Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11086

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
15/16424 en 15/16423
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Dublin, Hongarije

- interstatelijk vertrouwensbeginsel

- beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/326 met annotatie van mr. S. Rafi
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 15/16424 (voorlopige voorziening) en 15/16423 (beroep)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 23 september 2015 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde mr. Y. Tamer,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2015 (hierna: het bestreden besluit) is de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.

Op 4 september 2015 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op zijn beroep is beslist.

Eiser heeft de gronden van zijn beroep aangevuld op 11 september 2015 en 15 september 2015.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 september 2015. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig D. Madjlessi, tolk in de Farsi-taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1990 en de Iraanse nationaliteit te bezitten. Op 27 mei 2015 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft bij het bestreden besluit deze aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

3. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 27 mei 2015 een asielaanvraag in Hongarije heeft ingediend. Gelet hierop is aan de Hongaarse autoriteiten 4 juni 2015 verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (hierna: de Dublinverordening). De autoriteiten van Hongarije hebben zich op 16 juni 2015 akkoord verklaard met terugname van eiser. In het antwoord van de Hongaarse autoriteiten is vermeld dat de asielprocedure is stopgezet (“ceased”) omdat eiser is verdwenen.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding is om de aanvraag van eiser op grond van artikel 9 van de Dublinverordening, dan wel op grond van artikel 16 van de Dublinverordening, in Nederland te behandelen. Voorts is verweerder van mening, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat ervan uitgegaan kan worden dat Hongarije zijn internationale verdragsverplichtingen nakomt. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, aldus verweerder.

5. Eiser heeft het volgende aangevoerd:

- verweerder dient zijn aanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 9 en 16 van de Dublinverordening;

- verweerder zou zijn aanvraag onverplicht op humanitaire gronden in behandeling moeten nemen;

- ten onrechte heeft verweerder een claim bij Hongarije ingediend. Niet Hongarije is het eerste land waar eiser het grondgebied van de Europese Unie (EU) is binnengekomen, maar Griekenland;

- ten onrechte heeft verweerder het antwoord van het Europese Hof van Justitie op prejudiciële vragen over de mogelijkheden om op te komen tegen de toepassing van de criteria van Hoofdstuk III van de Dublinverordening niet afgewacht;

- ten aanzien van Hongarije kan niet meer van interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Eiser wijst op gewijzigde asielwetgeving en de gevolgen daarvan voor opvangmogelijkheden en de huidige ongunstige verblijfsomstandigheden voor asielzoekers.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

6. Op 20 juli 2015 is de wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vw ter implementatie van de herziene Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Opvangrichtlijn) in werking getreden.

7. Nu het bestreden besluit dateert van na 20 juli 2015, is de gewijzigde Vw op eiser van toepassing.

8. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

9. Eiser heeft verklaard dat hij bij zijn moeder en zijn jongere broer wil verblijven. Deze hebben een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Eiser heeft verder gesteld dat zijn moeder diverse medische klachten heeft en dat zowel zijn moeder als zijn jongere broer van hem afhankelijk zijn.

10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser, zijn moeder en zijn jongere broer geen gezin vormen als bedoeld in artikel 9, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om artikel 9 van de van de Dublinverordening naar analogie van de Gezinsherenigingsrichtlijn ruimer uit te leggen, zoals door eiser bepleit ter zitting. In de rechtstreeks werkende Dublinverordening is het begrip gezin immers uitputtend gedefinieerd. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat eiser niet met medische documenten heeft onderbouwd dat zijn moeder afhankelijk van hem zou zijn in de zin van artikel 16 van de Dublinverordening. Eveneens is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken van afhankelijkheid van eiser van zijn jongere broer. Terecht heeft verweerder hierbij in aanmerking genomen dat zijn moeder en jongere broer reeds drie jaar in Nederland verblijven. Gelet op het vorenstaande en op de beoordelingsvrijheid van verweerder behoefde verweerder evenmin toepassing te geven aan artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond faalt.

11. Eiser heeft gesteld dat Griekenland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake Duitsland tegen Kaveh Puid van 14 november 2013 (zaaknummer C-4/11), volgt dat een lidstaat die een asielzoeker krachtens de Dublinverordening niet naar een andere lidstaat kan terugsturen omdat hij daar het risico zou lopen op onmenselijke behandeling, niet direct verplicht is om zelf deze asielaanvraag in behandeling te nemen. De betrokken lidstaat moet eerst verder nagaan of er geen andere lidstaat volgens een van de Dublincriteria verantwoordelijk is om de asielaanvraag te behandelen. Dit arrest bouwt voort op de arresten van het Hof van Justitie van 21 december 2011 (N. S. (C-411/10) tegen Secretary of State for the Home Department en M. E. en anderen (C-493/10) tegen Refugee Applications Commissioner en Minister for Justice, Equality and Law Reform. Deze arresten hebben geleid tot artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de Dublinverordening. Verweerder heeft er ter zitting, onder verwijzing naar eerstgenoemd arrest, terecht op gewezen dat naar aanleiding van het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland van Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011, ECLI:NL:XX:2011:BP4356) geen overdrachten aan Griekenland meer plaatsvinden en dat vervolgens is vastgesteld of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kon worden aangewezen. Ook deze beroepsgrond faalt.

