Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11090

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
SGR 15/2361
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 2e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/2361

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 september 2015 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Maats),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te

[woonplaats]

(gemachtigde: mr. L.V. Claassens).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

Bij besluit van 16 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de derde-partij gegrond verklaard, waarbij eisers WW-uitkering per 16 maart 2015 is beëindigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de derde-partij was aanwezig [vertegenwoordiger] , [functie] , bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser is op [datum] in dienst getreden bij [belanghebbende] als chauffeur/belader.

1.2

[belanghebbende] is een publiek-private samenwerking tussen [bedrijf] en de [organisatie] . De aandelen in het aandelenkapitaal van [belanghebbende] worden gehouden door de [organisatie] . [bedrijf] voert de statutaire directie van [belanghebbende] op basis van een managementovereenkomst.

In feite exploiteert [bedrijf] de onderneming van [belanghebbende] . [belanghebbende] verzorgt binnen de [organisatie] (onder meer) de inzameling van huishoudelijk restafval, gft-afval, grof huishoudelijk afval, glas, papier en textiel. Het ophalen van bedrijfsafval wordt feitelijk uitgevoerd door [bedrijf] . Voor het uitvoeren van deze activiteiten maakt [bedrijf] gebruik van medewerkers die door [belanghebbende] bij [bedrijf] zijn gedetacheerd op basis van een detacheringsovereenkomst.

1.3

Als gevolg van signalen dat medewerkers van [belanghebbende] / [bedrijf] betrokken zouden zijn bij het (structureel) aannemen van bovenmatige volumes afval van klanten van [bedrijf] , zonder dat daaraan een overeenkomst tussen [bedrijf] en deze klanten ten grondslag ligt, en bij het aannemen van beloningen voor deze activiteiten, heeft de integriteitsmanager van [bedrijf] , de heer [naam] , een onderzoek ingesteld. In de periode van augustus 2013 tot en met januari 2014 heeft [naam] medewerkers van [belanghebbende] / [bedrijf] geobserveerd. Op 28, 29 en 30 januari en 3 februari 2014 zijn er met acht van hen, waaronder eiser, gesprekken gevoerd. Het gesprek tussen eiser en [naam] vond op 28 januari 2014 plaats. Na dit gesprek is eiser op non-actief gesteld met behoud van salaris. Van het feitenonderzoek heeft [naam] op 8 februari 2014 een rapport opgesteld. Dit rapport is vervolgens aangeboden aan de Raad van Bestuur van [bedrijf] en aan de directie van [belanghebbende] .

1.4

Op 14 februari 2014 heeft [belanghebbende] eiser, samen met enkele collega’s, op staande voet ontslagen, vanwege de betrokkenheid bij een zogenaamde illegale afvalroute, waarbij het concreet gaat om:

- het structureel aannemen van bovenmatige volumes (bedrijfs)afval zonder dit te vermelden in het automatiseringssysteem;

- het illegaal aanbieden van afval om te laten verwerken;

- het aannemen van een beloning van derden voor bovengenoemde activiteiten.

Eiser heeft zich niet bij het ontslag op staande voet neergelegd. Bij brieven van 15 februari en 19 februari 2014 heeft hij de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen.

Bij beschikking van 4 juni 2014 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de arbeidsovereenkomst tussen [belanghebbende] en eiser per 19 juni 2014 ontbonden, voor zover deze nog bestond, en aan eiser een ontslagvergoeding toegekend.

1.5

Bij vonnis van 20 november 2014 is de kantonrechter van deze rechtbank, voor zover thans van belang, tot de conclusie gekomen dat [belanghebbende] eiser op goede gronden op staande voet heeft ontslagen en dat [belanghebbende] het ontslag onverwijld heeft gegeven. De vorderingen van eiser inzake de verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd en het betalen van salaris over de periode tot 19 juni 2014 zijn derhalve afgewezen.

2. Op 12 juni 2014 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Bij het primaire besluit heeft verweerder de WW-uitkering per 19 juni 2014 toegekend. Het tegen dit besluit door [belanghebbende] gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit gegrond verklaard. Eisers uitkering is per 16 maart 2015 beëindigd.

3.1

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

3.2

Artikel 7:678, eerste lid, van het BW bepaalt dat voor de werkgever als dringende redenen in de zin van artikel 7:677, eerste lid, van het BW worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.3

Tot de elementen die moeten worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of de werkloosheid het gevolg is van een dringende reden behoren, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387, de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en de ernst van de gedraging en de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Indien vervolgens tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd, zal tot slot in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

3.4.

Naar vaste rechtspraak van de CRvB dient verweerder zich een eigen oordeel te vormen over de vraag of de aanvrager van een WW-uitkering verwijtbaar werkloos is geworden. Dat brengt mee dat verweerder gehouden is zelfstandig te onderzoeken of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag heeft gelegen en of ter zake een verwijt te maken is. Dit geldt niet alleen wanneer een ontslag of ontbinding niet is gegeven vanwege of berust op een dringende reden, maar ook wanneer dit wel het geval is. De wijze waarop het dienstverband is beëindigd is derhalve niet doorslaggevend en er dient ter beantwoording van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt een materiële beoordeling plaats te vinden. De rechtbank verwijst in dit kader onder meer naar de uitspraak van de CRvB van 21 oktober 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK2128).

