Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:11020

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
20-10-2015
Zaaknummer
C/09/375210 / FA RK 10-7214
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 10-7214 (scheiding) / FA RK 11-3351 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/375210 (scheiding) / C/09/393197 (verdeling)

Datum beschikking: 22 september 2015

4 bij 1 advocaat

6 bij 2 advocaat

1 extra bij:

- last aan de Raad voor Rechtbijstand tot toevoeging advocaat ex 817 Rv

- Ipr zaak

- uitgebracht of uit te brengen rapport Raad voor de Kinderbescherming
– gezagswijziging ten behoeve van het gezagsregister

- Kostenveroordeling ex art. 243 rv

2 extra bij:

- Benoeming van elke deskundige

Scheiding

Beschikking op het op 7 september 2010 ingekomen verzoek van:

[verzoekster]

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: thans mr. S. Bhulai te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[verweerder]

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: thans mr. F.B.A. Verbeek te Nieuwegein.

Procedure

Bij beschikking van [datum] van deze rechtbank is – voor zover thans van belang – tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en de behandeling met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de huwelijksgemeenschap aangehouden opdat partijen stukken in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren. Voorts is bepaald dat partijen – voor zover van toepassing – aan elkaar en aan de rechtbank de volgende stukken dienen over te leggen:

 een onderbouwd voorstel tot hantering van een peildatum voor de waardebepaling,

 een overzicht van de samenstelling van de boedel en de waarde van de verschillende boedelbestanddelen op de peildatum (indien partijen over de peildatum van mening verschillen: op de verschillende voorgestelde peildata), waarbij partijen ervoor dienen zorg te dragen dat zij dezelfde boedelbestanddelen op dezelfde wijze aanduiden,

 indien verschil van mening bestaat over de waarde, een voorstel ten aanzien van de wijze waarop de waarde moet worden vastgesteld, vergezeld van een voorstel met betrekking tot de eventueel te benoemen taxateur(s),

 een voorstel tot verdeling,

 een geactualiseerd verdelingsschema,

 een recente WOZ-beschikking,

 een overzicht van de punten waarover partijen het ook na het door hen gevoerde overleg niet met elkaar eens zijn geworden.

Voorts is iedere verdere beslissing ten aanzien van de verzoeken van de vrouw op grond van artikel 843a Rv en tot verdeling van de huwelijksgemeenschap en de proceskosten aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- de brieven d.d. 12 en 13 oktober 2011, met bijlage(n) van de zijde van de man;

- het f-formulier d.d. 1 augustus 2012, met bijlage, van de zijde van de man;

- het faxbericht d.d. 15 februari 2013, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 17 februari 2015, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 12 augustus 2015, met bijlagen, van de zijde van de man;

- de brief d.d. 13 augustus 2015, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

Op 25 augustus 2015 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door de tolk in de Arabische taal de heer [naam] alsmede de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Bij genoemde brief d.d. 17 februari 2015 is van de zijde van de vrouw overgelegd de beschikking van deze rechtbank d.d. 6 februari 2015 waarbij het verzoek van de man tot vernietiging c.q. nietigverklaring van het door partijen in Egypte gesloten huwelijk is afgewezen. Voorts is bij deze brief overgelegd het bewijs van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 17 december 2013.

Aan de orde zijn thans nog het verzoek van de vrouw op grond van artikel 843a Rv, haar verzoek tot vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de proceskostenveroordeling.

Inzage of afschrift van bescheiden

Nu de man bij brief van 12 augustus 2015 diverse stukken heeft overgelegd met betrekking tot de omvang en de waarde van de huwelijksgemeenschap, gaat de rechtbank ervan uit dat de man voldaan heeft aan het verzoek van de vrouw tot inzage of afschrift van bescheiden met betrekking tot die huwelijksgemeenschap. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding meer tot toewijzing van de verzoeken van de vrouw.

Vaststelling verdeling huwelijksgemeenschap

De man heeft gesteld dat er geen huwelijksgemeenschap is, nu naar zijn mening partijen nooit getrouwd zijn geweest. De man heeft in dat verband gesteld dat er thans nog een cassatieprocedure loopt over de rechtsgeldigheid van het huwelijk.

De rechtbank gaat er, gezien genoemde beschikking van deze rechtbank d.d. 6 februari 2015, anders dan de man, van uit dat er sprake is geweest van een rechtsgeldig huwelijk en dat dit huwelijk inmiddels is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal dan ook bezien in hoeverre de verdeling van de huwelijksgemeenschap kan worden vastgesteld.