12. Partijen zijn verder verdeeld over de vraag of ten aanzien van Hongarije sprake is van zodanige aan het asielsysteem gerelateerde tekortkoningen dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

13. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening is de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend verantwoordelijk voor de behandeling ervan, wanneer op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

Indien het niet mogelijk is een verzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, blijft de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast de criteria van hoofdstuk III onderzoeken teneinde vast te stellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.

Indien de overdracht uit hoofde van dit lid niet kan geschieden aan een op grond van de criteria van hoofdstuk III aangewezen lidstaat of aan de eerste lidstaat waar het verzoek werd ingediend, wordt de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, de verantwoordelijke lidstaat.

14. Eiser heeft betoogd dat zijn asielaanvraag voortijdig is beëindigd en dat hem bij terugkeer geen gepaste opvang zal worden geboden. Een opvolgende aanvraag zal niet inhoudelijk worden behandeld en eiser zal daartegen geen effectief rechtsmiddel kunnen aanwenden, onder meer vanwege het gebrek aan rechtsbijstand. Daarnaast loopt hij het risico in Hongarije te worden uitgezet naar Servië dat als veilig derde land is aangemerkt, hoewel uit informatie van het Hungarian Helsinki Committee (HHC) het tegendeel blijkt. Eiser wijst erop dat de Hongaarse asielwetgeving per 1 augustus 2015 ingrijpend is gewijzigd. Op 15 september 2015 is de wetgeving nog verder aangescherpt. Eiser heeft enkele stukken overgelegd uit de bij deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, aanhangige procedure met zaaknummer 15/2751 (gepubliceerd op Vluchtweb) en hij heeft zich beroepen op bijlagen bij “Veelgestelde vragen Dublin Hongarije” van Vluchtelingenwerk Nederland van 15 september 2015. Voorts heeft eiser bij zijn zienswijze de aangepaste Hongaarse asielwetgeving overgelegd.

15. De voorzieningenrechter stelt vast dat de overdracht van eiser is aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Dit houdt in dat het bij eiser gaat om een asielverzoek dat in behandeling is. Uit de acceptatie door de Hongaarse autoriteiten blijkt dat eisers verzoek op 2 april 2015 de status van “ceased” heeft gekregen omdat hij is verdwenen. Uit de beantwoording van 24 juli 2015 door de Hongaarse autoriteiten van vragen van verweerder in de zaak met nummer 15/2751 blijkt dat in dat geval geen inhoudelijk besluit op de aanvraag is genomen. Na overdracht, ook onder de per 1 augustus 2015 geldende wetgeving, dient een nieuwe asielprocedure te worden gestart waarbij de aanvraag inhoudelijk (in it’s merit) wordt onderzocht op voorwaarde dat de betrokkene beschikbaar is en meewerkt aan het onderzoek. De voorzieningenrechter volgt eiser niet in zijn standpunt dat zijn aanvraag niet inhoudelijk zal worden behandeld en dat hij om die reden geen opvang zou hebben.

16. Op grond van de aangepaste wetgeving valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet uit te sluiten dat eisers aanvraag met toepassing van paragraaf 51 van de nieuwe wetgeving (Act LXXX of 2007 on Asylum, inwerkingtreding 1 augustus 2015) niet toelaatbaar zal worden verklaard omdat hij in een veilig derde land heeft verbleven. Uit het Government Decree 191/2015 (VII.21) on national designation of safe countries of origin and safe third countries volgt dat Servië, als kandidaat-lid van de Europese Unie, door de Hongaarse autoriteiten als een veilig derde land wordt aangemerkt. Eiser is blijkens zijn relaas door dit land gereisd.

17. Uit de notitie van het HHC (Building a legal fence – Changes to Hungarian asylum law jeopardise access to protection in Hungary) van 7 augustus 2015 kan worden afgeleid dat Servië door het UNHCR, HHC en Amnesty International niet als een veilig derde land wordt beschouwd. Zelfs het Hongaarse Hooggerechtshof beschouwt Servië niet als zodanig en ook andere Europese lidstaten niet. Opgemerkt wordt dat de asielzoeker gehouden is te bewijzen in plaats van aannemelijk te maken dat hij niet in Servië om bescherming kon vragen. Er wordt op gewezen dat de aanvraag bij tegenwerping van deze grond versneld (paragraaf 51 onder 7 van de wet) kan worden afgedaan en dat de asielzoeker binnen drie dagen (paragraaf 51 onder 11 van de wet) dit bewijs dient te leveren. Voor een asielzoeker is dat vrijwel niet mogelijk omdat een asielsysteem in Servië in feite niet bestaat.

