Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11088

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
15/15874
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3329, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oekraïne, dienstweigering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/15874

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 september 2015 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde mr. M.J. Paffen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 augustus 2015, genomen in de algemene asielprocedure, waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen als ongegrond (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Eiser is ter zitting verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1991 en de Oekraïense nationaliteit te bezitten. Op 2 juli 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij een aantal oproepen heeft ontvangen voor militaire dienst, maar dat hij niet wil dienen in het leger in het Oosten van Oekraïne.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder handhaving van zijn eerdere voornemen tot afwijzing, geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk is opgeroepen voor militaire dienst. Daarbij is overwogen dat eiser geen (kopies van) oproepingsbrieven heeft overgelegd en dat hij daarover vage en inconsistente verklaringen heeft afgelegd.

3. Eiser heeft in beroep, onder verwijzing naar zijn eerdere zienswijze, betoogd en nader toegelicht dat hij wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst. Zelfs als zijn relaas ongeloofwaardig zou moeten worden geacht, moet ervan uit worden gegaan dat eiser bij terugkomst alsnog in militaire dienst zal moeten, aldus eiser.

4. Verweerder heeft zich ter zitting met betrekking tot de subsidiaire stelling van eiser op het standpunt gesteld dat eiser, die zelf al in dienst is geweest, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in militaire dienst moet. Verder acht verweerder in het verhaal van eiser geen aanknopingspunten aanwezig voor het aannemen van onoverkomelijke gewetensbezwaren.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Op 20 juli 2015 is de wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ter implementatie van de herziene Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Opvangrichtlijn) in werking getreden. Op grond van het in die wetswijziging opgenomen overgangsrecht, neergelegd in artikel II, eerste lid, is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet en intrekkingen voor inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw, tenzij het onderzoek door de rechtbank is gesloten.

6. Nu het bestreden besluit dateert van na de datum van inwerkingtreding van de gewijzigde Vw, 20 juli 2015, is de gewijzigde Vw op eiser van toepassing.

7. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge het zesde lid worden, indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven;

b. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag;

d. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en

e. vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

8. Ingevolge artikel 83a van de Vw omvat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder de nationaliteit en identiteit van eiser geloofwaardig acht, maar het niet geloofwaardig acht dat eiser is opgeroepen voor de vervulling van militaire dienst.

10. De rechtbank stelt verder vast dat eiser – die stelt dat hij een aantal oproepbrieven heeft ontvangen – geen van deze stukken heeft overgelegd. Ondanks dat dit al bij het voornemen van 24 augustus 2015 aan eiser was tegengeworpen, kon eiser ook ter zitting op 17 september 2015 geen stukken overleggen, noch daarvoor een bevredigende verklaring geven. Verweerder heeft dit naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiser toegerekend, nu deze stukken betrekking hebben op de kern van zijn asielrelaas.

11. Voorts volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat eiser vaag en inconsistent heeft verklaard over de oproepbrieven. Eiser heeft wisselend verklaard over het aantal ontvangen oproepen en de wijze waarop de laatste oproep is vernietigd, eiser heeft vaag verklaard over de data van ontvangst en eiser heeft weinig kunnen vertellen over de inhoud van de brieven. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser op 12 december 2014 nog een buitenlands paspoort heeft verkregen, terwijl hij toen naar eigen zeggen al een aantal oproepen voor militaire dienst had ontvangen. Tot slot heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser heeft verklaard dat de oproepen niet rechtstreeks aan hem zijn overhandigd, maar aan zijn moeder of aan zijn broer, terwijl uit openbare bronnen blijkt dat een oproep van het militaire commissariaat persoonlijk aan de betrokkene moet worden overhandigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de tegenwerpingen van verweerder niet kunnen weerleggen. De stelling dat het niet relevant is wat het precieze aantal en welke de data van de oproepen zijn en wie de laatste oproep heeft weggegooid, kan geen doel treffen nu het hier gaat om details die de kern van het relaas van eiser betreffen. Dat het niet bevreemdend is dat eiser een buitenlands paspoort heeft verkregen, ondanks het gestelde feit dat hij toen al oproepen had ontvangen, wordt evenmin gevolgd. De stelling in dit verband dat paspoorten vaak door corruptie worden verkregen, is niet deugdelijk onderbouwd, noch heeft eiser toegelicht hoe dat bij hem precies in zijn werk is gegaan. Tot slot verwerpt de rechtbank de stelling van eiser dat verweerder verder had moeten doorvragen om preciezere antwoorden te krijgen. Het ligt immers op de weg van eiser om zijn relaas aannemelijk te maken en daartoe gedetailleerde verklaringen af te leggen tijdens zijn gehoren, dan wel daarna.

12. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft bepaald dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst.

13. Met betrekking tot de subsidiaire stelling van eiser in beroep dat hij hoe dan ook bij terugkeer naar Oekraïne, ook als het niet aannemelijk is dat hij is opgeroepen, alsnog zal worden opgeroepen, wordt het volgende overwogen. De rechtbank is van oordeel dat eiser, gelet op zijn leeftijd, inderdaad een reëel risico loopt dat hij na terugkeer zal worden opgeroepen voor militaire dienst. De rechtbank zal daarom beoordelen of de voorgenomen dienstweigering van eiser kan leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

14. Eiser heeft verklaard dat hij niet in dienst wil, omdat hij niet weet of hij terugkomt en, zo ja, of hij in goede gezondheid terugkomt. Verder heeft eiser verklaard dat hij mensen zal moeten vermoorden en dat dat ook Oekraïners kunnen zijn (pagina 9 van het rapport van nader gehoor).

15. Artikel 9 van de richtlijn 2011/95/EU inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (voorheen: richtlijn 2004/83/EG, hierna te noemen: de Definitierichtlijn) is geïmplementeerd in artikel 3.36 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV).

16. Ingevolge artikel 3.36, tweede lid, van het VV kunnen daden van vervolging in de zin van het eerste lid onder meer de vorm aannemen van:

a. (…);

b. (…);

c. onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;

d. (…);

e. vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen;

f. (…).

Ingevolge het derde lid moet er een verband zijn tussen enerzijds de gronden voor vervolging genoemd in artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag en anderzijds de daden, bedoeld in het eerste lid, die als vervolging worden aangemerkt of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.

17. Volgens paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 verleent verweerder, onder toepassing van artikel 3.36 van het VV, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling die zich beroept op dienstweigering of desertie, als de vreemdeling voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

a. a) de vreemdeling heeft een gegronde vrees voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing, tenuitvoerlegging van de straf, of een andere discriminatoire behandeling vanwege zijn dienstweigering of desertie op basis van een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag;

b) de vreemdeling heeft ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, die geleid hebben tot zijn dienstweigering of desertie, terwijl er voor de vreemdeling geen mogelijkheid bestond om ter vervanging van zijn militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen;

c) de vreemdeling heeft geweigerd deel te nemen aan een militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of die in strijd is met fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Dit geldt ook als de vreemdeling gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.

18. De rechtbank begrijpt uit het relaas van eiser, zoals weergegeven in rechtsoverweging 14, gelet op de desgevraagd ter zitting gegeven toelichting, dat hij zich beroept op gewetensbezwaren, zoals bedoeld in de hiervoor aangehaalde voorwaarde b) in paragraaf C2/3.2 van de Vc.

19. De rechtbank is van oordeel dat uit eisers relaas niet kan worden afgeleid dat sprake is van ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging. Ook in beroep heeft eiser met betrekking tot zijn gewetensbezwaren geen nadere toelichting kunnen geven. De subsidiaire beroepsgrond van eiser treft dan ook geen doel.

20. Verweerder heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.

21. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2015.

De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.