Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11087

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
15/16434 en 15/16233
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- verkeerde afdoeningsmodaliteit

- instandlating rechtsgevolgen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 15/16234 (verzoek) en AWB 15/16233 (beroep)

V-nummer: [V-nummer 1]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 23 september 2015 in de zaak tussen

[naam] eiser,

gemachtigde mr. J.J.J. Jansen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2015 (hierna: het bestreden besluit), genomen in de zogeheten verlengde asielprocedure, is de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Op 3 september 2015 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op zijn beroep is beslist.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Eiser is ter zitting verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Khabote, tolk in de Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2. Op 20 juli 2015 is de wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vw ter implementatie van de herziene Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Opvangrichtlijn) in werking getreden. Op grond van het in die wetswijziging opgenomen overgangsrecht, neergelegd in artikel II, eerste lid, is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet en intrekkingen voor inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw, tenzij het onderzoek door de rechtbank is gesloten.

3. Nu het bestreden besluit dateert van na de datum van inwerkingtreding van de gewijzigde Vw, 20 juli 2015, is de gewijzigde Vw op eiser van toepassing.

4. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1984 en de Soedanese nationaliteit te bezitten. Op 29 april 2013 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 31 juli 2014 afgewezen. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats

‘s-Hertogenbosch, heeft bij uitspraak van 18 december 2014 (AWB 14/19621) het beroep tegen het afwijzende besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank, voor zover van belang, vastgesteld dat eiser zijn gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst niet met documenten heeft onderbouwd en geoordeeld dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser onjuiste en onvolledige verklaringen heeft afgelegd over zijn gestelde woonomgeving. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder zich op basis van het rapport taalanalyse van het Bureau Land en Taal (BLT) van 15 mei 2013 op het standpunt heeft kunnen stellen dat met deze taalanalyse de door eiser gestelde Soedanese nationaliteit en herkomst uit Darfur niet aannemelijk is gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 maart 2015, met zaaknummer 201500430/1/V2, het daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

5. Op 30 juni 2015 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Hij heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat uit de door hem overgelegde contra-expertise van 27 april 2015 blijkt dat hij wel degelijk uit Darfur afkomstig is.

6. Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van eisers asielaanvraag en is daarom van gelijke strekking als het eerdere afwijzende besluit van verweerder van 31 juli 2014.

7. Uit het ne-bis-in-idembeginsel vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit materieel een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door betrokkene aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45) voordoen.

8. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (hierna: nova) moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

9. Allereerst is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij voorafgaande aan het eerste afwijzende besluit doende was met het aanvragen van een contra-expertise en daarvan aan verweerder melding heeft gemaakt.

Uit de stukken blijkt dat eiser op 7 maart 2014 aan verweerder heeft gemeld dat een contra-expertise zou worden ‘opgestart’. Voorts blijkt uit de stukken dat eiser op 9 maart 2014 toestemming heeft verkregen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) voor een contra-expertise, maar dat feitelijke betaling door het COa uitbleef. De uiteindelijke aanvraag, op 18 december 2014, was het sluitstuk daarvan en vond plaats nadat een voorschot aan de opdrachtnemer, de Taalstudio, was betaald. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de contra-expertise van 27 april 2015 eerder had kunnen en derhalve moeten worden overgelegd. Nu de contra-expertise concludeert dat eiser eenduidig niet (definitely not) afkomstig is uit Tsjaad en hoogstwaarschijnlijk wel (most probably) uit Darfur, is het niet op voorhand uitgesloten dat de overgelegde contra-expertise kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit van 31 juli 2014. De contra-expertise kan daarom als een novum worden aangemerkt.

10. De voorzieningenrechter komt dan ook toe aan toetsing van het bestreden besluit in het licht van de daartegen door eiser aangevoerde beroepsgronden. Uitgangspunt van beoordeling blijft echter dat in rechte is komen vast te staan dat eiser zijn gestelde nationaliteit, identiteit en herkomst niet met documenten heeft onderbouwd en dat hij onjuiste en onvolledige verklaringen heeft afgelegd over zijn gestelde woonomgeving. Ten aanzien daarvan zijn geen nova naar voren gebracht.

11. In het bestreden besluit neemt verweerder het primaire standpunt in dat de contra-expertise geen novum is omdat eiser deze reeds tijdens de besluitvorming had kunnen en moeten inbrengen. Subsidiair stelt verweerder dat de contra-expertise niet kan leiden tot de conclusie dat eiser afkomstig is uit Abu Suruj, Darfur, en dat hij de Soedanese nationaliteit bezit. Verweerder verwijst voor dat standpunt naar het weerwoord van het BLT van 14 juli 2015 naar aanleiding van de contra-expertise. Verweerder meent tot slot dat niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden die een beroep op Bahaddar rechtvaardigen.

12. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de contra-expertise wel op tijd is overgelegd. Eiser stelt dat de taalanalyse concludeert dat eiser op grond van zijn spraak en kennis te herleiden is tot zowel de spraakgemeenschap van Tsjaad als die van Darfur. Nu uit de contra-expertise blijkt dat eiser zeker niet uit Tsjaad komt, maar hoogstwaarschijnlijk uit Darfur, is volgens eiser aannemelijk gemaakt dat hij uit Darfur komt. Eiser stelt verder dat verweerder hem ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden om het weerwoord van het BLT aan zijn deskundige voor te leggen. Tot slot betoogt eiser dat verweerder bij uitzetting naar Soedan zal moeten beoordelen of eiser een reëel risico loopt dat hij wordt blootgesteld aan handelen in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), onder verwijzing naar de uitspraak in de zaak Bahaddar.

13. Gelet op rechtsoverweging 9 wordt eiser gevolgd in het standpunt dat de contra-expertise als een novum moet worden aangemerkt en bij de beoordeling in dit beroep moet worden betrokken. Dit betekent dat verweerder de aanvraag ten onrechte met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met voormelde bepaling.

14. De voorzieningenrechter zal vervolgens beoordelen of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

15. Met betrekking tot de vraag of eiser met de contra-expertise aannemelijk heeft gemaakt dat hij uit Darfur komt, wordt het volgende overwogen. Zoals al onder rechtsoverweging 8 is benadrukt, heeft eiser zijn identiteit, herkomst en nationaliteit niet met documenten onderbouwd en heeft eiser onjuiste en onvolledige verklaringen afgelegd over zijn gestelde woonomgeving, de plaats Abu Suruj in West-Darfur. Het is niet in geschil dat eiser behoort tot de Tama-bevolkingsgroep en dat de taal van deze niet-Arabische etnische groep zijn moedertaal is. Daarmee is echter niet gezegd dat eiser uit Darfur afkomstig is, nu de Tama volgens de taalanalyse niet alleen in Darfur, maar voor het overgrote deel (meer dan 90%) in Tsjaad gevestigd zijn. Volgens de contra-expertise zijn de Tama ongeveer gelijkelijk verdeeld over deze twee gebieden. Gelet op het vorenstaande dient eiser alsnog aannemelijk te maken dat hij niet afkomstig is uit Tsjaad.

16. De contra-expertise concludeert, in afwijking van de taalanalyse, dat eiser eenduidig niet uit Tsjaad komt en hoogstwaarschijnlijk wel uit Darfur. Deze conclusie wordt gebaseerd op het door eiser gesproken Arabisch dialect, dat volgens de contra-expert niet in Tsjaad wordt gesproken. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit wordt bestreden door het BLT in het weerwoord. Allereerst wijst het BLT erop dat eiser stelt dat hij zijn gehele leven heeft doorgebracht tot 2008 in Abu Suruj, op 15 kilometer van de grens met Tsjaad en dat de staatkundige grens tussen Soedan en Tsjaad niet samenvalt met enige taalkundige (dialectologische) grens, zodat een wetenschappelijke basis ontbreekt voor de conclusie dat eiser ‘eenduidig’ niet komt uit, bijvoorbeeld, een dorp enkele kilometers over de grens met Tsjaad. Verder betoogt het BLT dat de contra-expert geen afdoende taalkundige onderbouwing levert voor de conclusie dat eiser ‘eenduidig niet’ uit Tsjaad komt. Het BLT licht onder aanhaling van bronnen toe dat het gesproken Arabische dialect van eiser óók voorkomt in Tsjaad.

17. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het BLT dat de contra-expert onvoldoende heeft onderbouwd dat eiser eenduidig niet uit Tsjaad komt en onderschrijft daartoe de door het BLT in het weerwoord gebezigde argumenten. Eiser heeft daartegen in dit beroep niets aangevoerd. De stelling dat verweerder een reactie van de contra-expert op het weerwoord had moeten afwachten, wordt verworpen. Het vereiste dat een besluit op zorgvuldige wijze tot stand komt, strekt immers niet zo ver dat verweerder, die de gelegenheid heeft geboden tot het opstellen van een contra-expertise, de vreemdeling ook nog de gelegenheid had moeten bieden te reageren op het weerwoord van het BLT op de contra-expertise, alvorens een besluit te nemen. Voor dit oordeel vindt de voorzieningenrechter steun in de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011 met zaaknummer 201009489/1/V2 (www.raadvanstate.nl). Bovendien heeft eiser voldoende tijd gehad om in beroep een reactie op het weerwoord in te brengen.

18. De slotsom is dat de opvolgende asielaanvraag van eiser terecht is afgewezen, zij het dat verweerder daarbij ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verweerder had de aanvraag ongegrond moeten verklaren met toepassing van artikel 31, eerste lid, van de Vw. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen zullen in stand worden gelaten voor zover het bestreden besluit strekt tot afwijzing van de aanvraag. Gelet op artikel 82, eerste lid, van de Vw heeft verweerder ten onrechte schorsende werking onthouden aan het instellen van het beroep.

19. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

20. Gelet op rechtsoverweging 16 bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure aan de zijde van eiser. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag daarvan vastgesteld op € 1.470,- (1 punt voor het verzoek, 1 punt voor het beroep, 1 punt voor de zitting, waarde per punt € 490,-, wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand voor zover dit besluit strekt tot afwijzing van de aanvraag van eiser;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, ten bedrage van € 1.470,- (veertienhonderdzeventig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.