Nu de meeste asielzoekers Hongarije bereiken via Servië betekent deze afwijzingsgrond dat asielverzoeken in feite verworpen worden zonder dat een beoordeling van de gevraagde bescherming heeft plaatsgevonden en bestaat het risico van ketting-refoulement (punt 2 van de notitie). Ter zitting heeft verweerder erkend dat slechts een klein percentage asielzoekers in Hongarije in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.

18. Verder blijkt uit de notitie dat de verkorte termijnen het voor vrijwel alle asielzoekers onmogelijk maken om beroep in te dienen tegen de afwijzing van hun asielverzoek, onder meer vanwege het gebrek aan rechtsbijstand (punt 4 van de notitie). Weliswaar is sprake van gratis rechtsbijstand maar deze is niet eenvoudig beschikbaar. Procedures worden met ingang van 15 september 2015 versneld zodat het mogelijk wordt om binnen twaalf dagen een beslissing te nemen op een asielverzoek (ECRE, Elena Weekly Update, 11 september 2015). In voornoemde notitie van het HHC wordt verder gemeld dat sprake is van ernstige overbevolking in de asielcentra (punt 6 van de notitie). De wijziging van de wetgeving bepaalt dat Hongarije niet meer verplicht is opvang te verlenen aan asielzoekers die zelf geen accommodatie kunnen bekostigen (punt 6 van de notitie). In dit verband wijst de voorzieningenrechter nog op een interim measure van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 september 2015 die ziet op opschorting van de overdracht van een asielzoeker door de Oostenrijkse autoriteiten aan Hongarije. Daarbij is aan Oostenrijk gevraagd of met de Hongaarse autoriteiten contact is geweest over deugdelijke opvang van de betrokken vreemdeling, dit bezien tegen de grote toename van migranten in Hongarije (Vluchtweb, Vluchtelingenwerk Nederland).

19. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij slecht is behandeld door de autoriteiten en dat hij werd geslagen. Ook tijdens het gehoor van 3 augustus 2015 (pagina 10) heeft eiser in die zin verklaard. Eiser stelt dat hij onder dwang een asielaanvraag moest ondertekenen. De voorzieningenrechter overweegt dat uit landeninformatie moet worden afgeleid dat de Hongaarse regering in februari 2015 een buitenlandersonvriendelijk politieke campagne (politically motivated xenophobic scapegoating campaign) is gestart (HHC voormeld, punt 1). Ook worden maatregelen getroffen om een hek te bouwen langs de Hongaars-Servische grens (punt 1 van deze notitie) en wordt voorzien in strafbaarstelling van illegale grensoverschrijding (ECRE, Elena weekly Legal Update, 11 september 2015). De laatstgenoemde wettelijke maatregel staat op gespannen voet met artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gebrekkige opvangomstandigheden en de beperking van de rechten van asielzoekers, zoals beschreven onder 16, 17, 18, en 19, niet los kunnen worden gezien van voormelde politieke campagne. De opgesomde ontwikkelingen moeten in samenhang worden beoordeeld.

20. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of, en gemotiveerd dat, hij nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan ten aanzien van Hongarije, nu eiser, gelet op het hiervoor overwogene, een groot aantal feiten en omstandigheden heeft aangedragen die tot het ernstige vermoeden leiden dat Hongarije zijn verdragsverplichtingen jegens asielzoekers in het algemeen, en jegens eiser in het bijzonder, niet zal naleven.

21. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bovengenoemde omstandigheden een verslechtering betekenen ten opzichte van de situatie waarvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in haar uitspraak van 24 september 2014 (ECLI:NL:RVS: 2014:3588) is uitgegaan. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder deze informatie, die deels van zeer recente datum is, niet voldoende in zijn beoordeling heeft betrokken. Uit voormelde stukken is bovendien niet af te leiden dat teruggestuurde Dublinclaimanten, zoals eiser, beter zullen worden behandeld dan andere asielzoekers.

22. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient verweerder deze informatie in het kader van zijn vergewisplicht, zoals geformuleerd in het eerder aangehaalde arrest in de zaak van M.S.S. tegen België en Griekenland van het EHRM, daarom alsnog in zijn geheel en in samenhang te betrekken bij de beoordeling van de vraag of verweerder de behandeling van de asielaanvraag van eiser aan zich moet trekken op grond van artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de Dublinverordening, omdat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvang en de procedure van asielzoekers.

23. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond.

24. De voorzieningenrechter ziet gelet hierop geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

25. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.470,- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.470,- (veertienhonderdzeventig euro), te betalen aan eiser;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.