Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10906

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-09-2015
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
09/857671-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 23 jarige man, die betrokken was bij een steekincident op 14 december 2014 waarbij de 27-jarige Pierre Weymans om het leven kwam, ontslagen van rechtsvervolging. Dat betekent dat de verdachte geen straf opgelegd krijgt. De rechtbank is van oordeel dat hij zich terecht op zelfverdediging beroept.

Vast staat dat Pierre Weymans is overleden aan de gevolgen van steekwonden die de verdachte hem tijdens een worsteling heeft toegebracht. Weymans raakte betrokken in een vechtpartij tussen zijn vriend en de verdachte. Uit de verklaringen van vele onafhankelijke getuigen volgt dat Weymans verdachte daarbij in een houdgreep heeft genomen waardoor verdachte geen kant meer op kon en niet kon ontsnappen. Op hetzelfde moment heeft de vriend van Weymans verdachte volgens die getuigen meerdere malen hard op zijn rug geschopt en geslagen met de gesp van een riem, zo hard dat omstanders dat onaanvaardbaar vonden en op het punt stonden in te grijpen. De combinatie van de houdgreep en het slaan en schoppen maakt dat verdachte zich in een situatie bevond waarin hij zich mocht verdedigen. Weliswaar is hij daarbij de grenzen van verdediging te buiten gegaan, want het toebrengen van vier steken was niet noodzakelijk, maar de rechtbank gaat er van uit dat dit is gebeurd onder invloed van de emoties die de houdgreep en het slaan bij verdachte veroorzaakten. Daarom handelde verdachte uit zelfverdediging in de vorm van noodweerexces.

De verdachte is in een andere zaak wegens mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/857671-14 en 09/129986-13 (tul)

Datum uitspraak: 21 september 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,

adres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 7 september 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.A. Pronk en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. L.E. Buiting, advocaat te Gouda, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 december 2014 te Alphen aan den Rijn [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal te steken met een mes in de lies (aan de rechterzijde) en/of in het (rechter) (boven)been van die [slachtoffer] ;

Subsidiair

hij op of omstreeks 14 december 2014 te Alphen aan den Rijn aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten letsel aan de grote dijbeenader en/of de dijbeenslagader, waardoor fors bloedverlies is ontstaan en/of multi-orgaanfalen en/of doorbloedingsstoornissen), heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal te steken met een mes in de lies (aan de rechterzijde) en/of in het (rechter) (boven)been van die [slachtoffer] , terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 14 december 2014 te Alphen aan den Rijn opzettelijk een

persoon (te weten [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal heeft gestoken

met een mes in de lies (aan de rechterzijde) en/of in diens (rechter)

(boven)been, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3. Inleiding; aard van de zaak, vaststaande feiten en te beantwoorden vragen

Deze zaak betreft een gebeurtenis met zeer tragische afloop te Alphen aan den Rijn in de vroege ochtend van zondag 14 december 2014. Omtrent die gebeurtenis hebben de volgende feiten bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan zodat die als vaststaand kunnen gelden.

