Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10830

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-09-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
C/09/474005 / HA ZA 14-1096
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring van rechtsvorderingen. Geen stuiting van die verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel (civiele bodemzaken)

Vonnis van 16 september 2015

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/474005 / HA ZA 14-1096 van:

de besloten vennootschap VKN PROJECTEN BV,

eiseres gevestigd te Maassluis, Nederland,

advocaat: mr. R.P. Dijkman te Capelle aan den IJssel,

tegen

de naamloze vennootschap HOTEL BANKS NV,

gedaagde gevestigd te Antwerpen, België,

advocaat: mr. C.R. van Breevoort te Nijmegen.

De rechtbank zal de twee procespartijen hierna kortheidshalve zo veel mogelijk eiseres en gedaagde noemen.

De procedure

1.1

De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 17 juli 2014, met de producties 1 t/m 28 van eiseres;

  • -

    het herstelexploot van 3 september 2014 tegen de eerste rolzitting van 8 oktober 2014;

  • -

    de conclusie van antwoord van 19 november 2014;

  • -

    het comparitievonnis van 10 december 2014 en de beschikking datumbepaling van 19 december 2014 van de rechtbank;

  • -

    de op 11 maart 2015 ter civiele griffie ontvangen brief van mr. Dijkman met de producties 29 t/m 34 van eiseres;

  • -

    het door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal van de comparitie van partijen van 26 maart 2015.

1.2

De vonnisdatum is uitgesteld tot vandaag, 16 september 2015.

De feiten

2.1

Op 7 juli 2006 is een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, op grond waarvan (verkort weergegeven) de Nederlandse eiseres VKN Projecten BV in opdracht van de Belgische gedaagde Hotel Banks NV (toen nog genaamd NV Plantin) tegen betaling van
€ 55.675,00 (exclusief BTW, meerwerk en nacalculatie) de wanden en vloeren in de doucheruimtes van 70 hotelkamers van het in aanbouw zijnde hotel van gedaagde in Antwerpen van een waterdichte coating van polyurea zou voorzien. De daarna op of omstreeks 11 juli 2006 namens eiseres en gedaagde ondertekende overeenkomst is op verzoek van directrice [C] van Hotel Banks NV in verband met de Belgische fiscale spelregels geantedateerd op 22 november 2005, met facturatie onder het stelsel mede-contractant. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van eiseres van toepassing, met in art. 20 een rechtskeuze voor Nederlands recht en in art. 21 een forumkeuze voor de rechtbank Den Haag. Op 11 juli 2006 heeft directeur [A] van gedaagde aan directeur [B] van eiseres per e-mail bericht dat de vier termijnfacturen van eiseres moesten worden gericht aan de Nederlandse (mede)aannemer HRI Hegger en Rijnen BV, waarna HRI voornoemd via haar Belgische vertegenwoordiger Administratiekantoor Griffioen aan NV Plantin zou doorfacturen, dat alles met 0% BTW door facturatie via mede-contractant.

2.2

Eiseres heeft van medio juli 2006 tot 20 november 2006 onder moeilijke bouwomstandigheden het grootste deel van de overeengekomen coatingwerkzaamheden in de doucheruimtes van het hotel in aanbouw van gedaagde in Antwerpen verricht. Gedaagde heeft via HRI voornoemd de eerste twee termijnfacturen (25% en 30% van de aanneemsom) en een meerwerkfactuur van eiseres betaald. De derde termijnfactuur van 13 september 2006 van € 16.702,00 (30% van de aanneemsom van € 55.675,00 ex nacalculatie) heeft gedaagde echter onbetaald gelaten, waardoor eiseres uiteindelijk op 20 november 2006 in Antwerpen haar (slot)werkzaamheden heeft stilgelegd. Al deze vier facturen van eiseres voor haar in opdracht van gedaagde verrichte werkzaamheden waren zoals om fiscale redenen overeengekomen (zie hiervoor bij 2.1) gericht aan HRI.

2.3

Op 6 december 2006 heeft de Belgische advocaat mr. Nackaerts namens gedaagde een verzoekschrift bij de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen ingediend om wegens meerdere gerezen bouwproblemen, waaronder afwateringsproblemen van de douches met hun door eiseres aangebrachte polyurea coating, met spoed een deskundige te benoemen. Op 8 december 2006 heeft die rechtbank te Antwerpen dat eenzijdige verzoek zonder wederhoor toegewezen en de Belgische architect Germijns tot deskundige benoemd, met verkort weergegeven de opdracht om samen met alle betrokken bouwpartijen de bouwgebreken te inventariseren, te adviseren over spoedig herstel en schade, en daarover te rapporteren aan de rechtbank te Antwerpen binnen twee maanden na 8 december 2006.

