Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11106

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
15/7585
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek om opvang, bevoegdheid vreemdelingenrechter, rechtsmiddelenclausule, ontvankelijkheid, vertrekplicht, artikel 3 en 8 van het EVRM, Europees Sociaal Handvest, “bed, bad, en brood-regeling”, hoorplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/7585

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 september 2015 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. B. de Haan,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiser heeft op 19 maart 2015 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 februari 2015 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015. Eiser is ter zitting verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1986 en de Sierraleoonse nationaliteit te bezitten. Eiser verblijft sinds 2002 in Nederland en is van 21 februari 2002 tot 23 februari 2004 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’. Sindsdien heeft eiser zonder resultaat een aantal procedures gevoerd in verband met de verkrijging van verblijfsrecht.

2. Op 10 februari 2014 heeft eiser verzocht om opvang in een asielzoekerscentrum. Bij brief van 19 december 2014 heeft verweerder erop gewezen dat eiser zich kan wenden tot de Dienst Terugkeer en Vertrek van verweerder voor opvang in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL).

3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat hij niet gehouden is eiser meer te bieden dan opvang in een VBL. Verweerder heeft het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond geacht en daarom afgezien van het horen van eiser in bezwaar.

4. Op de beroepsgronden van eiser wordt in het navolgende ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Allereerst moet ambtshalve worden getreden in de vraag of de vreemdelingenrechter van deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van deze zaak. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Daartoe wordt het volgende overwogen.

6. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de rechtsbescherming van de vreemdeling in het kader van de Vw bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter, in het bijzonder de vreemdelingenrechter. Dit doel wordt gediend doordat voor de vreemdeling niet alleen beroep openstaat tegen jegens hem als zodanig door een bestuursorgaan gegeven besluiten, maar ook op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw tegen door een bestuursorgaan ten opzichte van hem als zodanig verrichte, rechtens relevante, handelingen. Aldus bevat de Vw een stelsel van rechtsbescherming dat beoogt te verzekeren dat de vreemdeling de rechtmatigheid van zulke besluiten en handelingen aan de onafhankelijke rechter in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ter beoordeling kan voorleggen.

7. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:722), rechtsoverweging 2.4., is uitgemaakt dat een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die geen aanspraak heeft op voorzieningen vanwege het Centraal Orgaan opvang asielzoekers en die meent op grond van een op de Staat rustende verdragsrechtelijke verplichting aanspraak te hebben op opvang, zich dient te wenden tot verweerder. De rechtbank overweegt dat dergelijke opvang geen grond vindt in een wettelijke regeling, zodat verweerders weigering om de door eiser gevraagde opvang te bieden niet als een besluit kan worden aangemerkt. Nu het verzoek om opvang van eiser is gebaseerd op de positie van eiser als vreemdeling en de gestelde zorgplicht die op de Staat rust, vormt de weigering van verweerder een feitelijk handelen ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw. Deze rechtbank is daarom bevoegd om van dit beroep kennis te nemen.

8. Vervolgens staat ambtshalve ter beoordeling of het beroep binnen de daarvoor geldende termijn is ingesteld. De rechtbank stelt vast dat eiser op 19 maart 2015 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit van 6 februari 2015 en daarmee de in artikel 69, eerste lid, van de Vw genoemde termijn van vier weken heeft overschreden. De rechtbank acht deze termijnoverschrijding niettemin verschoonbaar, als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu het bestreden besluit een rechtsmiddelenclausule bevat die een beroepstermijn van zes weken vermeldt en het beroep wel binnen deze zes weken is ingesteld. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 5 september 2011, ECLI:NL:RVS:2012:BX6500).

9. Niet in geschil is dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft hier te lande. In geschil is of verweerder niettemin gehouden is om eiser in een asielzoekerscentrum te huisvesten, zonder daaraan voorwaarden te verbinden die ertoe strekken dat eiser moet meewerken aan zijn terugkeer naar het land van herkomst. Daartoe wordt het volgende overwogen.

10. Eiser heeft betoogd dat van hem niet kan worden verwacht dat hij meewerkt aan terugkeer naar het land van herkomst vanwege zijn langdurig verblijf in Nederland en omdat zijn banden met het land van herkomst zijn verbroken. Hij wijst er tevens op dat hij medische klachten heeft en dat in Sierra Leone ebola heerst. Tot slot voert hij in dit verband aan dat hij geen documenten heeft en dat hij zonder documenten niet kan terugkeren naar Sierra Leone. De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij medische klachten heeft. Evenmin heeft eiser aangetoond dat hij alles heeft gedaan om aan reisdocumenten te komen maar daarin niettemin niet is geslaagd. Verweerder heeft voorts naar het oordeel van de rechtbank terecht gewezen op de notitie van verweerder aan de Tweede Kamer van 17 oktober 2014 (kenmerk: 570054) over het beleid omtrent landen waar ebola heerst, waaruit kan worden afgeleid dat niet gesproken kan worden van een direct levensbedreigende situatie in Sierra Leone waardoor uitzetting naar dat land niet mogelijk is. De omstandigheid dat eiser lang in Nederland verblijft – sinds 2002 – kan er op zichzelf niet toe leiden dat eiser geen vertrekplicht meer heeft, nu aan zijn rechtmatig verblijf sinds 23 februari 2004 een einde is gekomen.

