep. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012) leidt de rechtbank af dat de geloofwaardigheid van eisers relaas enkel opnieuw beoordeeld kan worden als sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Voor zover eiser, onder verwijzing naar het ten aanzien van hem opgemaakte rapport van het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (IMMO) van 13 april 2015, het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats met betrekking tot de geloofwaardigheid van zijn relaas betwist, ziet de rechtbank zich dan ook gesteld voor de vraag of dit rapport een nieuw gebleken feit of omstandigheid betreft. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank zal gelet daarop de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas niet opnieuw beoordelen. Het geschil ziet enkel op de vraag of de medische situatie van eiser aanleiding geeft tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en op de toepasselijkheid van artikel 64 van de Vw 2000 op eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2969

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser][eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Guinese nationaliteit,

V-nummer [nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. I.M. Hidding),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: M.J. Hofstra).

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2013 heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast is aan eiser niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Voorts is ambtshalve besloten dat artikel 64 van de Vw 2000 niet op eiser van toepassing is.

Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 januari 2014, Awb 13/26039, is het beroep hiertegen gegrond verklaard.

Bij besluit van 20 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Aan eiser is geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Uit artikel II, eerste lid, van de Wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) zoals gepubliceerd in Staatsblad (Stb) 2015, nr. 292, blijkt dat op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, waarop is besloten vóór inwerkingtreding van deze wet en intrekkingen vóór inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing is, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000, tenzij het onderzoek door de rechtbank gesloten is.

Op grond van het bepaalde in artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000 omvat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

Nu de gewijzigde Vw 2000 op 20 juli 2015 in werking is getreden (Stb 2015, 293), dient de toetsing van de rechtbank het in artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000 bedoelde volledige en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden te omvatten.

2. De rechtbank stelt vast dat deze rechtbank en zittingsplaats in de onherroepelijke uitspraak van 13 januari 2014 het destijds bestreden besluit van 12 september 2013 gedeeltelijk heeft vernietigd, namelijk voor zover daarin is bepaald dat artikel 64 van de Vw 2000 niet op eiser van toepassing is. Voorts is bepaald dat verweerder ten aanzien van de vraag of de medische situatie van eiser aanleiding geeft tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en ten aanzien van de vraag of artikel 64 van de Vw 2000 op eiser van toepassing is, opnieuw op de aanvraag dient te beslissen.

3. De rechtbank stelt voorts vast dat het in stand gelaten gedeelte van het destijds bestreden besluit, waaronder de geloofwaardigheid van eisers relaas, niet is aangevochten door het instellen van hoger beroep. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012) leidt de rechtbank af dat de geloofwaardigheid van eisers relaas enkel opnieuw beoordeeld kan worden als sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden. Voor zover eiser, onder verwijzing naar het ten aanzien van hem opgemaakte rapport van het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (IMMO) van 13 april 2015, het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats met betrekking tot de geloofwaardigheid van zijn relaas betwist, ziet de rechtbank zich dan ook gesteld voor de vraag of dit rapport een nieuw gebleken feit of omstandigheid betreft. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende. Het IMMO rapport is op verzoek van eiser opgesteld met als doel het verschaffen van een deskundigenoordeel over de vraag of zijn psychische klachten en littekens en/of fysieke klachten zijn voortgekomen uit het gestelde relaas dat ten grondslag ligt aan het asielverzoek en de vraag of psychische problemen bestaan die nu en ten tijde van de eerdere asielgehoren interfereren met het vermogen om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren in het kader van de asielaanvraag. Het eerdere voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag van eiser dateert van 12 juli 2013 en het eerdere afwijzende besluit van 12 september 2013.

De eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats dateert van 13 januari 2014. Eerst in de zienswijze van 5 september 2014, naar aanleiding van het voornemen van 8 augustus 2014 heeft eiser aangevoerd dat hij contact heeft opgenomen met het IMMO en dat hij aan het IMMO de vraag zal voorleggen of destijds terecht is geoordeeld dat hij coherent, consistent en volledig kon verklaren gelet op zijn psychische problematiek. Het IMMO rapport dateert van 13 april 2015. Eiser heeft geen in rechte te honoreren verklaring gegeven waarom hij het IMMO rapport dan wel een soortgelijk rapport niet al heeft overgelegd in de bestuurlijke fase dan wel beroepsfase van de eerdere procedure, zodat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een nieuw gebleken feit of omstandigheid. De rechtbank zal gelet daarop de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas niet opnieuw beoordelen. Het geschil ziet enkel op de vraag of de medische situatie van eiser aanleiding geeft tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en op de toepasselijkheid van artikel 64 van de Vw 2000 op eiser.