Nadat diverse uitgaansgelegenheden gesloten waren, bevonden zich in het centrum van Alphen aan den Rijn vele mensen op straat, waaronder verdachte. Deze heeft rond 04.45 uur diverse personen aangesproken met de vraag of zij hem een vloei konden verschaffen. Onder deze door verdachte aangesproken personen bevonden zich ook [slachtoffer] en diens vriend [getuige 1] . Er heeft vervolgens een woordenwisseling plaatsgevonden die er onder meer in heeft geresulteerd dat verdachte en [getuige 1] hun riemen hebben getrokken waarna verdachte ook een mes heeft getrokken en dat vervolgens weer heeft opgeborgen. Hierna is de woordenwisseling voortgezet tussen verdachte en [getuige 1] . Die woordenwisseling is uitgemond in een schermutseling waarbij is geslagen. [slachtoffer] , die zich inmiddels op enige afstand van verdachte en [getuige 1] bevond, is vervolgens op [getuige 1] en verdachte afgekomen en heeft verdachte tegen de grond gewerkt. Tijdens de schermutseling die aldus is ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer] heeft verdachte [slachtoffer] vier maal met een mes in het rechter bovenbeen gestoken. [slachtoffer] en verdachte zijn daarna opgestaan en ieder hun weg gegaan. Verdachte heeft het mes in een prullenbak gedeponeerd en is op de fiets vertrokken. [slachtoffer] heeft nog een korte afstand gelopen, maar werd rond 05.00 uur hevig bloedend op het wegdek aangetroffen. Hij is naar het LUMC te Leiden vervoerd, en daar op 22 december 2014 overleden aan de door hem opgelopen verwondingen. Bij het pathologisch onderzoek is vastgesteld dat [slachtoffer] vier steekwonden heeft opgelopen in het rechterbeen. Door één van die steken zijn de grote dijbeenader en de dijbeenslagader, geraakt en geperforeerd. Dit heeft groot bloedverlies veroorzaakt wat heeft geleid tot multi-orgaanfalen en doorbloedingsproblemen ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Gelet op hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd dient de rechtbank te beoordelen of hij zich door zijn handelen heeft schuldig gemaakt aan doodslag dan wel aan (al dan niet zware) mishandeling, de dood ten gevolge hebbende. Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of, zo er een feit is bewezenverklaard, dat feit strafbaar is en de verdachte strafbaar, in welk kader een uitspraak moet worden gedaan omtrent een beroep door verdachte op noodweer subsidiair noodweerexces. Mocht dat beroep van verdachte niet opgaan, dan dient een oordeel te worden gegeven over de strafmaat mede in het licht van de door de officier van justitie op dat punt geformuleerde eis.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard dat verdachte het primair tenlastegelegde, doodslag, heeft begaan. De officier van justitie heeft daartoe betoogd dat verdachte door zijn handelen geacht moet worden het voorwaardelijk opzet op levensberoving van [slachtoffer] te hebben gehad.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte de dood van [slachtoffer] niet heeft gewild, noch de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] door hem in zijn been te steken zou komen te overlijden. Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Het primair tenlastegelegde (doodslag)

De rechtbank acht de aan verdachte primair tenlastegelegde doodslag niet wettig en overtuigend bewezen. In elk geval is niet bewezen (zoals ook door de officier van justitie betoogd) dat verdachte willens en wetens ingevolge een daarop gerichte handeling [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Anders dan de officier van justitie beantwoordt de rechtbank de vraag of bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op levensberoving van [slachtoffer] eveneens ontkennend. Daartoe is redengevend dat de kans dat het steken met een mes in het bovenbeen de dood ten gevolge heeft naar algemene ervaringsregels niet aanmerkelijk is te achten. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.

Het subsidiair tenlastegelegde (zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende)

De rechtbank acht het aan verdachte subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte dit feit heeft bekend en de raadsman van verdachte geen vrijspraak heeft bepleit is de rechtbank van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan. De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen.

- de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 september 2015;

- het proces-verbaal van de politie Eenheid Den Haag, district Rijn- en Veenstreek nr. PL1500-2014323016-3, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (p. 93 tot en met 96);

- het NFI-rapport betreffende pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood nummer 2014.12.15.080 d.d. 30 maart 2015 opgemaakt en getekend door M. Buiskool, arts en patholoog.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op 14 december 2014 te Alphen aan den Rijn aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten letsel aan de grote dijbeenader en de dijbeenslagader, waardoor fors bloedverlies is ontstaan en multi-orgaanfalen en doorbloedingsstoornissen), heeft toegebracht, door meermalen te steken met een mes in het (rechter) (boven)been van die [slachtoffer] , terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de strafbaarheid van de verdachte

5.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte ter zake van het bewezen te verklaren feit dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, aangezien aan verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. De verdediging heeft daarvoor verwezen naar de verklaring van verdachte, zoals hij die tegenover de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd en zoals hij die ter terechtzitting heeft herhaald. Die verklaring komt, samengevat, neer op het volgende:

Op het moment dat hij, verdachte met [getuige 1] in een schermutseling was verwikkeld, voelde hij plotseling een duw of trap in zijn rug waardoor hij kwam te vallen. Hij raakte in een worsteling met [slachtoffer] . Daarbij kwam hij, verdachte, bovenop [slachtoffer] te liggen terwijl [slachtoffer] hem in een nekklem pakte. Het lukte hem, verdachte, niet om uit die greep los te komen. Op een gegeven moment kreeg hij ook geen lucht meer. Daarnaast kreeg hij trappen op zijn rug en werd hij geslagen met een riem door [getuige 1] . Het enige wat hij nog kon doen was zijn mes te pakken. Verdachte wilde [slachtoffer] daarmee in zijn been prikken zodat hij hem los zou laten. Verdachte heeft dat vervolgens ook gedaan, waarna [slachtoffer] hem inderdaad losliet.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte deze lezing van de gebeurtenissen aannemelijk heeft gemaakt nu zij wordt bevestigd door de gehoorde getuigen. Die lezing maakt, aldus de verdediging, duidelijk dat voor verdachte geen andere mogelijkheid open stond dan [slachtoffer] in zijn been te prikken om uit de situatie waarin hij zich bevond te ontsnappen. Dat betekent dat sprake was van een noodweersituatie. Voor zover verdachte in zijn verdediging de daarvoor noodzakelijke grenzen heeft overschreden, komt hem een beroep op noodweerexces toe, aldus de verdediging, nu in dat geval die overschrijding het gevolg was van een door die situatie opgeroepen hevige emotie.

