Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11130

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-08-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 180
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag erfbelasting. Erflaatster is op 9 december 2013 overleden. Tot de nalatenschap behoren o.a. 50% van de aandelen in een BV. Eiser is samen met zijn zus erfgenaam en heeft aan haar zijn aandelen in de BV om niet overgedragen bij een op 31 maart 2014 verleden akte van levering. De rechtbank is van oordeel dat bij het opleggen van de aanslag terecht 50% van de aandelen in de BV tot eisers belaste verkrijging is gerekend. Voorts is het verzoek om toepassing van de vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsregeling terecht afgewezen omdat eiser niet voldoet aan het voortzettingsvereiste. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0011
V-N Vandaag 2015/2753
V-N 2016/6.17.29
mr. D. van Beelen annotatie in NTFR 2016/846
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/180

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: P.J.Th.M. Steeghs RA en mr. C.G.P. Remmers),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een aanslag (aanslagnummer [aanslagnummer]) erfbelasting opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag verminderd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting een pleitnota en een nadere pleitnota ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. C.G.P. Remmers en [zus eiser]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] en [persoon B].

Overwegingen

Feiten

1. Op 9 december 2013 is [moeder eiser] (hierna: erflaatster), moeder van eiser, overleden. De echtgenoot van erflaatster is op [overlijdensdatum] 2002 overleden. Eiser en zijn zus [zus eiser] (hierna: de dochter) zijn de enige erfgenamen.

2. Tot de nalatenschap behoren, voor zover hier van belang:

a. de woning aan de [adres] te [woonplaats];

b. 70 aandelen in [X] B.V. (de BV) die per de datum van overlijden van erflaatster een waarde van € 101.036 vertegenwoordigden.

3. Tot de gedingstukken behoort een op 31 maart 2014 verleden akte Levering Aandelen in de besloten vennootschap [X] B.V., waaruit blijkt dat eiser zijn onverdeeld aandeel in de aandelen van de BV om niet heeft overgedragen aan de dochter.

4. Eiser en de dochter hebben op 30 april 2014 de aangifte erfbelasting ingediend. De aangegeven WOZ-waarde van de woning is € 293.000. In de aangifte verzoekt eiser om toepassing van de vrijstelling voor de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). Als aandeel in de ‘goingconcernwaarde’ van de aandelen is een bedrag van nihil aangegeven. Bij de rubriek ‘latente inkomstenbelasting over (gezamenlijk) aanmerkelijk belang’ is een bedrag van

€ 5.322 ingevuld.

5. Met dagtekening 26 augustus 2014 heeft verweerder aanslagen erfbelasting opgelegd aan eiser en de dochter. Het zuiver saldo nalatenschap wordt vastgesteld op € 350.467. Voor eiser bedraagt de belaste verkrijging € 155.698 (50% van € 350.467 = € 175.233 minus € 19.535 vrijstelling). Het bedrag van de aanslag is € 19.313 (exclusief € 70 aan belastingrente).

6. In het tegen de aanslag gerichte bezwaarschrift is onder meer aangegeven dat de WOZ-waarde van de woning na bezwaar door de gemeente is verlaagd van € 293.000 naar € 266.000. Voorts voert eiser in het bezwaarschrift aan dat verweerder bij de vaststelling van de verkrijging ten onrechte is voorbijgegaan aan de overdracht van de aandelen.

7. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 december 2014 op het bezwaarschrift beslist en wordt de belaste verkrijging voor eiser verminderd.

In de uitspraak op bezwaar staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Uitspraak op bezwaarschrift

Voor [eiser]

U heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslage erfbelasting, gedagtekend 26 augustus 2014, aanslagnummers [aanslagnummer]. De inspecteur heeft besloten gedeeltelijk aan uw bezwaar tegemoet te komen. De aanslag wordt hierbij deels verminderd. De nieuwe berekening zal ik als bijlage bij deze uitspraak voegen.

Voor [zus eiser]

U heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslage erfbelasting, gedagtekend 26 augustus 2014, aanslagnummers [aanslagnummer]. De inspecteur heeft besloten gedeeltelijk niet uw bezwaar tegemoet te komen. De aanslag zal niet worden verminderd. Een berekening zal ik als bijlage bij deze uitspraak voegen.

