Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1104

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
C-09-470994 HA ZA 14-906
Rechtsgebieden
Civiel recht
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inbreuk Gemeenschapsmerk; Onrechtmatig aanhaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/470994 HA ZA 14-906

Vonnis van 4 februari 2015 (bij vervroeging)

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SAEPIO B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat: mr. M.P.V. den Engelsman te Rotterdam,

tegen

[gedaagde], h.o.d.n. [gedaagde] SECURITY,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. J.R. Ali te Rotterdam.

Eiseres zal hierna Saepio worden genoemd; gedaagde zal [gedaagde] worden genoemd.

De zaak is voor Saepio behandeld door de advocaat voornoemd en voor [gedaagde] door de advocaat voornoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 juli 2014, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de conclusie van antwoord van 17 september 2014;

  • -

    de brief met aanvullende producties 4b tot en met 7 van Saepio van 30 december 2014;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 januari 2015.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald, en vervolgens nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Saepio is een aanbieder van onder meer beveiligingsdiensten, en is houdster van het gemeenschapsbeeldmerk nr. 008845794, aangevraagd op 29 januari 2010 en geregistreerd voor waren in klasse 25 (kleding, schoeisel en hoofddeksels) op 27 juli 2010. De volgende afbeelding toont het beeldmerk:

2.2

[gedaagde] biedt beveiligingsdiensten aan, onder meer via zijn website. De homepage van zijn website op het adres www.hoekstrasecurity.nl toonde in februari 2014 het volgende:

2.3.

Saepio heeft [gedaagde] op 12 februari 2014 gesommeerd de inbreuk op haar beeldmerk en haar auteursrechten met betrekking tot haar beeldmerk/logo te staken.

2.4.

De contact-pagina van de website van [gedaagde] toonde op 24 december 2014 het volgende:

3 Het geschil

3.1.

Saepio vordert, zakelijk weergegeven, uitvoerbaar bij voorraad en op straffe van een dwangsom, een verbod van merkinbreuk althans onrechtmatig handelen met nevenvorderingen. Tevens vordert Saepio een verklaring voor recht met betrekking tot de gestelde merkinbreuk en het onrechtmatig handelen, alsmede vergoeding van haar schade, op te maken bij staat, en afdracht van de met de inbreuk genoten winst. Ook vordert Saepio een bedrag van € 3.000,- en proceskosten begroot op € 6.000,-, vermeerderd met de nakosten.

3.2.

Saepio legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] voor zijn beveiligingsdiensten een teken gebruikt dat identiek, althans soortgelijk is aan het merk van Saepio, hetgeen merkinbreuk onder artikel 9(1)(a), althans 9(1)(b) Verordening 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk (GMVo) oplevert. Het bedrag van € 3.000,- is een redelijke vergoeding voor het gebruik van het merk door [gedaagde] voorafgaand aan de procedure. Subsidiair stelt Saepio dat [gedaagde] door zijn gebruik van het merk bewust meelift op de reputatie van Saepio en verwarring veroorzaakt tussen de twee ondernemingen, waardoor Saepio schade lijdt. Meer subsidiair stelt Saepio dat [gedaagde] door dit handelen ongerechtvaardigd is verrijkt, zodat [gedaagde] uit dien hoofde de schade van Saepio dient te vergoeden.

3.3.

[gedaagde] betwist de merkinbreuk, het onrechtmatig handelen en de ongerechtvaardigde verrijking en betwist dat Saepio enige schade heeft geleden.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

De rechtbank is bevoegd van het voorliggende geschil kennis te nemen op grond van artikel 96 onder a en artikel 97 lid 1 jo. 98 GMVo in combinatie met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk omdat [gedaagde] woonplaats heeft in Nederland. Wat betreft het gestelde onrechtmatig handelen en de gestelde ongerechtvaardigde verrijking heeft de Nederlandse rechter (internationale) rechtsmacht op grond van artikel 2 van de Verordening (EG) 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheden, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, omdat [gedaagde] in Nederland zijn woonplaats heeft, en hoeft de relatieve bevoegdheid van de rechtbank, die niet langer door [gedaagde] wordt bestreden, niet ambtshalve te worden getoetst.

