Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10972

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2266
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet 13, geldigheid: 2015-10-16
Algemene Ouderdomswet 33a, geldigheid: 2015-10-16
Algemene Ouderdomswet 33a, geldigheid: 2015-10-16
Uitvoeringsbesluit koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen 1, geldigheid: 2015-10-16
Tijdelijke regeling inkomensondersteuning AOW-pensioengerechtigden 3, geldigheid: 2015-10-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/2266

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat de door hem maandelijks te ontvangen Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (tegemoetkoming KOB) van € 25,12 per 1 januari 2015 wordt vervangen door een maandelijks te ontvangen bedrag van € 24,84 op grond van de inkomensondersteuning Algemene Ouderdomswet (AOW).

Bij besluit van 11 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die is vergezeld door [vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1.1

Eiser is met ingang van de maand mei 2002 in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd in aanmerking gebracht voor een AOW-pensioen, waarop wegens een niet-verzekerde periode van een jaar ingevolge artikel 13 van de AOW een korting is toegepast van 2% wegens werkzaamheden bij de volkenrechtelijke verdragsorganisatie NAVO. Bij uitspraak van 11 september 2003 heeft deze rechtbank het door eiser tegen de korting op zijn AOW-pensioen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel ingesteld.

1.2

Eiser ontvangt sinds 1 juni 2011 op zijn AOW-pensioen een tegemoetkoming KOB op grond van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (Wet mkob). Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser meegedeeld dat met de intrekking van de Wet mkob per 1 januari 2015 de tegemoetkoming KOB per 1 januari 2015 vervalt en wordt vervangen door de inkomensondersteuning AOW op grond van de AOW. Het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat de wetgeving rond de intrekking van de Wet mkob en de invoering van de inkomensondersteuning AOW op een bewuste keuze van de wetgever is gebaseerd. Verweerder is gehouden om deze wetgeving uit te voeren. Verweerder meent dat met de afschaffing van de tegemoetkoming KOB weliswaar sprake is van inbreuk op het eigendomsrecht van eiser, maar dat deze inbreuk geen strijd oplevert met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu de maatregel bij wet is voorzien, een legitieme doelstelling heeft en proportioneel is te achten.

3. In beroep heeft eiser in hoofdzaak aangevoerd dat hier sprake is van onbehoorlijk bestuur en dat hij als verzekerde rechten heeft opgebouwd waarvoor premie is betaald. Er is volgens hem sprake van niet toelaatbare eigendomsontneming, aangezien de AOW-pensioenkorting van 2% ten onrechte doorwerkt op de inkomensondersteuning AOW. Eiser vindt dat discriminatoir en acht de invoering van de inkomensondersteuning AOW daarom onrechtmatig.

4.1

Bij Wet van 28 januari 2015 tot wijziging van de AOW, de Wet financiering sociale verzekeringen, de Participatiewet en de Wet op de huurtoeslag in verband met het toekennen van een inkomensondersteuning aan personen die een uitkering ontvangen op grond van de AOW en intrekking van de Wet mkob (de Wet van 28 januari 2015) is in artikel I met ingang van 1 februari 2015 artikel 33a in de AOW ingevoerd.

4.2

Artikel 33a, eerste lid, van de AOW bepaalt, voor zover hier van belang, dat degene die recht heeft op een ouderdomspensioen en woonachtig is in Nederland tevens recht heeft op een inkomensondersteuning.

4.3

Artikel 33a, tweede lid, van de AOW bepaalt dat in de gevallen dat op het ouderdomspensioen met toepassing van artikel 13 van de AOW een korting wordt toegepast, op de inkomensondersteuning een evenredige korting wordt toegepast.

4.4

Artikel 33a, zevende lid, van de AOW bepaalt dat besluiten tot toekenning van inkomensondersteuning op grond van de Tijdelijke regeling inkomensondersteuning AOW-pensioengerechtigden worden aangemerkt als besluiten tot toekenning van inkomensondersteuning op grond van dit artikel.

4.5

Artikel V van de Wet van 28 januari 2015 bepaalt dat de Wet mkob wordt ingetrokken.

4.6

Artikel I van het Besluit van 27 juni 2014 tot Wijziging van het bedrag, genoemd in artikel 1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (Stb. 2014, 242) wijzigt artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen en bepaalt dat de tegemoetkoming KOB per 1 januari 2015 op € 0,00 wordt gesteld.

4.7

Artikel 3 van de Tijdelijke regeling inkomensondersteuning AOW-pensioengerechtigden bepaalt met ingang van 1 januari 2015 - samengevat - dat de pensioengerechtigde die woonachtig is in Nederland recht heeft op een inkomensondersteuning.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat de wetgever al in de Miljoenennota 2014 heeft aangekondigd de tegemoetkoming KOB als onderdeel van een groter pakket aan maatregelen te willen afschaffen. Aanleiding daartoe was de noodzaak tot bezuinigingen als gevolg van de aanhoudende economische crisis en de oplopende begrotingstekorten, waardoor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën onder druk kwam te staan. Ter verzachting van de effecten van de afschaffing van de tegemoetkoming KOB was de invoering beoogd van een inkomensondersteuning voor ouderen in de AOW. Vooruitlopend op de definitieve wettelijke vormgeving per 1 februari 2015 heeft de wetgever de Tijdelijke regeling inkomensondersteuning getroffen, waarmee de inkomensondersteuning AOW reeds per 1 januari 2015 is ingevoerd.