4. In beroep is aangevoerd dat aan het ontslag geen subjectieve dringende reden ten grondslag ligt. Eiser stelt, kort samengevat, dat het feitenonderzoek door [naam] maanden heeft geduurd en dat aan hem niet onverwijld ontslag is gegeven. Nu het ontbreekt aan een subjectieve dringende reden voor het ontslag is niet voldaan aan deze voorwaarde om verwijtbare werkloosheid aan te nemen.

5. De rechtbank gaat voor de beoordeling van deze zaak uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Uit de stukken, in het bijzonder het rapport feitenonderzoek van 8 februari 2014, blijkt dat [belanghebbende] in juli 2013 een melding heeft ontvangen van mogelijke betrokkenheid van haar medewerkers bij illegale afvalverwerking en de handel in en/of het gebruik van verdovende middelen. In augustus 2013 is hiernaar een onderzoek gestart door [naam] . Ten aanzien van de mogelijke illegale afvalroutes hebben er in het kader van dit onderzoek op 16/17 augustus 2013, 28 september 2013, 18 december 2013, 18 januari 2014 en 19 januari 2014 waarnemingen plaatsgevonden. In verband met de mogelijke handel in en/of het gebruik van verdovende middelen hebben er in de periode van september 2013 tot en met november 2013 in totaal zeven waarnemingen plaatsgevonden. Verder heeft er onder meer onderzoek plaatsgevonden naar de identiteit van de betrokken medewerkers en zijn er dossiers en registratiesystemen geraadpleegd.

Nadat het feitenonderzoek was afgerond, hebben er op 28, 29 en 30 januari en 3 februari 2014 verantwoordingsgesprekken met de betrokken medewerkers plaatsgevonden. De onderzoeksbevindingen zijn vervolgens neergelegd in een rapport van 8 februari 2014.

6.1

De rechtbank overweegt als volgt.
[belanghebbende] is na ontvangst van de melding in juli 2013 direct met een onderzoek gestart. Bij aanvang van dat onderzoek waren de illegale afvalroutes nog niet geïndividualiseerd. Er bestonden nog geen verdenkingen tegen concrete medewerkers. Om te kunnen bepalen of, en zo ja, op welke schaal en in welke omvang medewerkers van [belanghebbende] betrokken waren bij genoemde illegale afvalroutes, gelet ook op de aard van deze illegale praktijken en de vereiste zorgvuldigheid van het onderzoek, is enige onderzoekstijd nodig. Daarbij komt dat het onderzoek niet alleen gericht was op de vraag of medewerkers betrokken waren bij illegale afvalverwerking, maar ook of zij zich schuldig maakten aan de handel in en/of het gebruik van verdovende middelen. De rechtbank acht het voorts niet onredelijk dat [naam] vanwege de vakantieperiode en de wetenschap dat mogelijk betrokken medewerkers op dat moment niet werkzaam zouden zijn, na de eerste waarneming in augustus 2013, tot eind september 2013 heeft gewacht alvorens de observaties in het kader van de mogelijke illegale afvalroutes voort te zetten. Weliswaar hebben er vervolgens in de periode van eind september 2013 tot 18 december 2013 geen waarnemingen plaatsgevonden in het kader van de mogelijke illegale afvalroutes, maar er zijn tussentijds wel observaties uitgevoerd in het kader van de mogelijke handel in en/of het gebruik van verdovende middelen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het feitenonderzoek door [naam] niet onnodig veel tijd in beslag heeft genomen.

6.2

De rechtbank stelt voorts vast dat eiser eerst bij de observatie van 18 december 2013 in beeld is gekomen als mogelijk betrokkene bij de illegale afvalroutes. Op dat moment is er pas een verdenking tegen eiser ontstaan. Nadat het feitenonderzoek was afgerond, is eiser op 28 januari 2014 in de gelegenheid gesteld om verantwoording af te leggen over hetgeen is waargenomen. De onderzoeksbevindingen, waaronder die ten aanzien van eiser, zijn vervolgens op 8 februari 2014 aan de directie van [belanghebbende] overhandigd. Gelet op het tijdstip waarop de concrete verdenking tegen eiser is ontstaan en het moment waarop de directie van [belanghebbende] in kennis is gesteld van de onderzoeksbevindingen, is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] niet heeft gedraald en niet onnodig lang met het ontslag op staande voet heeft gewacht.

6.3.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank subjectief bezien sprake van een dringende reden.

7. In beroep zijn geen andere gronden aangevoerd tegen het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser verwijtbaar werkloos is. Verweerder was derhalve gehouden op de voet van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel te weigeren, tenzij het niet nakomen van de verplichting te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten. Van een dergelijke verminderde mate van verwijtbaarheid is de rechtbank niet gebleken.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. H.M. Braam, voorzitter, en mr.drs. D. Biever en mr. F.X. Cozijn, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.