2.4

Op 14 december 2006 heeft de eerste bijeenkomst op de bouwplaats te Antwerpen onder leiding van de deskundige Germijns plaatsgevonden. Daarbij was onder meer ook aanwezig de daartoe uitgenodigde directeur [B] van eiseres. Op de tweede bijeenkomst van 18 december 2006 onder leiding van Germijns - waarop eiseres niet aanwezig was omdat zij daartoe niet was uitgenodigd - hebben de drie wel aanwezige bouwpartijen Hotel Banks NV, hoofdaannemer Hooyberghs NV en B-Architecten NV onder meer besloten tot onmiddellijke sloop van alle fout afwaterende douches en tot spoedherstel van de ondervloeren op afschot en de afvoerputjes van die douches, waarna eiseres VKN Projecten BV van 26 t/m 29 december 2006 nieuwe polyurea coating in alle douches zou moeten aanbrengen. Germijns heeft zijn verslag van die tweede bijeenkomst in de avond van 18 december 2006 aan alle bouwpartijen waaronder eiseres verzonden per fax of e-mail.

2.5

Op 19 december 2006 heeft directeur [B] van eiseres per e-mail aan Germijns, met kopie aan alle betrokken bouwpartijen en aan de advocaat van gedaagde, kort gezegd tegen deze gang van zaken en tegen dit besluit van 18 december 2006 geprotesteerd en hen gemeld slechts onder strikte logistieke en financiële voorwaarden te willen meewerken, opdat het hotel alsnog per 1 januari 2007 (gedeeltelijk) zou kunnen opengaan voor het publiek. Die strikte logistieke en financiële voorwaarden had de directeur van eiseres eerder die dag op advies van Germijns al gemaild aan de Belgische advocaat mr. Nackaerts van gedaagde. Op 21 december 2006 heeft Germijns zijn verslag van de derde bijeenkomst van 20 december 2006 aan onder meer [B] gefaxt. Op die bijeenkomst waren naast Germijns slechts twee vertegenwoordigers van hoofdaannemer Hooyberghs NV aanwezig. In dat verslag heeft Germijns meerdere door hem beweerdelijk geconstateerde gebreken benoemd aan de na de sloop door Hooyberghs NV nog in sloopcontainers aangetroffen brokken polyurea, en kondigt Germijns een vierde bijeenkomst in Antwerpen op 22 december 2006 aan. Daarna heeft directeur [B] van eiseres de bijstand van zijn Nederlandse advocaat mr. Dijkman ingeroepen.

2.6

Bij ook per e-mail verzonden brieven van 22 december 2006 aan de benoemde gerechtsdeskundige Germijns en aan de advocaat mr. Nackaerts van gedaagde heeft mr. Dijkman de technische, feitelijke en juridische standpunten van eiseres over de doucheproblemen en over het lopende Belgische gerechtelijk deskundigenonderzoek meegedeeld. In zijn brief aan mr. Nackaerts heeft mr. Dijkman er ook op gewezen dat de factuur van € 16.702,00 (zie hiervoor bij 2.2) al meer dan drie maanden openstond en dat dit voor zijn cliënte onaanvaardbaar was. Daarom heeft hij de cliënte van mr. Nackaerts in die brief ook verzocht en gesommeerd om die termijnfactuur van € 16.702,00 uiterlijk op 29 december 2006 te hebben betaald.

2.7

Op 22 december 2006 is directeur [B] aanwezig geweest op de vierde bijeenkomst in Antwerpen. Toen is geen overeenstemming bereikt met eiseres, waardoor eiseres daarna geen coatingwerkzaamheden voor gedaagde meer heeft verricht. Het hotel van gedaagde is niet zoals (nader) gepland op 1 januari 2007 (gedeeltelijk) opengegaan voor het publiek, maar door vele ook daarna nog gerezen bouwproblemen pas in april 2008.

2.8

Op 11 januari 2007 heeft eiseres een vijfde factuur van in totaal € 36.768,75 aan HRI verzonden. Daarbij factureerde zij opnieuw (zie hiervoor bij 2.2 en 2.6) de onbetaald gelaten derde termijn van € 16.702,00 (30%), en voorts de vierde slottermijn van € 8.351,25 (15%) en drie meerwerkposten van in totaal € 11.715,50. Op 9 maart 2007 heeft eiseres aan HRI vervolgens ten zesde gefactureerd € 17.996,50, waarvan € 7.250,00 voor reiskosten en tijdsbesteding door directeur [B] en € 10.746,50 voor de drie declaraties van mr. Dijkman aan eiseres, al die kosten gemaakt in de maanden december 2006 t/m februari 2007. Ook deze vijfde en zesde factuur van eiseres zijn onbetaald gelaten door HRI en/of door gedaagde.