5.2

Bij de invoering van de inkomensondersteuning AOW is aansluiting gezocht bij het opbouwstelsel van de AOW, met dien verstande dat indien op het ouderdomspensioen op grond van artikel 13 van de AOW een korting wordt toegepast, een evenredige korting plaatsvindt op de inkomensondersteuning AOW. Dat betekent dat op de inkomensondersteuning AOW, op dezelfde wijze als op het ouderdomspensioen, een korting van 2% wordt toegepast voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde gedurende de opbouwjaren van de AOW niet verzekerd is geweest.

6. Eisers betoog dat de afschaffing van de tegemoetkoming KOB getuigt van onbehoorlijk bestuur en dat degenen die rechten hebben opgebouwd waarvoor premie is betaald niet mogen boeten voor dit onbehoorlijk bestuur, slaagt niet. De wetgever is namelijk bevoegd om bestaande regelgeving te wijzigen en onderhavige wettelijke regeling is overeenkomstig de geldende wetgevingsprocedure tot stand gekomen. Van onbehoorlijk bestuur is daarom geen sprake. Voor zover eiser met deze beroepsgrond de rechtvaardigheid van deze wettelijke maatregel wil betwisten, wijst de rechtbank er op dat het de rechter, gelet op artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, niet vrij staat te treden in een beoordeling van de innerlijke waarde en billijkheid van wettelijke voorschriften. Ingevolge de uitleg van de Hoge Raad (HR) van deze wetsbepaling (die nog steeds actueel is, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015: 1961) is het de rechter evenmin toegestaan om wetten in formele zin te toetsen aan algemene rechtsbeginselen, tenzij moet worden aangenomen dat het effect van de wettelijke regeling door de wetgever niet is voorzien en niet is gewenst (HR 14 april 1989, NJ 1989, 469). Van deze laatste situatie is geen sprake, zoals al volgt uit wat de rechtbank hiervoor onder 5.1 heeft vastgesteld.

7. Het betoog van eiser dat hij door de op de inkomensondersteuning AOW doorwerkende korting van 2% wordt gediscrimineerd ten opzichte van hen, die een ongekorte inkomensondersteuning AOW genieten, faalt. Van ongelijke behandeling van gelijke gevallen is immers geen sprake. Eiser is nu eenmaal vanwege zijn werkzaamheden bij de NAVO gedurende een jaar niet verzekerd geweest en verschilt in zoverre van hen die wel een volledig ouderdomspensioen hebben opgebouwd. Nog afgezien van het voorgaande, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank voor de wettelijke regeling als hier van toepassing een toereikende objectieve rechtvaardiging. Deze is gelegen in het karakter van het opbouwstelsel van de AOW.

Het opbouwstelsel gaat uit van de basisgedachte van een volksverzekering, dat de overheid van een land sociale bescherming uit hoofde van een verplichte verzekering biedt aan personen die op basis van ingezetenschap een voldoende band hebben met dat land. De rechtbank is van oordeel dat dit objectieve criterium een gerechtvaardigd doel dient en dat de middelen voor het bereiken van dit doel, ook waar het gaat om toepassing van dit criterium in de inkomensondersteuning AOW, passend en noodzakelijk zijn. Van verboden discriminatie is dus geen sprake.

8. De beroepsgrond van eiser dat de afschaffing van de tegemoetkoming KOB is aan te merken als een ongeoorloofde ontneming van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM slaagt evenmin. De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft erkend dat inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van eiser, maar dat die inbreuk niet ongerechtvaardigd is. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder. In de eerste plaats is daarvoor van belang dat de afschaffing van de tegemoetkoming KOB steunt op een wettelijke grondslag. De rechtbank acht hier tevens een legitieme doelstelling in het algemeen belang aanwezig en overweegt daartoe dat de wetgever in zijn algemeenheid op het terrein van de sociale zekerheidswetgeving een grote beleidsvrijheid toekomt, waartoe ook, zoals hier aan de orde, maatregelen behoren in het kader van de houdbaarheid en toegankelijkheid van sociale regelingen die door de economische crisis onder druk zijn komen te staan. Ten aanzien van de proportionaliteit van de maatregel acht de rechtbank van belang dat de wetgever na de aankondiging een periode van zes maanden in acht heeft genomen voordat de afschaffing van de tegemoetkoming KOB per 1 januari 2015 werd geëffectueerd. Voorts heeft de wetgever met de gelijktijdige invoering per 1 januari 2015 van de inkomensondersteuning AOW de inkomenseffecten samenhangend met de afschaffing van de tegemoetkoming KOB naar het oordeel van de rechtbank, ook in het geval van eiser, dusdanig verzacht, dat niet kan worden gesproken van een onevenredig zware last.

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden beslist dat eisers tegemoetkoming KOB van € 25,12 bruto per maand met ingang van 1 januari 2015 wordt vervangen door de inkomensondersteuning AOW naar een bedrag van € 24,84 bruto per maand.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, voorzitter, mr. drs. H.M. Braam en

mr. drs. D. Biever, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.