5.2.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft betwist dat aan verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat geen sprake was van een situatie waarin verdachte zich moest verdedigen omdat niet vast staat dat verdachte door [slachtoffer] werd vastgehouden -in een houdgreep dan wel anderszins- als gevolg waarvan verdachte niets meer kon doen. Verdachte had dan ook wel degelijk de mogelijkheid om weg te lopen, aldus de officier van justitie. Van een noodweersituatie was daarom geen sprake, en voor zover dat wel het geval was komt aan verdachte daarop geen beroep toe enerzijds wegens culpa in causa, nu hij had te gelden als de agressor, en anderzijds omdat hij door zijn handelen de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Tenslotte kan verdachte zich niet op noodweerexces beroepen nu uit niets blijkt dat het disproportioneel handelen van hem te wijten was aan een hevige gemoedsbeweging. Verdachte is immers na het gebeurde rustig op de fiets naar huis gegaan en zijn kleren gaan wassen, aldus de officier van justitie.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Noodweer

5.3.1.

Bij de beantwoording van de vraag of de door verdachte aan zijn beroep op noodweer ten grondslag gelegde stellingen omtrent hetgeen feitelijk is voorgevallen aannemelijk zijn geworden kent de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de inhoud van de verklaringen van de vele gehoorde personen die van het gebeurde getuige zijn geweest, mede omdat op twee na ( [getuige 1] en [getuige 2] ) alle getuigen als onafhankelijk kunnen gelden in die zin dat zij niet op de een of andere wijze in enige relatie stonden tot hetzij Weymans hetzij verdachte. Het gaat daarbij onder meer om de verklaringen van de volgende getuigen (voor zover van belang en verkort weergegeven):

[getuige 1] (p. 331)

[slachtoffer] sprong tussen hem en verdachte in, waarna ze beiden op de grond vielen. [slachtoffer] lag onder, verdachte boven. Deze getuige heeft letterlijk verdachte van [slachtoffer] afgetrapt.

(Verhoor door rechter-commissaris (hierna: RC)): [slachtoffer] is tegen verdachte aan gesprongen, heeft verdachte getackeld en echt onderuit gehaald. Getuige heeft verdachte twee keer geschopt en een keer met een riem geslagen. De klap met de riem en de trappen waren voluit.

[getuige 3] (p. 44)

[slachtoffer] kwam weer terug. Hij pakte verdachte vast en trok hem naar de grond. Hij hield hem vast en de andere jongen trapte op hem in. [slachtoffer] had de verdachte in de houdgreep.

[getuige 2] (RC)

[slachtoffer] kwam in de worsteling van verdachte met [getuige 1] terecht. [getuige 1] gaf de verdachte een, twee of drie trappen.

[getuige 4] (p. 55)

[slachtoffer] kwam er als een K-one fighter in. Verdachte werd naar de grond getrapt. De andere man schopte drie keer tegen de rug van verdachte. Ik vond dat er erg hard geschopt werd. Ik dacht, hij schopt dadelijk nog door hem heen. Het gaat wel erg tekeer.

[getuige 5] (p. 64)

[slachtoffer] kwam met een karatetrap op verdachte inspringen. De andere jongen ging vervolgens op verdachte intrappen.

[getuige 6] (p. 72)

[slachtoffer] besprong verdachte ter hoogte van zijn linkerschouder met een opgetrokken knie. Daardoor kwamen beiden ten val. De andere jongen schopte verdachte en sloeg hem met de gesp van een riem op een bloot stukje rug.

[getuige 7] (p. 77)

[slachtoffer] sprong verdachte op zijn nek waardoor verdachte viel. Ze waren hem met zijn tweeën even een lesje aan het leren. [slachtoffer] hield verdachte in een wurggreep.2 De andere jongen schopte verdachte twee keer. (nader, p. 242): [slachtoffer] had verdachte zodanig in een houdgreep, dat hij zich niet kon bewegen. Volgens mij had hij dus geen bewegingsruimte.