11. Vervolgens staat ter beoordeling of verdragsrechtelijke bepalingen, met name artikel 3 en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nopen tot de door eiser gevraagde opvang zonder voorwaarden. Eiser heeft betoogd dat het recht op respect voor het privéleven, mede omvattend de fysieke en psychische integriteit van een persoon, ertoe leidt dat er een positieve verplichting rust op de Staat om ook uitgeprocedeerde asielzoekers een menswaardig bestaan te bieden, althans een onmenselijke situatie op te heffen, dan wel te voorkomen. Eiser wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2099), de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1995), de beslissingen van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) van 25 oktober 2013 en 1 juli 2014, alsmede een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 februari 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:746).

12. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 61 van de Vw een vertrekplicht voortvloeit voor de niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Vw kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. Het tweede lid maakt onder meer een uitzondering voor medisch noodzakelijke zorg. Noch artikel 3, noch artikel 8 van het EVRM kent in afwijking daarvan aan vreemdelingen het recht toe om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven en om zonder voorwaarden toegang te krijgen tot sociale voorzieningen. De rechtbank kan de stelling van eiser dan ook niet volgen dat verweerder tot méér gehouden is dan de aangeboden opvang in een VBL - die mede omvat de medisch noodzakelijke zorg - en dat verweerder daaraan niet de voorwaarde mag verbinden dat eiser meewerkt aan zijn vertrek.

13. Ook het beroep van eiser op de uitspraken van het ECSR kan geen doel treffen. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de bepalingen van het Europees Sociaal Handvest (ESH) niet rechtstreeks werkend zijn. Bovendien is het merendeel van de in het ESH geboden sociale rechten niet van toepassing op niet rechtmatig op het grondgebied van de lidstaten verblijvende vreemdelingen. Dit kan worden afgeleid uit het in de bijlage bij het herziene ESH over de werkingssfeer gemaakte voorbehoud dat het moet gaan om vreemdelingen die voldoen aan de kwalificatie ‘lawfully resident’ op het grondgebied van de lidstaat. Eiser valt dan ook niet onder het toepassingsbereik van het ESH. De niet-bindende uitspraken van het ECSR gaan daaraan voorbij en leiden reeds daarom niet tot een ander oordeel. Dat de uitspraken van het ECSR gezaghebbend zijn in het licht van onder meer de toepassing van artikel 8 van het EVRM, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot een aanspraak van eiser op méér dan de door verweerder aangeboden opvang.

14. Eiser heeft aangevoerd dat de zogeheten ‘bed, bad en brood-regeling’ voor hem geen soelaas biedt omdat de vijf gerealiseerde opvangplaatsen in het westen van het land zijn gesitueerd en in Eindhoven en hij daar niet verblijft. Ter zitting heeft eisers gemachtigde verklaard dat hij niet weet waar eiser feitelijk verblijft. Dat de gerealiseerde opvangplaatsen voor hem geen soelaas bieden, is dan ook niet onderbouwd. Los daarvan is de rechtbank van oordeel dat uit de ontwikkelingen rond de realisering van opvang voor uitgeprocedeerde vreemdelingen door gemeenten geen verplichting van verweerder kan worden afgeleid om eiser meer opvang te bieden dan het gedane aanbod.

15. Eiser heeft tot slot betoogd dat hij had moeten worden gehoord in bezwaar, omdat er dermate veel vragen zijn over zijn feitelijke situatie en de waardering daarvan door verweerder, dat het bezwaar niet als kennelijk ongegrond had kunnen worden afgedaan. Eiser heeft ter zitting niet kunnen verduidelijken welke vragen over zijn feitelijke situatie nog beantwoord hadden moeten worden om tot een verantwoord besluit op bezwaar te komen. Dat eiser in persoon argumenten zou kunnen toevoegen die zijn gemachtigde nog niet heeft aangevoerd, acht de rechtbank onvoldoende. Gelet daarop en gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, beoordeeld in samenhang met de brief van verweerder van 19 december 2014 in reactie op eisers verzoek om opvang, heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen achten. Verweerder heeft daarom terecht met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb afgezien van het horen van eiser in bezwaar.

16. Het beroep is ongegrond.

17. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2015.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.