4. Met inachtneming van het voorgaande en blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is tussen partijen in geschil of verweerder de brief van de behandelaars van eiser van 25 september 2014 voldoende bij de beoordeling heeft betrokken en of deze brief had moeten leiden tot het stellen van nadere vragen aan Bureau Medische Advisering (BMA). Voorts heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te motiveren waarom punt 4a van het BMA-rapport inzake artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarbij onder meer staat dat bij het uitblijven van behandeling of een gedwongen terugkeer (heropflakkering van) suïcidale uitingen kan worden verwacht, niet leidt tot toepasselijkheid van artikel 3 van het EVRM. Ten slotte heeft eiser de aanwezigheid en toegankelijkheid van de behandelingsmogelijkheden in Guinee betwist.

5. Op grond van artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Volgens het ter zake geldende beleid, neergelegd in paragraaf A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000, blijft uitzetting op grond van artikel 64 van de Vw 2000 achterwege als het BMA aangeeft dat sprake is van een van de volgende situaties:

1. vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van één van zijn gezinsleden is deze medisch gezien niet in staat om te reizen;

2.

a. de stopzetting van de medische behandeling doet een medische noodsituatie ontstaan; en

b. de medische behandeling van de medische klachten kan niet plaatsvinden in het land van herkomst of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken.

Onder een medische noodsituatie verstaat verweerder: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

6. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar een tweetal adviezen van het BMA van

6 augustus 2014 op het standpunt gesteld dat eisers medische situatie geen aanleiding geeft tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en dat artikel 64 van de Vw 2000 niet op eiser van toepassing is.

7. Uit het BMA advies uitgebracht in het kader van de toepasselijkheid van artikel 64 van de Vw 2000 blijkt volgens verweerder dat niet verwacht wordt dat het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn en dat hij in staat is om te reizen. Het BMA heeft geen aanwijzingen dat enige medische voorziening noodzakelijk is. Uit het BMA advies uitgebracht in het kader van artikel 3 van het EVRM blijkt volgens verweerder dat evenmin sprake is van een terminaal ziektebeeld, noch van een levensbedreigend stadium van een ziekte of van een ongeneeslijke ziekte. Blijkens dit advies is behandeling in Guinee aanwezig.

8. Eiser heeft met betrekking tot de reactie van zijn behandelaars op de adviezen van het BMA bij brief van 25 september 2014 betoogd dat deze ten onrechte onvoldoende bij de beoordeling is betrokken dan wel had moeten leiden tot het stellen van nadere vragen aan het BMA. Daartoe heeft hij betoogd dat de conclusie in beide BMA adviezen dat de therapie eventueel ook door “spv, maatschappelijk werk gegeven kan worden, dit behoeft niet perse medisch-psychiatrisch te zijn”, gemotiveerd is weersproken door zijn behandelaars. De behandelaars zijn voorts van mening dat het stoppen van de medicatie het psychiatrisch beeld sterk zal doen verslechteren. Onder andere de psychotische symptomen zullen dan toenemen. De gevolgen van het staken van behandeling zullen naar hun mening ernstiger zijn dan door het BMA wordt gesuggereerd, aldus eiser. Eiser acht de opmerking in het bestreden besluit dat door het BMA niet zou zijn gesproken over het eventueel staken van de behandeling onbegrijpelijk. Bovendien zijn de behandelaars van mening dat het BMA ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat enige medische voorziening noodzakelijk is. Ten slotte heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te motiveren waarom punt 4a van het BMA rapport inzake artikel 3 van het EVRM (heropflakkering van suïcidale uitingen bij uitblijven behandeling of gedwongen terugkeer) niet leidt tot toepasselijkheid van artikel 3 van het EVRM. Eiser en zijn behandelend artsen hebben gemotiveerd gesteld dat hij zich mogelijk bevindt in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een psychiatrische aandoening, althans uit het BMA rapport blijkt niet eenduidig dat dit niet het geval zou zijn.

9. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 16 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:826) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Voorts strekt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0794), indien en voor zover verweerder BMA-adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of verweerder zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan heeft vergewist dat die adviezen - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn.

10. Ten aanzien van hetgeen in het BMA-advies in het kader van artikel 64 van de Vw 2000 onder punt 3 is gesteld, namelijk dat bij een verergering van stress, zoals te verwachten valt bij uitblijven van behandeling of bij een gedwongen terugkeer, men evenwel (heropflakkering van) suïcidale uitingen kan verwachten, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens het BMA wordt niet verwacht dat het uitblijven van de behandeling als genoemd onder 2 zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Daartoe is verwezen naar de tekst hierover van psychiater C.J.F. Kemperman, die op verzoek van het BMA nader specialistisch onderzoek heeft verricht:

