Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10956

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2273
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij vijf afzonderlijke brieven eiseres verzocht tot terugbetaling van bijdragen uit het btw-compensatiefonds. Over deze brieven wordt geprocedeerd voor de belastingrechter. Uiteindelijk beslist de Hoge Raad dat de brieven geen beschikkingen zijn als bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet op het BTW compensatiefonds. De Hoge Raad verwijst de zaak naar de Rechtbank die moet onderzoeken of de brieven beschikkingen zijn als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

De rechtbank overweegt dat het met de brieven beoogde rechtsgevolg slechts kan worden bereikt met een beschikking in de zin van artikel 9, vierde lid, van de Wet op het BTW compensatiefonds. Nu de Hoge Raad heeft beslist dat de brieven niet kunnen worden aangemerkt als dergelijke beschikkingen, kan daaraan ook niet het door verweerder beoogde rechtsgevolg worden verbonden. De brieven zijn dus geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. De rechtbank, in haar hoedanig van bestuursrechter, verklaart zich daarom onbevoegd.

Wetsverwijzingen
Wet op het BTW-compensatiefonds 9
Wet op het BTW-compensatiefonds 3
Wet op het BTW-compensatiefonds 9
Wet op het BTW-compensatiefonds 9
Wet op het BTW-compensatiefonds 9
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2237
V-N 2015/63.3 met annotatie van Redactie
NTFR 2015/3079 met annotatie van Drs. M.J.M.A. Toet
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 15/2273, SGR 15/4372, SGR 15/4373, SGR 15/4374 en SGR 15/4375

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2015 in de zaak tussen

[eiseres] gevestigd te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

[P] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij vijf afzonderlijke brieven van 25 november 2008 (de brieven) eiseres verzocht de hierna vermelde bijdragen uit het BTW-compensatiefonds (hierna: Bcf) over de hierna vermelde jaren terug te betalen:

BTW

Heffingsrente

Jaar

Nummer

€ 66.290

€ 13.476

2003

[nummer 1]

€ 39.900

€ 6.415

2004

[nummer 2]

€ 123.370

€ 14.517

2005

[nummer 3]

€ 57.553

€ 4.189

2006

[nummer 4]

€ 234.140

€ 4.928

2007

[nummer 5]

Eiseres heeft tegen de brieven in één geschrift bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 april 2010 het bezwaar afgewezen. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld en bij uitspraak van 13 juli 2011 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft eiseres hoger beroep en heeft verweerder incidenteel hoger beroep ingesteld en bij uitspraak van 11 januari 2013 heeft het Gerechtshof Den Haag (het Hof) het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ongegrond verklaard.

Tegen de uitspraak van het Hof heeft eiseres beroep in cassatie en verweerder incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 16 januari 2015 heeft de Hoge Raad der Nederlanden (de Hoge Raad) het incidentele beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard en het principale beroep in cassatie gegrond, de uitspraak van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar de rechtbank.

Verweerder heeft schriftelijk op het arrest gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015 te Den Haag.

Namens eiseres zijn [vertegenwoordigers 1] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen [vertegenwoordigers 2]

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op de voet van artikel 9, lid 2, van de Wet op het BTW‑compensatiefonds (Wet Bcf) voor elk van de jaren 2003 tot en met 2007 opgaven (de opgaven) gedaan van de bijdragen uit het BTW-compensatiefonds waarop zij volgens haar recht heeft ter financiering van de in artikel 3 van de Wet Bcf omschreven bedragen aan omzetbelasting. Verweerder heeft telkens na afloop van elk kalenderjaar overeenkomstig de opgaven, de bijdragen op de voet van artikel 9, lid 3, van de Wet Bcf bij beschikking vastgesteld.

2. In 2010 heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de opgaven, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een onderzoeksrapport dat is gedagtekend 10 november 2008 (het controlerapport).

3. Op basis van het controlerapport heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres in de opgaven ten onrechte bepaalde bedragen aan omzetbelasting heeft opgenomen. Bij de brieven heeft verweerder eiseres vervolgens als volgt bericht:

“Betreft:

Terugvordering compensabele BTW

(...)

U heeft over het tijdvak (…)te veel compensabele BTW ontvangen. Het gaat om een bedrag van € (…). Daarnaast bent u over dit bedrag heffingsrente verschuldigd. (…). Ik verzoek u de teveel ontvangen compensabele BTW inclusief heffingsrente, bedragende in totaal € (…), vóór 10 december 2008 over te maken (...) onder vermelding van aanslagnummer [aanslagnummer]

(...)"

4. Anders dan de rechtbank en het Hof oordeelt de Hoge Raad dat de brieven niet kunnen worden aangemerkt als beschikkingen in de zin van dat artikellid en de bezwaren van eiseres daarom niet kunnen worden aangemerkt als bezwaarschriften die zijn gericht tegen een beschikking als bedoeld in artikel 9, zevende lid, van de Wet Bcf. De Hoge Raad heeft het geding verwezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing van de zaak en daartoe overwogen: “De desbetreffende besluiten vallen niet binnen de rechtsmacht van de belastingrechter, maar binnen die van de algemene bestuursrechter. Anders dan middel 1 van het principale beroep voor het overige betoogt, noopt de omstandigheid dat de brieven geen vaststellingen zijn in de zin van artikel 9, lid 4, van de Wet, derhalve niet tot de conclusie dat de brieven dan geen beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb bevatten.

Het vorenstaande brengt mee dat, (…), het Hof de uitspraak van de rechtbank had behoren te vernietigen en de zaak had moeten terugwijzen naar de Rechtbank teneinde het beroep te beoordelen als te zijn ingesteld op grond van de Awb en als te zijn gericht tegen enkel het besluit tot terugvordering.”

Beoordeling

5. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat dient te worden beoordeeld of de brieven besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een besluit in de zin van dit artikellid is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

6. Een publiekrechtelijke rechtshandeling is een handeling van een bestuursorgaan met een daarmee beoogd rechtsgevolg. Van een rechtsgevolg is pas sprake wanneer als gevolg van de handeling een bevoegdheid, recht of verplichting ontstaat dan wel teniet wordt gedaan. Verweerder beoogt met de brieven weliswaar het doen ontstaan van een formele schuld van eiseres, maar dat rechtsgevolg kan slechts worden bereikt met een beschikking in de zin van artikel 9, vierde lid, van de Wet Bcf. Nu de Hoge Raad heeft beslist dat de brieven niet kunnen worden aangemerkt als dergelijke beschikkingen, kan daaraan ook niet het door verweerder beoogde rechtsgevolg worden verbonden. Een afzonderlijke bevoegdheid tot het vaststellen van de schuld of aanspraak van een gemeente in verband met aanspraken op bedragen uit het BTW compensatiefonds, los van artikel 9, lid 4, van de Wet Bcf en gebaseerd op het algemene bestuursrecht, heeft verweerder niet.

Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de brieven geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Geschillen over als gevolg van de brieven al dan niet onverschuldigd gedane betalingen kunnen partijen voorleggen aan de burgerlijke rechter. De rechtbank, in haar hoedanigheid van bestuursrechter, zal zich in dit geding onbevoegd verklaren.

Proceskosten

7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. G.J. Ebbeling en mr. H.W.M. van Kesteren, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.