Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10831

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
17-09-2015
Zaaknummer
C-09-493516-KG ZA 15-1149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot het verbieden van het gebruik van de nekklem afgewezen. Niet kan worden geconcludeerd dat toepassing van de nekklem in het algemeen onrechtmatig is. Ambtenaren van de politie mogen geweld gebruiken op grond van de Politiewet 2012. Dat geweld moet gerechtvaardigd, proportioneel en subsidiair zijn. Of dat het geval is (geweest), moet in individuele gevallen worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2015/100

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/493516 / KG ZA 15/1149

Vonnis in kort geding van 17 september 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.H. Jebbink te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Binnenlandse Zaken),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.H. Houtzagers te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4;

- de bij brieven van 4, 6 en 8 september overgelegde producties 5 tot en met 12 en een ongenummerde productie;

- de op de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2015. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Ambtenaren werkzaam bij de Nederlandse politie, bijzondere opsporingsdiensten en Koninklijke marechaussee, alsmede buitengewoon opsporingsambtenaren, kunnen in de uitoefening van hun werkzaamheden tegen burgers gebruik maken van de zogeheten nekklem. Bij toepassing van de nekklem wordt één arm om de hals van de burger gelegd, waarbij de keel in de kom van de elleboog zit, en wordt die arm aangetrokken met behulp van de andere arm.

2.2.

In 1990 zijn op het achtste VN-congres on the Prevention of Crime and the Treatment of Offenders een aantal uitgangspunten aangenomen die Basic Principles on the Use of Force and Firearms by Law Enforcement Officials worden genoemd (hierna: de Basic Principles). In de Basic Principles staat onder meer vermeld:

“1. Governments and law enforcement agencies shall adopt and implement rules and regulations on the use of force and firearms against persons by law enforcement officials. (...)

4. Law enforcement officials, in carrying out their duty, shall, as far as possible, apply non-violent means before resorting to the use of force and firearms. They may use force and firearms only if other means remain ineffective or without any promise of achieving the intended result.

5. Whenever the lawful use of force and firearms is unavoidable, law enforcement officials shall:

( a ) Exercise restraint in such use and act in proportion to the seriousness of the offence and the legitimate objective to be achieved;

( b ) Minimize damage and injury, and respect and preserve human life;

(...)

18. Governments and law enforcement agencies shall ensure that all law enforcement officials are selected by proper screening procedures, have appropriate moral, psychological and physical qualities for the effective exercise of their functions and receive continuous and thorough professional training. Their continued fitness to perform these functions should be subject to periodic review.

19. Governments and law enforcement agencies shall ensure that all law enforcement officials are provided with training and are tested in accordance with appropriate proficiency standards in the use of force. (...)

20. In the training of law enforcement officials, Governments and law enforcement agencies shall give special attention to issues of police ethics and human rights, especially in the investigative process, to alternatives to the use of force and firearms, (...) with a view to limiting the use of force and firearms. (...)”

2.3.

Op 27 juni 2015 is de heer [A] (hierna: [A]) gearresteerd tijdens een festival in Den Haag. Bij zijn aanhouding is gebruik gemaakt van geweld, waarna hij is overleden. Naar aanleiding van dit incident heeft de minister van Veiligheid en Justitie de Inspectie voor Veiligheid en Justitie verzocht onderzoek te doen naar het gebruik van de nekklem in algemene zin. Dit onderzoek is thans nog gaande.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te verbieden dat de ambtenaren werkzaam bij de Nederlandse politie, bijzondere opsporingsdiensten en Koninklijke marechaussee, alsmede buitengewoon opsporingsambtenaren tijdens hun werkzaamheden de nekklem toepassen, althans te bevelen als beleid te formuleren dat de nekklem door voornoemde ambtenaren onmiddellijk buiten toepassing wordt gelaten en dit beleid te publiceren, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. Het toepassen van de nekklem is als zodanig al onrechtmatig omdat daartoe een duidelijke en specifieke wettelijke basis ontbreekt. Een dergelijke basis wordt wel vereist volgens de Basic Principles. Het ontbreken daarvan klemt temeer in het licht van het risico dat toepassing van de nekklem meebrengt. Toepassing kan zelfs tot gevolg hebben dat de arrestant overlijdt. De risicovolle aard blijkt ook uit het recente optreden van politieambtenaren tegen [A] in juni 2015. Het toepassen van de nekklem is daarnaast onrechtmatig omdat daaraan risico’s zijn verbonden die met alternatieve aanhoudingstechnieken zijn te vermijden. De Basic Principles verplichten tot toepassing van alternatieve technieken.

