Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10875

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
15/15713 en 15/15712
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

China. Bekering tot christen. Hui Fuli-geloof. Niet geregistreerde kerk. Kans op vervolging bij terugkeer. Onvoldoende gemotiveerd. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 15/15713 (voorlopige voorziening) en 15/15712 (beroep)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 17 september 2015 in de zaak tussen

[naam] eiseres,

gemachtigde mr. H. Klein Hesselink,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. I.D. Vleeshouwers.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2015 (hierna: het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), is de asielaanvraag van eiseres van 21 februari 2015 afgewezen als kennelijk ongegrond.

Op 24 augustus 2015 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt rechtmatig verblijf en recht op opvang te behouden.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 september 2015. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig J. Wang, tolk in het Chinees-Mandarijn. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren in de provincie Henan op [geboortedag] 1990 en de Chinese nationaliteit te bezitten. Zij heeft sinds haar prille jeugd met haar ouders gewoond in de provincie Zhejiang, stad Ningbo, woonplaats Cixi, woonwijk Jinshanxincun. Zij stelt dat haar roepnaam [roepnaam] is, maar haar officiële (bij de Chinese autoriteiten bekende) voornaam is [voornaam] . Op 21 februari 2015 heeft zij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres onjuiste gegevens met betrekking tot de identiteit en reisroute heeft verstrekt om te bewerkstelligen dat zij in een gunstiger positie komt te verkeren dan waarin zij zonder deze onjuiste gegevens zou verkeren. Voorts kan eiseres niet worden gevolgd in de door haar afgegeven verklaringen over het verlies van al haar documenten.

4. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiseres de volgende relevante elementen:

Eiseres is bekeerd tot het christendom. Haar moeder heeft lange tijd vastgezeten vanwege haar geloof. Zij is vrijgelaten maar heeft een uitreisverbod uit China. Ook haar vader mag niet uitreizen. Eiseres heeft verklaard dat zij problemen heeft ondervonden vanwege haar bekering. Ze moest steeds vluchten omdat de politie naar haar op zoek was. Voorts heeft eiseres nog verklaard in 2011 te zijn aangerand.

Verweerder acht op basis van het bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken opgevraagde visumdossier de identiteit en de Chinese nationaliteit van eiseres geloofwaardig, ondanks het verstrekken van onjuiste gegevens en het waarschijnlijk moedwillig kwijtmaken van haar documenten. Ook wordt op dit moment aannemelijk geacht dat eiseres is bekeerd tot het christendom en dat haar moeder gedetineerd is geweest vanwege haar geloof, in de gaten werd gehouden en een uitreisverbod had. De aanranding van eiseres in 2011 wordt eveneens aannemelijk geacht. Dat agenten bij eiseres en haar vader thuis zijn geweest om hen een verklaring te laten ondertekenen dat ze niet meer in God geloofden wordt ook aannemelijk geacht, gezien het feit dat haar moeder in de gevangenis zat vanwege haar geloof. Eiseres was op dit moment echter nog niet bekeerd.

Niet geloofwaardig heeft verweerder geacht dat eiseres gezocht zou worden door de lokale politie en op een lijst van gezochte personen zou staan. Eiseres heeft die informatie van horen zeggen van een niet objectieve bron. Ook de verklaringen dat de politie bij eiseres in huis kwam komen volgens verweerder niet uit objectieve bron. Het asielrelaas van eiseres laat volgens verweerder zien dat indien de politie daadwerkelijk op zoek zou zijn naar eiseres er voldoende kansen waren om haar te vinden. Eiseres heeft voorts zonder problemen een op eigen naam gesteld paspoort aangevraagd en verkregen en is op legale wijze onder haar eigen naam uitgereisd, terwijl haar beide ouders een uitreisverbod hebben. Ongeloofwaardig acht verweerder derhalve dat eiseres actief gezocht werd door de politie of dat zij persoonlijk in de negatieve aandacht van de autoriteiten zou staan vanwege haar geloof.

5. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de aanvraag als kennelijk ongegrond af te wijzen op grond artikel 30b, eerste lid, onder c en d, van de Vw. Voorts heeft verweerder ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiseres in China gevaar loopt na haar bekering tot het christendom. Aannemelijk is dat eiseres in de negatieve aandacht staat van de Chinese autoriteiten gezien de door verweerder geloofwaardige geachte delen van haar asielrelaas. Eiseres heeft er op gewezen dat voor haar het uitdragen van haar geloof (evangeliseren) essentieel is. Tot slot heeft zij gesteld dat de positie van niet erkende christenen, dat wil zeggen van de christenen die huiskerken (niet geregistreerde/ondergrondse kerken) bezoeken, in China slecht is. Verweerder heeft de zienswijze van eiseres over de ter zake door haar ingebrachte informatie, waar in het voornemen naar wordt verwezen, niet weerlegd.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6. Nu het bestreden besluit dateert van na 20 juli 2015 en het onderzoek ook na deze datum is gesloten, is het recht zoals dit geldt sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van de herziene Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Opvangrichtlijn) van toepassing.

7. Ingevolge artikel 83a van de Vw omvat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

8. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

9. Verweerder heeft zich naar aanleiding van de stellingen van eiseres op het standpunt gesteld dat niet iedere beperking van de mensenrechten per definitie als een daad van vervolging moeten worden gezien. Bovendien heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk in de negatieve belangstelling van de autoriteiten van China staat.

10. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 18 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2422) volgt dat voor de afwijzing van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel onvoldoende is dat verweerder de door een vreemdeling met een bepaalde geloofsovertuiging gestelde gebeurtenissen in het land van herkomst ongeloofwaardig acht. Hij dient bij zijn beoordeling, of die vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging, namelijk ook de verklaringen van de vreemdeling te betrekken over de wijze waarop hij na terugkeer in zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn geloof, dan wel waarom hij zich daarvan zal onthouden. Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van deze verklaringen moet de staatssecretaris de situatie van geloofsgenoten van de vreemdeling en de te verwachten acceptatie van het gestelde handelen in het land van herkomst van de vreemdeling betrekken. Dat een vreemdeling verklaart na terugkeer zijn geloof te uiten op een wijze die hem blootstelt aan vervolging, terwijl die verklaring niet strookt met, of juist in het verlengde ligt van, zijn verklaring over de wijze waarop hij eerder, in Nederland of elders, reeds uiting heeft gegeven aan zijn geloof, beïnvloedt de aannemelijkheid van die verklaring. Verweerder mag van een vreemdeling niet verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofsovertuiging in het land van herkomst (uitspraak van de Afdeling van 30 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5578).

11. De voorzieningenrechter stelt vast dat eiseres in het nader gehoor van 19 maart 2015 (bladzijden 15en 16) heeft verklaard dat zij vanaf mei 2014 is gaan evangeliseren, wat zij heeft herhaald in het aanvullend nader gehoor van 30 april 2015 (bladzijde 6). In beroep heeft eiseres gesteld dat het bezoeken van huiskerkbijeenkomsten en het uitdragen van het evangelie voor haar essentieel is.

12. Uit het Algemeen ambtsbericht China van december 2012 van het ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat de situatie van personen van niet geregistreerde kerken, waartoe ook eiseres behoort, zorgelijk blijft. De opstelling van de lokale autoriteiten tegen godsdienstbeoefening varieert per regio waarbij de provincies Jiangsu en Hunan (Henan) als tolerantere provincies worden genoemd. Een nederige houding tegenover de autoriteiten voorkomt soms problemen. Er zijn vijf officieel erkende religies (boeddhisme, taoisme, islam, katholicisme en protestantisme) die elk verenigd zijn in een ‘Patriotic Religious Association’ (PRA). Hoewel er ruimte is voor religie in de Chinese samenleving geldt dit niet voor de religieuze groeperingen die niet zijn aangesloten bij een PRA. Huiskerken behoren tot de niet-geregistreerde religies/religievormen en zijn per definitie niet aangesloten bij een PRA. Eiseres heeft in dit verband nog gewezen op het ‘Human Right Watch World Report 2015 - China’ van 29 januari 2015, waarin vermeld wordt dat de autoriteiten in 2014 de controle over religieuze organisaties hebben verscherpt, in het bijzonder wat de christelijke kerken betreft. Zo hebben de autoriteiten van de provincie Zhejiang, die beschouwd wordt als het centrum van het christendom, 150 kruisen verwijderd van kerken in de periode van einde 2013 tot juli 2014. Tevens wordt melding gemaakt van een bijzonder strenge veroordeling (twaalf jaar) van de christelijke dominee Zhang Shaojie. Verder is gewezen op het ‘Amnesty International Report 2104/15’ waarin zowel gewezen wordt op een grootschalige actie tegen kerken in de provincie Zhejiang als op de voortdurende vervolging van personen die het christendom uitoefenen door “huiskerken” te bezoeken.

13. De voorzieningenrechter concludeert hieruit dat de provincie Zhejiang niet tot de tolerantere provincies behoort waar het de uitoefening van religieuze vrijheid en godsdienstbeoefening betreft. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder de omstandigheid dat eiseres legaal en zonder problemen China uit heeft kunnen reizen doorslaggevend heeft geacht voor zijn standpunt dat eiseres niet in de negatieve belangstelling zou staan van de Chinese autoriteiten, hoewel verweerder de veroordeling op religieuze gronden tot een gevangenisstraf van drie jaar en de daadwerkelijke gevangenschap van de moeder van eiseres alsmede de omstandigheid dat haar beide ouders een uitreisverbod hebben, geloofwaardig acht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hierbij onvoldoende betrokken de verklaringen van eiseres over hoe zij bij terugkeer naar China uiting wil geven aan haar geloof, nu zij uitdrukkelijk verklaard heeft te willen evangeliseren als aanhangster van het Hui Fuliu geloof en haar moeder destijds is opgepakt tijdens het evangeliseren. Deze omstandigheid kan, bezien tegen de achtergrond van de geschiedenis van haar ouders, betekenen dat eiseres evenzeer te vrezen heeft voor vervolging door de autoriteiten in haar land van herkomst. Aan verweerder moet worden toegegeven dat niet iedere beperking van de mensenrechten per definitie wordt gezien als een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In het geval van eiseres is evenwel als geloofwaardig aangenomen dat haar moeder tot drie jaar gevangenisstraf is veroordeeld wegens evangeliseren voor het niet-geregistreerde Hui Fuliu geloof, een stroming binnen het protestantisme in China.

14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bestreden besluit in het licht van bovengenoemde jurisprudentie en het hiervoor overwogene op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Voor de bespreking van de gronden die gericht zijn tegen het als kennelijk ongegrond afwijzen van de aanvraag ziet de rechtbank geen aanleiding meer.

15. Het beroep van eiseres is gegrond.

16. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

17. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.470,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening, het beroepschrift en het verschijnen ter zitting (3 punten in totaal, waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.470,- (veertienhonderdzeventig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17

september 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard, kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.