[getuige 8] (p. 150)

[slachtoffer] rende en trapte verdachte in een soort vlucht met een soort karatetrap naar de grond. Er volgde een worsteling. De andere jongen gaf verdachte vier schoppen, hij schopte voluit. Het invliegen met die karatetrap door [slachtoffer] was voor ons de grens. Hierdoor werd het heftiger. (nader, p. 246): het schoppen ging met volle kracht. Het was nu niet meer eerlijk aangezien de worsteling nu dus 2 tegen 1 was. Wij hadden het idee dat het mogelijk uit de hand ging open. (verhoor RC): Verdachte kon de schoppen in zijn onderrug niet afweren. Wij vonden het niet meer kunnen.

[getuige 9] (p. 262)

[slachtoffer] kwam aanrennen en hij pakte verdachte bij zijn nek of hoofd en trok hem naar de grond. [getuige 1] gaf verdachte een paar trappen in zijn rug. [slachtoffer] omklemde de nek of het hoofd van verdachte met een stevige klem.

[getuige 10] (p. 265)

[slachtoffer] trok verdachte tegen de grond. Hij pakte hem bij zijn nek en toen vielen ze. Die andere jongen trapte vol.

[getuige 11] (p. 268)

[slachtoffer] kwam aangerend en pakte verdachte om zijn nek en ging meteen met hem naar de grond. [getuige 1] ging verdachte schoppen en slaan.

5.3.2.

Op grond van vorenstaande getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] zich vanaf een afstand in de schermutseling tussen verdachte en [getuige 1] heeft gemengd en daarbij verdachte naar de grond heeft gewerkt. Vervolgens acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, aannemelijk (meer in het bijzonder op grond van de verklaringen van De [getuige 3] , [getuige 7] , [getuige 9] , [getuige 10] en [getuige 11] ) dat [slachtoffer] verdachte zodanig heeft beetgepakt, al dan niet door hem bij de nek te pakken en hem in een houdgreep of nekklem vast te houden, dat verdachte zich niet of nauwelijks meer kon bewegen en daaruit niet kon ontsnappen. Daarbij is niet van belang dat niet alle getuigen precies hetzelfde verklaren, nu het erom gaat dat door hetgeen wel wordt verklaard de stellingen van verdachte hieromtrent worden bevestigd en geen van de andere getuigen iets heeft verklaard dat duidelijk in een andere richting wijst, bijvoorbeeld dat verdachte wel degelijk in de gelegenheid was om zich aan de greep van [slachtoffer] te onttrekken, zoals de officier van justitie heeft betoogd.

5.3.3.

De rechtbank kan in het midden laten of de enkele omstandigheid dat er van uit moet worden gegaan dat verdachte zich in een houdgreep van [slachtoffer] bevond waaraan hij zich niet kon onttrekken al met zich bracht dat hij zich in een noodweersituatie bevond. Het betoog van verdachte ziet er immers op dat het niet slechts daarom ging, maar om de combinatie daarvan met het op hem door [getuige 1] uitgeoefende geweld. Daaromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

5.3.4.

De stelling van verdachte dat hij, toen hij bovenop [slachtoffer] lag en door deze werd vastgehouden, tegelijkertijd op zijn rug geschopt werd wordt door alle in het vorenstaande weergegeven getuigen (waaronder [getuige 1] zelf) bevestigd en staat daarmee voldoende vast. Voorts blijkt uit de verklaringen van [getuige 6] , [getuige 1] en verdachte dat hij tegelijkertijd ook nog is geslagen door [getuige 1] met een riem. Uit de getuigenverklaringen volgt bovendien dat door [getuige 1] zodanig vaak en hard werd geschopt en geslagen dat dit op (vele van) de omstanders de indruk wekte van een onverantwoorde situatie, die zonder ingrijpen tot ernstige gevolgen zou kunnen leiden. Dat voert de rechtbank tot het oordeel dat de combinatie van het vasthouden door [slachtoffer] van verdachte en het tegelijkertijd hard en herhaaldelijk schoppen en slaan van verdachte door [getuige 1] valt aan te merken als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lichaam van verdachte waartegen hij zich mocht verweren, wat betekent dat er sprake was van een noodweersituatie aan de kant van verdachte.

5.3.5.