Overig

Dit is de uitspraak op het bezwaarschrift. Naast deze brief zal ook de verwerking in het geautomatiseerde verwerkingsproces nog een brief creëren. Ik kan deze brief niet tegenhouden. U kunt deze uitspraak op korte termijn verwachten. Meer betekenis als ‘extra service’ heeft die brief niet.

(. . .)

Toelichting op de uitspraak (berekeningen)

Voor [eiser]

Verlaging Woz waarde € 27.000

Aandeel in de nalatenschap 50% = € 23.500

Verlaging vastgesteld belastbaar bedrag: € 23.500

Voor [eiser] (bedoeld wordt: [zus eiser], rechtbank)

Verlaging Woz waarde € 27.000

Aandeel in de nalatenschap 50% = € 23.500

Verlaging vastgestelde verkrijging: € 23.500

Af: vermindering toegepaste vrijstelling: € 23.500 (interne compensatie)

Vermindering belastbaar bedrag: € 0”

8. Met dagtekening 17 maart 2015 is een via geautomatiseerde weg aangemaakte uitspraak op het bezwaarschrift aan eiser toegezonden. Als belaste verkrijging staat een bedrag van € 142.198 vermeld (naar de rechtbank begrijpt: € 155.698 minus € 23.500 plus € 10.000). In deze uitspraak staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Dit is de via geautomatiseerde weg aangemaakte uitspraak op het bezwaarschrift. Middels de brief van 2 december 2014 heeft u reeds de uitspraak op het bezwaarschrift mogen ontvangen.

Deze via geautomatiseerde weg aangemaakte uitspraak kunt u als niet ontvangen beschouwen. De reden dat naast de uitspraak van 2 december 2014 ook via geautomatiseerde weg een verwerking heeft plaatsgevonden is om de restitutie of verrekening van de vermindering op efficiënte wijze te laten verlopen.

Er staan tegen deze brief geen rechtsmiddelen open. Indien u beroep wenst in te stellen is dit mogelijk tegen de uitspraak zoals vervat in de brief van 2 december 2014.”

Geschil
9.In geschil is:

- of het beroep tijdig is ingediend;

- of eiser 0% dan wel 50% van de aandelen in de BV heeft verkregen krachtens erfrecht en of, indien eiser geacht wordt 50% van de aandelen te hebben verkregen, de bedrijfsopvolgingsregeling van toepassing is;

- of de verlaagde WOZ-waarde van de woning juist is verwerkt.

10. Eiser stelt het beroepschrift tijdig is ingediend en voert daartoe aan dat het op 8 januari 2015 gedateerde pro-forma beroepschrift in één enveloppe is verstuurd met het pro forma beroepschrift van de dochter dat tijdig is ontvangen bij de rechtbank.

Voorts stelt eiser dat de aanslag verminderd moet worden tot een berekend naar een belastbare verkrijging van € 81.680. Daartoe voert hij het volgende aan:

- Eiser heeft niet de economische eigendom van de aandelen van de BV gehad, doch alleen de juridische eigendom. Hij verwijst daartoe naar de akte Levering Aandelen. Hij had een dringende morele verplichting, hoewel rechtens niet afdwingbaar, om de aandelen in de BV om niet aan de dochter over te dragen. De belaste verkrijging is daarom te hoog vastgesteld.

- Verweerder is met betrekking tot de verlaagde WOZ-waarde gebonden aan hetgeen staat vermeld in de op 2 december 2014 gedagtekende uitspraak op bezwaar, waarin de belaste verkrijging van eiser in verband met die vermindering met € 23.500 is verlaagd. Eiser stelt dat de toegepaste verlaging van de belastbare verkrijging met € 13.500, zoals is vermeld in de geautomatiseerde uitspraak op bezwaar van 17 maart 2015, geen enkele formele betekenis heeft.