Peildatum

De rechtbank stelt voorop dat het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend op 7 september 2010. Dit betekent dat artikel 99 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen (1 januari 2012), van toepassing is en dat als peildatum van de omvang van de huwelijksgemeenschap in beginsel dient te gelden de datum van ontbinding van het huwelijk, in casu 17 december 2013. Ter bepaling van de waarde van de tot de gemeenschap behorende goederen dient in beginsel uitgegaan te worden van de waarde ten tijde van de feitelijke verdeling.

De vrouw heeft voorgesteld om voor de peildatum uit te gaan van de datum van indiening van het verzoekschrift, zoals thans na de inwerkingtreding van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen geldt. De vrouw heeft naar voren gebracht dat het niet redelijk en billijk zou zijn om de datum van de feitelijke verdeling te hanteren, omdat volgens haar de man de echtscheiding heeft getraineerd door allerlei procedures te voeren.

De man heeft primair als peildatum voorgesteld 11 juni 2008, nu hij er van uitgaat dat het huwelijk tussen partijen nietig is. De man heeft subsidiair voorgesteld uit te gaan van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, zowel voor wat betreft de omvang als de waarde van de huwelijksgemeenschap.

Nu partijen het niet eens kunnen worden over de peildatum, hanteert de rechtbank de wettelijke peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap, zoals gold voor de inwerkingtreding van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen, in casu van 17 december 2013. De rechtbank ziet geen aanleiding uit te gaan van de door de vrouw voorgestelde datum, nu niet aannemelijk is geworden dat de man de echtscheiding heeft getraineerd. De man is van mening dat het huwelijk nietig is en hij heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hierover te procederen. Dat de man in deze procedures in het ongelijk is gesteld, houdt niet zonder meer in dat er sprake is geweest van traineren van de verdeling. De rechtbank ziet evenmin aanleiding uit te gaan van de door de man primair voorgestelde peildatum van 11 juni 2008, nu in rechte is vastgesteld dat er sprake is van een huwelijk en dit huwelijk inmiddels is geëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De rechtbank zal uit praktisch oogpunt ook voor de waardering van de huwelijksgemeenschap uitgaan van de datum ontbinding van het huwelijk, derhalve van 17 december 2013. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat partijen reeds lange tijd uit elkaar zijn en dat ook de man voor wat betreft de waardering van de huwelijksgemeenschap is uitgegaan van deze datum.

Omvang huwelijksgemeenschap

Op grond van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht dienen de volgende bestanddelen bespreking:

  1. de woning aan de [adres] te [plaats] en de daarop rustende hypotheek;

  2. de inboedel;

  3. de persoonlijke goederen van de vrouw;

  4. de auto, Renault Clio;

  5. de schulden.

Voor zover de man het standpunt heeft ingenomen dat er aan de zijde van de vrouw nog activa in Egypte en Libië zijn die in de verdeling betrokken moeten worden, zal de rechtbank hieraan voorbij gaan, nu naar het oordeel van de rechtbank dit standpunt tardief is ingenomen en de man zijn standpunt op geen enkele wijze heeft onderbouwd, terwijl de vrouw een en ander heeft betwist.

Ad 1. De woning en de daarop rustende hypotheek

Niet in geschil is dat de woning aan de [adres] te [plaats] op 3 maart 2007 is verkocht voor een bedrag van € 250.000,-- aan de broer van de man en dat de akte van levering zal worden gepasseerd uiterlijk op 12 januari 2028. Nu de woning nog niet is geleverd valt de woning naar het oordeel van de rechtbank in de ontbonden en nog te verdelen gemeenschap van goederen. Tevens is niet in geschil dat van genoemde koopsom reeds een bedrag van € 80.000,-- is voldaan en dat dit bedrag niet meer aanwezig was op de peildatum. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank uitgaan van een waarde van de woning op de peildatum van € 250.000,-- minus € 80.000,--, derhalve € 170.000,--.

Blijkens de door de man overgelegde stukken was de hoogte van de op de woning rustende hypotheek op de peildatum in totaal € 152.470,--. Dit betekent dat er sprake is van een overwaarde van € 17.530,--, welk bedrag voor verdeling in aanmerking komt. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen het erover eens zijn dat de woning wordt toebedeeld aan de man en zij zal aldus beslissen.

Ad 2. De inboedel

De vrouw heeft gesteld dat bij het verlaten van de woning, de woning was voorzien van een gehele inboedel, waaronder meubilair, een TV, een wasmachine en een koelkast. De vrouw heeft de waarde van de inboedel geschat op € 10.000,--.