Daarmee komt de stelling van de officier van justitie aan de orde, inhoudende dat verdachte zich niet met vrucht op een dergelijke noodweersituatie zou mogen beroepen, aangezien sprake was van culpa in causa wegens eerdere gedragingen van verdachte. De rechtbank verwerpt deze conclusie van de officier van justitie, omdat zij de daaraan ten grondslag gelegde stellingen (te weten: dat verdachte nu eenmaal de agressor was en de reacties van [slachtoffer] en [getuige 1] te verwachten waren) daartoe niet concludent acht. Op zich staat vast dat verdachte zich ter plaatse eerder opdringerig en mogelijk irritant heeft gedragen door aan omstanders te vragen om een vloei, doch dat enkele feit maakt hem nog niet tot agressor. Over de vraag aan wie het ontstaan van een woordenwisseling tussen [slachtoffer] , [getuige 1] en verdachte te wijten is lopen de meningen uiteen, en hetzelfde geldt voor de vraag wie de aanstichter was van de daarop volgende schermutseling tussen verdachte en [getuige 1] . Maar zelfs als verdachte zou zijn te beschouwen als degene die verantwoordelijk was voor het ontstaan van de woordenwisseling en de schermutseling tussen hem en [getuige 1] , dan nog gaat het te ver om wat er vervolgens feitelijk is gebeurd als een te verwachten gevolg daarvan voor rekening van verdachte te brengen, in die zin dat hij zich niet meer zou mogen beroepen op een -op zich vaststaande- noodweersituatie.

5.3.6.

In het kader van het beroep op noodweer resteert dan nog de vraag of verdachte bij zijn verdediging proportioneel heeft gehandeld. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend, omdat zij van oordeel is dat verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Voorstelbaar was dat verdachte -zoals hij ook zegt van plan te zijn geweest- [slachtoffer] in zijn been zou hebben geprikt teneinde uit de noodweersituatie te ontsnappen, maar het toebrengen van vier steekwonden is een veel verdergaande handeling die als disproportioneel moet worden aangemerkt. Om die reden wordt het beroep van verdachte op noodweer verworpen.

Noodweerexces

5.3.7.

De rechtbank acht het beroep op noodweerexces evenwel gegrond. Aannemelijk is dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden als gevolg van een heftige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de omstandigheid dat hij zich niet kon bewegen in combinatie met het op hem uitgeoefende geweld in de vorm van schoppen en slaan. Die combinatie is op zich al geschikt om een dergelijke gemoedsbeweging op te wekken, en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit in het onderhavige geval niet zou zijn gebeurd. De enkele omstandigheid, door de officier van justitie vermeld, dat verdachte nadien rustig op de fiets zou zijn vertrokken is daarvoor in elk geval niet redengevend.

Slotsom

5.3.8.

Het bewezenverklaarde feit is strafbaar. Verdachte is niet strafbaar. Dat betekent dat hij zal worden ontslagen van rechtsvervolging.

6 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

6.1

De vordering

[benadeelde] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot (€ 498,42 uitvaartkosten + € 129,72 reiskosten =) € 628,14.

6.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering nu zijn cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en aan hem geen maatregel of een last als bedoeld in artikel 37 zal worden opgelegd.

Dit brengt met zich, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

7 De vordering tenuitvoerlegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van

de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 11 december 2013 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, nu hij zich op het standpunt heeft gesteld dat zijn cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, de rechtbank verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging, die uitsluitend is gegrond op het bij de onderhavige dagvaarding tenlastegelegde feit, afwijzen.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart verdachte deswege niet strafbaar en ontslaat hem dientengevolge van alle rechtsvervolging;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

wijst af de vordering tenuitvoerlegging van de op 11 december 2013 onder parketnummer 09/129986-13 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. du Pon, voorzitter,

mr. A.P. Pereira Horta, rechter,

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. Hamelink, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 september 2015.

1 Deze en volgende verwijzingen zien –tenzij anders vermeld- op de pagina’s van het proces-verbaal van de politie Eenheid Den Haag, district Rijn- en Veenstreek nr. PL1500-2014323016, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerd p. 1 tot en met p. 393.

2 Proces-verbaal van bevindingen van de districtsrecherche Alphen aan den Rijn – Gouda, d.d. 4 juni 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, betreffende het uitluisteren van het verhoor van getuige [getuige 7] , waaruit naar voren is gekomen dat [getuige 7] het woord wurggreep heeft gebruikt en niet het woord houdgreep.