“Bij eventueel uitblijven van medische behandeling kan men verwachten dat stress en spanning toenemen. Ook zullen dan vermoedelijk enige medicatie-ontwenning optreden en spanningen en lijdensdruk toenemen. Hijzelf meldt wat beter te slapen door de medicijnen, minder angstig te zijn en minder beelden van vader te zien. Dit zal derhalve vermoedelijk weer wat slechter worden na staking van de medicatie. Qua termijn kan men denken aan enkele dagen (medicatie-ontwenning) tot weken (behandelcontact om de twee weken). De ernst valt moeilijk te beoordelen. Dat dan op korte termijn sprake zal zijn van een levensbedreigende situatie of een crisissituatie met BOPZ-opname is niet extrapoleerbaar uit het verleden of uit het huidige beeld. Voor zover bekend is er in het verleden geen zelfmoordpoging, psychiatrische crisis of (gedwongen) psychiatrische opname aan de orde geweest. Suïcidaliteit is er op dit moment niet. Toekomstig suïcidegevaar is moeilijk te beoordelen. Risicofactoren zoals eerder tentamina en middelenmisbruik ontbreken. Ook bij velerlei risicofactoren is de kans dat een geslaagde suïcide goed voorspeld kan worden echter zeer gering. Bij een verergering van stress, zoals te verwachten valt bij uitblijven van behandeling of een gedwongen terugkeer, kan men evenwel (heropflakkering van) suïcidale uitingen verwachten.”

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het BMA op grond van deze tekst kunnen concluderen dat het uitblijven van behandeling naar verwachting niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn nu vermeld is dat er op dit moment geen suïcidaliteit is en dat risicofactoren voor toekomstig suïcidegevaar ontbreken. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4156).

11. Voorts leidt de rechtbank uit de brief van eisers behandelaars van 25 september 2014 af dat zij bij het beoordelen van de gezondheidstoestand van eiser van dezelfde medische feiten zijn uitgegaan als het BMA maar dat zij hieruit andere conclusies trekken dan het BMA voor zover het betreft het ontstaan van een medische noodsituatie en de noodzaak van reisvoorwaarden. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 6 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:66) betekent een verschil van inzicht tussen de behandelaars en het BMA over de uit de medische feiten te trekken conclusie over de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan (en naar het oordeel van de rechtbank tevens over de noodzaak van reisvoorwaarden) op zichzelf niet dat het BMA-advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft dan ook terecht het BMA-advies van 6 augustus 2014 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

12. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zijn standpunt dat geen medische noodsituatie zal ontstaan terecht op het BMA advies heeft gebaseerd. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht.

13. Voor zover eiser onder verwijzing naar het IMMO rapport heeft betoogd dat sprake is van medische aspecten die niet eerder naar voren zijn gekomen, nu hierin de diagnose ‘dissociatieve stoornis niet anderszins omschreven’ wordt gesteld, overweegt de rechtbank als volgt. In het IMMO rapport is aangegeven dat een aantal klachten en gedragingen in de gesprekken met eiser wijzen op een dissociatieve stoornis niet anderszins omschreven (DSNAO). Voorts is aangegeven dat het ontbreken van de diagnose dissociatieve stoornis in de aanwezige stukken te maken kan hebben met dat dit ziektebeeld moeilijk te herkennen is voor clinici die hier beperkte ervaring mee hebben. De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat ten tijde van het opstellen van het IMMO rapport sprake was van andere medische feiten dan waar het BMA vanuit is gegaan. Dat hier door het IMMO een nieuwe diagnose aan gekoppeld is, maakt dit niet anders. Voorts is gesteld noch gebleken uit het IMMO rapport dat eiser anders dan in het BMA advies van 6 augustus 2014 is vermeld, niet kan reizen of dat bij staken van de behandeling wel een medische noodsituatie zal ontstaan.

13. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gevolgd in zijn betoog dat hij wegens zijn medische situatie bij terugkeer naar Guinee een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt.

15. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM; D. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 2 mei 1997, nr. 30240/96; Bensaid tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 6 februari 2001, nr. 44599/98 en N. tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 27 mei 2008, nr. 26565/05; alle: www.echr.coe.int) kan uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling onder uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM.

Uit die rechtspraak, waarvan het EHRM in de paragrafen 32 tot en met 41 van het arrest N. tegen het Verenigd Koninkrijk een overzicht geeft, kan worden afgeleid dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen, indien een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die een dusdanig stadium heeft bereikt, of door uitzetting direct of nagenoeg direct zal bereiken, dat hij door de uitzetting, bij gebrek aan het bestaan van medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, komt te verkeren in een onmenselijke situatie van ondraaglijk lijden, die meteen of vrijwel meteen tot de dood leidt (zie de paragrafen 42 tot en met 45 van voormeld arrest). Nu verweerder terecht geen medische noodsituatie heeft aangenomen, heeft hij zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat zich geen uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM voordoen.

16. Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de behandelmogelijkheden in Guinee, overweegt de rechtbank als volgt. Nu verweerder ervan heeft mogen uitgaan dat geen sprake is van een medische noodsituatie noch van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM, zijn de behandelmogelijkheden in Guinee gelet op het voorliggende toetsingskader niet relevant. Eisers beroep faalt in zoverre.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Evenmin bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten van het rapport van IMMO.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Markwat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

echter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.