2.9

Niet alleen was het hotel in Antwerpen nog lang niet klaar op de (nader) geplande opleverdatum van 1 januari 2007, maar ook het deskundigenrapport van architect Germijns was nog lang niet klaar op de daartoe geplande datum van 8 februari 2007 (zie hiervoor bij 2.7 en 2.3). Pas op 24 oktober 2007 heeft Germijns een eerste voorlopig deskundigenrapport aan alle betrokken bouwpartijen en advocaten gepresenteerd. Mr. Dijkman heeft daarop in een brief van 29 oktober 2007 van 14 bladzijden gedetailleerd kritisch commentaar geleverd. Bij brief van 3 november 2009 van 11 bladzijden aan Germijns heeft mr. Dijkman daarna gedetailleerd kritisch commentaar geleverd op een tweede versie van het voorlopige deskundigenrapport van Germijns. Pas op 3 juli 2012 - dat is dus ruim 5,5 jaar na de opdracht van 8 december 2006 - heeft Germijns zijn definitieve deskundigenrapport van in totaal 485 bladzijden uitgebracht. De problematiek met de douches is slechts één van de vele daarin behandelde bouwproblemen. Op bladzijde 407 van zijn eindverslag benoemt Germijns in punt 12 als bouwfouten van eiseres VKN Projecten BV dat zij de polyurea coating heeft aangebracht op door Hooyberghs NV vooraf aangebrachte ondervloeren (chapes) die daartoe (naar de rechtbank begrijpt) wegens evident onvoldoende afschot niet geschikt waren zonder dat met de overige bouwpartijen te communiceren, en voorts dat de polyurea in 2006 op enkele plaatsen door de werknemers van eiseres te dik was aangebracht waardoor het toch al onvoldoende afschot van de ondervloeren geheel teniet werd gedaan en het douchewater water uit de gecoate douches zo de hotelkamers instroomde.

2.10

In de tussentijd had eiseres op 5 februari 2008 een volgende factuur van dit keer
€ 12.805,62 aan HRI verzonden, waarbij zij € 3.500,00 factureerde voor de door haar directeur [B] aan de kwestie van het Antwerpse hotel bestede uren en € 9.305,62 voor de declaraties van mr. Dijkman, dat alles in de periode van maart 2007 tot februari 2008. Ook deze zevende factuur van eiseres is onbetaald gelaten door HRI en/of door gedaagde. Ook een sommatiebrief van eiseres van 7 februari 2008 gericht aan het adres van gedaagde in Antwerpen heeft niet tot betaling van de daarin verzochte openstaande facturen van € 36.768,75 + € 17.996,50 + € 12.805,62 = in totaal inmiddels € 67.570,87 geleid.

2.11

Bij aangetekende brief van 2 juli 2012 aan gedaagde - zekerheidshalve ook verzonden per gewone post, per e-mail en in kopie aan mr. Nackaerts, en toen (zie hiervoor bij 2.9) nog in afwachting van het definitieve deskundigenrapport van Germijns - heeft mr. Dijkman namens eiseres de directeuren [C] en [A] van gedaagde verzocht en gesommeerd om de nog steeds openstaande facturen van in totaal € 67.570,87 te betalen en daarbij ook geschreven: Voor zover nodig, dient u deze brief te beschouwen als een de verjaring stuitende en schriftelijke aanmaning (…) zoals bedoeld in artikel 3:317 BW.

2.12

Nadat ook daarna betaling is uitgebleven, heeft mr. Dijkman namens eiseres gedaagde op 17 juli 2014 doen dagvaarden in deze civiele bodemprocedure voor de rechtbank Den Haag, die strekt tot betaling van de openstaande facturen met rente en kosten. Ondertussen heeft gedaagde alle relevante betrokken bouwpartijen met uitzondering van eiseres - dit gelet op het volgens gedaagde toepasselijke forumkeuzebeding, zie hiervoor bij 2.1 - met een beroep op het omvangrijke deskundigenrapport van Germijns doen dagvaarden ter eerste rolzitting van 7 februari 2014 van de rechtbank te Antwerpen. Die procedure strekt kort gezegd tot betaling van schadevergoedingen aan eiseres van in totaal
€ 1.859,880,86 plus rente en kosten wegens alle bouwgebreken en bouwvertragingen.

De geschillen

3.1

In deze procedure vordert eiseres betaling door gedaagde van in totaal 67.570,87 voor de openstaande facturen, € 40.364,85 voor (verdere) kosten van haar advocaat mr. Dijkman en € 36.924,50 voor (verdere) reis- en verletkosten van haar directeur [B] , alles met de gebruikelijke (overige) nevenvorderingen. Gedaagde voert meerdere gemotiveerde verweren tegen die vorderingen.