11. Verweerder neemt het standpunt in dat het beroep niet-ontvankelijk dan wel ongegrond moet worden verklaard en voert daartoe het volgende aan:

- Uit de ontvangen stukken blijkt niet dat eiser tijdig beroep heeft ingesteld en voorts is niet gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding.

- Eiser heeft 50% van de aandelen in de BV verkregen krachtens erfrecht omdat de erfbelasting een tijdstipbelasting is. Dit brengt mee dat de belasting wordt geheven naar het moment van het overlijden van erflaatster en dat voorbijgegaan kan worden aan de akte, omdat omstandigheden die zich nadien voordoen niet van belang zijn voor de belastingheffing.

- In de op 2 december 2014 gedagtekende uitspraak op bezwaar is een voor eiser kenbare typefout gemaakt bij de berekening van eisers aandeel in de nalatenschap naar aanleiding van de verlaging van de WOZ-waarde van de woning. Om die reden kan op grond van artikel 16, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) een bedrag van € 10.000 worden nagevorderd.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep

12. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is in het onderhavige geval, gelet op artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geëindigd op 13 januari 2015. Tot de gedingstukken behoort een op 8 januari 2015 gedagtekend beroepschrift.

Op het beroepschrift staat een stempel van de griffie van de rechtbank Den Haag, Belastingrecht, met als datum van binnenkomst 9 januari 2015. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroepschrift tijdig is ingediend en dus ontvankelijk is.

Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat blijkens het rechtbankdossier het op 9 januari 2015 ontvangen beroepschrift op 12 januari 2015 per e-mail is verzonden aan verweerder.

Verkrijging aandelen

13. Ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, onder 1, van de Successiewet 1956 (Sw) wordt krachtens de Sw de volgende belasting geheven: erfbelasting over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van het overlijden in Nederland woonde. De belasting wordt dus geheven naar het moment van overlijden. Dit brengt mee dat omstandigheden die zich nadien voordoen, zoals in het onderhavige geval het opstellen van de akte Levering Aandelen en het op grond van die akte om niet overdragen van 50% van de aandelen in de BV door eiser aan de dochter, niet van belang zijn voor de belastingheffing. Gelet op het vorenstaande is bij het opleggen van de aanslag terecht 50% van de aandelen in de BV tot eisers belaste verkrijging gerekend.

Eiser heeft bij de aangifte een verzoek om toepassing van de BOR gedaan, maar komt hier niet voor in aanmerking omdat hij niet voldoet aan het voortzettingsvereiste. Voor de dochter geldt dat zij een verzoek heeft gedaan bij het indienen van de aangifte tot toepassing van artikel 35f, eerste lid, van de Sw als gevolg waarvan voor haar de situatie na 31 maart 2014 uitgangspunt is voor de toepassing van de BOR. Dit brengt evenwel niet met zich mee dat voor de verkrijging van eiser eveneens wordt uitgegaan van het gewijzigd tijdstip van zijn (in dit geval: verminderde) gerechtigheid in de nalatenschap. Voor eiser blijft gelden dat hij op de datum van overlijden van erflaatster 50% van de aandelen verkreeg en bij levering aan de dochter op 31 maart 2014 een vordering wegens onderbedeling ontstond.

Verlaging WOZ-waarde

14. Uit het onder 7 vermelde citaat onder het kopje Toelichting op de uitspraak (berekeningen) blijkt dat de in verband met de verlaging van de WOZ-waarde gemaakte berekening van eisers aandeel in de nalatenschap onjuist is (50% van € 27.000 moet zijn € 13.500 in plaats van € 23.500). De rechtbank is van oordeel dat deze fout zo evident is dat sprake is van een voor eiser redelijkerwijs kenbare fout. De juiste berekening zoals vastgelegd in de beschikking van 17 maart 2015 behoeft dan ook geen correctie. Het onder 7 vermelde citaat onder het kopje Overig doet aan het vorenstaande niet af en brengt, anders dan eiser betoogt, niet mee dat de via geautomatiseerde weg aangemaakte uitspraak op het bezwaarschrift van 17 maart 2015 geen formele betekenis heeft.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, voorzitter, en mr. E.E. Schotte en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van F.J. Crabbendam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.