De man heeft betwist dat er thans nog inboedel te verdelen valt en dat de eventuele inboedel een waarde vertegenwoordigd van € 10.000,--.

Niet is komen vast te staan welke inboedel op de peildatum nog in de echtelijke woning aanwezig was en niet duidelijk is geworden in hoeverre reeds een feitelijke verdeling van de inboedel heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat de vrouw de door haar genoemde waarde van de inboedel op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Dit alles leidt er toe dat de rechtbank er van uit moet gaan dat de inboedel niet meer verdeeld hoeft te worden en

dat ieder der partijen behoudt wat hij of zij thans onder zich heeft.

Ad 3. De persoonlijke goederen van de vrouw

De vrouw heeft een lijst overgelegd van persoonlijke goederen die zij in de woning heeft achtergelaten bij het verlaten van de woning. De vrouw heeft aangegeven dat zij deze goederen terug wil of dat de man anders de waarde van die goederen van € 5.517,-- aan haar dient te voldoen.

Nu, gelet op de betwisting door de man, niet is komen vast te staan dat er nog persoonlijke goederen van de vrouw in de woning aanwezig waren op de peildatum of thans nog zijn en de vrouw bovendien de waarde van deze door haar bedoelde persoonlijke goederen op geen enkele wijze heeft onderbouwd, zal de rechtbank de door de vrouw genoemde persoonlijke goederen niet in de verdeling kunnen betrekken.

Ad 4. De auto, Renault Clio

De man heeft de waarde van de auto per peildatum gesteld op een bedrag van € 2.000,--.

Dat de auto total loss was op dat moment, heeft de man niet nader onderbouwd zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. De vrouw heeft deze waarde niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen het er over eens zijn dat de auto wordt toebedeeld aan de man tegen voornoemde waarde. De vrouw maakt aanspraak op de helft van genoemd bedrag.

Ad 5. De schulden

Van de door de man opgevoerde schulden zal de rechtbank slechts de volgende, als voldoende onderbouwde, schulden per peildatum in de verdeling betrekken:

 de schuld bij de ING van € 14.853,--;

 de belastingschulden betreffende de jaren 2012 en 2013 van respectievelijk € 3.207,-- en € 2.828,--.

Voor de overige schulden geldt dat de man deze tegenover de betwisting door de vrouw niet heeft onderbouwd, noch heeft hij tijdig aan de rechtbank en aan de vrouw stukken met betrekking tot deze schulden overgelegd. Ook is niet vast te stellen in hoeverre de overige schulden reeds of nog bestonden op de peildatum.

De rechtbank gaat er van uit dat partijen het erover eens zijn geworden dat de man, in afwijking van de wettelijke uitgangspunten, de schulden bij ING en bij de Belasting als eigen schuld voor zijn rekening zal nemen. Mede gelet op het schriftelijkheidsvereiste van artikel 1:100 BW, ingeval partijen afwijken van de wettelijke uitgangspunten, hebben partijen belang bij vastlegging hiervan.

Het voorgaande neemt niet weg dat in het kader van de verdeling de vrouw ter zake van deze schulden de helft van genoemde bedragen aan de man verschuldigd is.

Gezien de overwaarde van de woning, de waarde van de auto en de hoogte van de schulden, komt de rechtbank tot het oordeel dat bij afronding van de genoemde bedragen er geen positief dan wel negatief vermogen overblijft en dat partijen bij vaststelling van voormelde verdeling gelijkelijk zijn bedeeld en over en weer niets aan elkaar verschuldigd zijn. De rechtbank zal derhalve beslissen als na te melden. De rechtbank merkt ten overvloede op dat zij er van uitgaat dat er voor het overige niets meer te verdelen valt.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

stelt de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap als volgt vast:

1. aan de man worden zonder nadere verrekening toebedeeld:

1.1

de woning aan de [adres] te [plaats] en de daarop rustende hypotheek tegen de hierboven genoemde waarden;

1.2

de auto, Renault Clio, tegen de hierboven genoemde waarde;

2. stelt vast dat in de onderlinge verhouding van partijen en in afwijking van de wettelijke uitgangspunten de man de volgende schulden (per peildatum 17 december 2013):

 de schuld bij de ING van € 14.853,--;

 de belastingschulden betreffende de jaren 2012 en 2013 van respectievelijk € 3.207,-- en € 2.828,--;

als eigen schulden voor zijn rekening neemt, een en ander zonder nadere verrekening;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijs af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M.A. Keulen, J. Visser en K.M. Braun, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2015.