De Staat schiet voorts tekort in ofwel het handhaven van een verbod op de nekklem, ofwel in het reguleren van de toepassing daarvan. De Basic Principles vereisen dat politieambtenaren in geweldstoepassing doorlopend en grondig worden getraind en getest. De nekklem wordt in Nederland in de opleiding voor politieambtenaren niet onderwezen. Er wordt afgeraden die toe te passen, maar discretionaire ruimte gelaten aan de aanhoudende ambtenaar om de nekklem in een voorkomend geval en geheel naar eigen inzicht wel toe te passen. De praktijk wijst uit dat dit ook daadwerkelijk gebeurt.

Eiser heeft voldoende belang bij de vorderingen. Hij woont in Nederland en kan zoals iedere burger – op goede gronden, maar ook ten onrechte – ieder moment worden aangehouden door de politie. In dat geval zou de politie een nekklem tegen hem kunnen gebruiken. Eiser heeft een verhoogde kans om te worden aangehouden omdat hij activist is. Eiser komt op voor zijn mening, indien die tegen de overheid is gericht, en publiceert die op diverse websites. Hij neemt veelvuldig deel aan manifestaties en acties waarbij de politie handhavend optreedt. Tijdens een demonstratie op 13 september 2014 in Amsterdam werd eiser een nekklem omgelegd.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De Staat heeft allereerst aangevoerd dat eiser onvoldoende (spoedeisend) belang heeft bij het instellen van deze vorderingen. Artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek vereist dat voldoende belang bestaat bij een rechtsvordering. Het is zeer de vraag of eiser voldoende concreet belang heeft bij toewijzing van zijn vorderingen, mede gelet op het feit dat hij als individu een algeheel verbod vordert en hij in feite een – in zijn visie – wanpraktijk wil bestrijden. Anderzijds is eiser in het verleden al eens met het gebruik van de nekklem geconfronteerd en valt niet uit te sluiten dat dat bij toekomstige acties, waaraan hij naar eigen zeggen veelvuldig deelneemt, wederom het geval zal zijn. De beantwoording van de vraag of eiser een voldoende concreet belang heeft, in die zin dat een reële dreiging bestaat dat de handeling waarvan hij een verbod eist tegen hem zal worden verricht, zal hierna in het midden worden gelaten, nu de vorderingen van eiser ook wanneer wordt uitgegaan van zijn ontvankelijkheid niet voor toewijzing in aanmerking komen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.

Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn vorderingen naar de Basic Principles. De Staat heeft niet betwist dat die Basic Principles dienen te worden beschouwd als aanscherping van de normen in het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Evenals in procedures bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kunnen deze basisprincipes in deze procedure als toetsingskader gelden.

4.3.

Eiser stelt dat toepassing van de nekklem onrechtmatig is omdat een duidelijke en specifieke wettelijke basis ontbreekt. Die stelling slaagt niet. In de Basic Principles staat weliswaar vermeld dat een wettelijke basis is vereist voor het gebruik van geweld door daartoe bevoegde ambtenaren, maar die basis is in Nederland gelegen in de Politiewet 2012. Op grond van artikel 7 lid 1 van die wet is elke ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak – kort gezegd – bevoegd geweld te gebruiken indien het beoogde doel dat rechtvaardigt. Dat het gebruik van de nekklem, als een van de vormen van fysiek geweld, specifiek moet zijn omschreven, kan niet uit de Basic Principles worden afgeleid.

4.4.