Merkinbreuk

4.2.

Het beeldmerk van Saepio is uitsluitend ingeschreven voor kleding, schoeisel en hoofddeksels (klasse 25). Saepio stelt primair dat [gedaagde] het merk voor beveiligingsdiensten (heeft) gebruikt. Beveiligingsdiensten zijn niet identiek of soortgelijk aan de waren waarvoor het merk is ingeschreven. Het gebruik van het merk voor beveiligingsdiensten is dus geen merkinbreuk onder artikel 9(1)(a), respectievelijk 9(1)(b) GMVo.

4.3.

Ter zitting heeft Saepio nog gesteld dat het in de rede ligt dat [gedaagde] het merk op zijn bedrijfskleding heeft aangebracht, en daarom het merk wel degelijk voor kleding (heeft) gebruikt. Daargelaten of genoemd gebruik onder de omstandigheden van dit geval merkgebruik voor kleding inhoudt, is een en ander door [gedaagde] betwist en verder op geen enkele wijze door Saepio onderbouwd, zodat genoemde stelling van Saepio als onvoldoende onderbouwd wordt gepasseerd. De vorderingen zullen daarom, voor zover gebaseerd op merkinbreuk, worden afgewezen.

Onrechtmatig handelen en ongerechtvaardigde verrijking

4.4.

Bij de beoordeling van het gestelde onrechtmatig handelen stelt de rechtbank voorop dat het profiteren van andermans ondernemersactiviteiten zonder dat dit in strijd is met een absoluut (intellectueel of industrieel eigendoms-) recht in beginsel niet onrechtmatig is, ook niet als daardoor nadeel voor die ander wordt veroorzaakt. Meer in het bijzonder geldt dat indien een derde een teken als merk gebruikt op een wijze die niet op grond van de specifieke merkenwetten kan worden verboden, de weg naar een actie op grond van artikel 6:162 BW, behoudens bijzonder omstandigheden, is afgesneden.

4.5.

Saepio stelt dat [gedaagde] het merk op zijn website, zijn bedrijfspand en zijn bedrijfswagens (heeft) gebruikt c.q. aangebracht. Deze omstandigheden zijn op zichzelf genomen naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in r.o. 4.4.. Daarnaast geldt, los van de vraag of [gedaagde] een (directe) concurrent is van Saepio en of het merk op zijn bedrijfspand en bedrijfswagens is aangebracht - wat door [gedaagde] gemotiveerd is betwist - dat van enige verwarring tussen beide bedrijven, alsmede schade voor Saepio als gevolg daarvan niet is gebleken. Ook om die reden is geen sprake van onrechtmatig handelen. De vorderingen, voor zover gebaseerd op onrechtmatige daad, zullen daarom worden afgewezen.

4.6.

Uit niets is verder gebleken dat [gedaagde] is verrijkt als gevolg van het gestelde ‘meeliften’ op de reputatie van Saepio, zodat de vordering tot schadevergoeding voor zover gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking ook niet slaagt.

Proceskosten

4.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Saepio worden veroordeeld in de proceskosten. Nu Saepio het door [gedaagde] gevorderde, en op € 3.500,- begrote salaris van de advocaat, kennelijk gebaseerd op artikel 1019h Rv, niet heeft bestreden zal dit bedrag worden toegewezen. Aan de zijde van [gedaagde] worden daarom de proceskosten tot op heden begroot op € 4.368,-, waarvan € 868,00 aan griffierecht en € 3.500,- aan salaris voor de advocaat. De wettelijke rente is niet bestreden en zal daarom worden toegewezen als gevorderd.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Saepio in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 4.368,-, te vermeerderen met wettelijke rente indien betaling hiervan binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis uitblijft.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2015.