Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10942

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
15_3945 WSFBSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft op 9 maart 2015 bezwaar gemaakt tegen een beschikking van 6 december 2014 inzake de terugbetaling van zijn studieschuld. In geschil is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank acht dit, met hetgeen eiser heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt en verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/3945

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2015 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats] ([land]), eiser

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

De bestreden beslissing op bezwaar

De beslissing van verweerder van 21 april 2015, waarbij het bezwaar van eiser tegen de hierna onder 4 te noemen beschikking niet-ontvankelijk is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2015.

Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 10 augustus 2015 aan [eiser] op het adres [adres] te [woonplaats], [land], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Omdat uit informatie van Deutsche Post is gebleken dat de brief op 18 augustus 2015 op genoemd adres aan de partner van eiser,

[partner], is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Bij bericht van 6 januari 2014 heeft verweerder eiser geïnformeerd over zijn studieschuld per 1 januari 2014 en de wijze waarop deze dient te worden terugbetaald. Het terug te betalen bedrag per maand bedraagt € 786,89 en dient voor het einde van de maand op de rekening van verweerder te zijn bijgeschreven.

2. Eiser heeft gedurende 2014 achterstand in de terugbetaling van de studieschuld opgelopen en heeft op 6 oktober 2014 telefonisch aangegeven het openstaande bedrag niet in één keer te kunnen voldoen. Bij brief van 13 oktober 2014 heeft verweerder eiser voor de termijnen januari 2014 tot en met oktober 2014 een betalingsregeling aangeboden.

3. Met dagtekening 24 oktober 2014 heeft eiser verzocht om verlaging van de maandelijkse afbetaling van zijn studieschuld.

4. Met dagtekening 6 december 2014 heeft verweerder aan eiser een beschikking (de beschikking) gestuurd met betrekking tot de terugbetaling van zijn studieschuld.

5. Met dagtekening 9 maart 2015 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Het bezwaar is bij de bestreden beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

6. In geschil is of het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

7. Vast staat dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Beoordeeld dient te worden of de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

8. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij het bezwaarschrift zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd heeft ingediend. Eiser heeft aangevoerd dat het feit dat hij pas op 9 maart 2015 bezwaar heeft gemaakt, voortvloeit uit de burn-out waardoor hij in 2012 is getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de gedingstukken volgt dat eiser in oktober 2014, voorafgaand aan de beslissing op bezwaar, telefonisch contact heeft gehad met verweerder en vervolgens schriftelijk heeft verzocht om verlaging van de maandelijkse afbetaling van zijn studieschuld. Niet valt in te zien waarom eiser redelijkerwijs niet is staat was om tijdig bezwaar te maken hetzij iemand hiervoor te machtigen om dit namens hem te doen, terwijl hij voorafgaande aan de bestreden beslissing zelf telefonisch en schriftelijk met verweerder contact heeft gezocht. Er kan aldus geen sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding ex artikel 6:11 van de Awb.

9. Gelet op het voorgaande is het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr.dr. N. Djebali, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.