Volgens eiser is het toepassen van de nekklem voorts onrechtmatig omdat daaraan risico’s zijn verbonden die met alternatieve aanhoudingstechnieken goed zijn te vermijden. Ook dat standpunt kan niet worden gevolgd. Het enkele feit dat andere vormen van geweld bestaan om een verdachte te fixeren en te controleren, maakt deze specifieke vorm van geweld nog niet in alle gevallen onrechtmatig. Eiser beroept zich op de Basic Principles, waarin staat vermeld dat geweld moet voldoen aan de proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. Dat de politie gebruik mag maken van geweld, mits dat gerechtvaardigd, proportioneel en subsidiair is, volgt ook uit de Politiewet. In artikel 7 lid 1 van de Politiewet staat immers vermeld dat geweld enkel mag worden gebruikt als het beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en het doel niet op een andere wijze kan worden gebruikt. In lid 5 van datzelfde artikel staat vermeld dat de uitoefening van onder meer de bevoegdheid tot het gebruik van geweld in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd dient te zijn.

4.5.

Niet in geschil is dat de nekklem een zeer ingrijpende vorm van fysiek geweld is. Als de nekklem te lang wordt toegepast, bestaat het gevaar dat iemand het bewustzijn verliest of zelfs komt te overlijden. De Staat heeft dat ook erkend en aangegeven dat de nekklem slechts in uitzonderlijke omstandigheden – “als het echt niet anders kan” – wordt toegepast. In het algemeen kan dan ook niet worden geconcludeerd dat toepassing van de nekklem onrechtmatig is, zodat voor een algeheel verbod op het gebruik van de nekklem geen plaats is. Dat het gebruik van de nekklem een dodelijke afloop kan hebben, maakt dat – hoe betreurenswaardig het ook is indien dat zich voordoet – niet anders. In die zin onderscheidt de nekklem zich immers niet van andere vormen van geweld of het gebruik van vuurwapens door de politie. In individuele gevallen dient te worden getoetst of de nekklem met inachtneming van voornoemde beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is toegepast.

4.6.

Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de Staat tekort schiet in het toezicht op een zo verantwoord mogelijke toepassing van de nekklem. Nog daargelaten dat eiser geen daarop gerichte vordering heeft ingesteld, geldt het volgende. De Basic Principles eisen dat de betreffende ambtenaren doorlopend moreel, psychisch en fysiek worden getraind en getest. Dat in het algemeen sprake is van een doorlopende training van politieagenten is niet in geschil. De Staat heeft erkend dat niet specifiek wordt getraind op het gebruik van de nekklem. Als reden daarvoor is aangegeven dat toepassing van de nekklem in de opleiding wordt ontmoedigd en dat de nekklem niet wordt getraind, juist om te voorkomen dat deze vaker in de praktijk zal worden gebruikt. Gelet op dit betoog kan niet worden geconcludeerd dat de Staat in dit kader onrechtmatig handelt. Het gebruik van de nekklem is slechts toegestaan in extreme situaties, in welke situaties iedere vorm van geweld mogelijk is. Van de Staat kan niet verlangd worden aan al die vormen van geweld aandacht te geven in de opleiding. Slechts achteraf kan worden beoordeeld of de toegepaste vorm van geweld onrechtmatig was.

4.7.

De voorzieningenrechter merkt ten overvloede nog op dat de nekklem – zoals hiervoor ook reeds vermeld – een zeer ingrijpende vorm van geweld is. In de Verenigde Staten is over het gebruik hiervan een discussie ontstaan en is een amendement ingediend om het gebruik te verbieden. De minister heeft de Inspectie voor Veiligheid en Justitie naar aanleiding van het incident met [A] verzocht in algemene zin te kijken naar het gebruik van de nekklem door de politie. Bij dat onderzoek zal een rapport worden opgesteld dat aan de minister zal worden toegezonden. Het ligt vervolgens op de weg van de minister om naar aanleiding van dit rapport al dan niet actie te ondernemen. Een rechter kan hier – zeker in kort geding en mede gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen – niet vooruit lopen.

4.8.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de vorderingen zullen worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2015.

hvd