3.2

De rechtbank zal bij haar hierna volgende beoordeling de voor haar beslissingen relevante ingenomen standpunten van eiseres en gedaagde vermelden.

De beoordeling

4.1

Gedaagde voert het primaire verweer dat eiseres niet ontvankelijk is in haar vorderingen tegen gedaagde, omdat eiseres zich voor betaling van openstaande facturen in deze kwestie moet richten tot HRI voornoemd en niet tot gedaagde. Eiseres betwist dat.

4.2

De rechtbank verwerpt dat primaire verweer van gedaagde. Uit de voorgaande feitenvaststelling bij 2.1 en 2.2 blijkt immers dat HRI slechts factuuradres was maar geen opdrachtgeefster van eiseres. Opdrachtgeefster van eiseres was onmiskenbaar gedaagde. Naar het oordeel van de rechtbank kan en moet eiseres daarom gedaagde en niet HRI aanspreken op betaling voor de in opdracht van gedaagde door eiseres in Antwerpen verrichte coatingwerkzaamheden in 2006, met nevenvorderingen zoals betaling van alle gestelde maar betwiste bijkomende advocaten- en directeurskosten van eiseres.

4.3

Gedaagde heeft als subsidiair verweer gevoerd dat de meeste deelvorderingen van eiseres wegens openstaande facturen zijn verjaard, met uitzondering van de deelvordering uit de factuur van 5 februari 2008 van € 12.805,62 (zie hiervoor bij 2.10) omdat slechts de verjaring van die deelvordering, anders dan de verjaring van de overige deelvorderingen, wel tijdig is gestuit door de destijds ontvangen stuitingsbrief van mr. Dijkman van 2 juli 2012 (zie hiervoor bij 2.11). Die deelvordering wegens advocaten- en directeurskosten moet evenals de overige gevorderde advocaten- en directeurskosten echter bij gebrek aan feitelijke en juridische grondslag worden afgewezen, aldus gedaagde. Eiseres bestrijdt die standpunten van gedaagde gemotiveerd.

4.4

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vorderingen van eiseres op gedaagde die voortvloeien uit de onbetaalde facturen wegens de in 2006 in opdracht van gedaagde verrichte coatingwerkzaamheden verjaard. Die werkzaamheden zijn door eiseres verricht in 2006 en gefactureerd op (ten dele eerst) 13 september 2006 en (daarna geheel) op 11 januari 2007 voor in totaal € 36.768,75 (zie hiervoor bij 2.2, 2.6 en 2.8), te betalen binnen 14 dagen na die twee factuurdata. De verjaringstermijn van deze vorderingen tot nakoming van contractuele verbintenissen is op grond van wetsartikel 3:307 BW vijf jaar na de datum van opeisbaarheid, dat is in dit geval vijf jaar na (in ieder geval) 25 januari 2007. Die wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar was al geruime tijd verstreken vóór de door gedaagde ontvangen duidelijke en ondubbelzinnige aangetekende stuitingsbrief van mr. Dijkman namens eiseres van 2 juli 2012 (zie hiervoor bij 2.11).

4.5

Eiseres en haar advocaat hebben er ter afwering van het beroep op verjaring door gedaagde ten eerste op gewezen dat de sommatiebrief van 7 februari 2008 (zie hiervoor bij 2.10) heeft te gelden als een tijdige stuitingsbrief van de verjaring, mede gelet op de volgens hen lankmoedige rechtspraak van de Hoge Raad over het leerstuk stuiting van verjaring en vooral gebaseerd op de stelling dat ook deze brief van 7 februari 2008 aangetekend aan gedaagde is verzonden. Met gedaagde is de rechtbank van oordeel dat dit argument van eiseres moet falen. Gedaagde ontkent immers dat zij deze sommatiebrief van eiseres van 7 februari 2008 destijds heeft ontvangen. De brief zelf (productie 5) vermeldt niet dat deze brief aangetekend is verzonden. Ook als de rechtbank met eiseres op grond van de inhoud van productie 29 aanneemt dat deze sommatiebrief door eiseres op 7 februari 2008 wel aangetekend aan gedaagde in Antwerpen is verzonden vanaf het postkantoor in Maassluis, ontbreekt nog steeds het naar Nederlands recht op grond van art. 3:37 BW vereiste ontvangstbewijs uit Antwerpen of het naar Nederlands recht tenminste vereiste bewijs dat de aangetekende brief uit Maasluis tijdig aan gedaagde in Antwerpen is aangeboden op de in Antwerpen daarvoor voorgeschreven wijze, zie daartoe nader de arresten van de Hoge Raad, gepubliceerd in NJ 1998 nr. 897 en NJ 2004 nr. 411.

4.6

Met gedaagde is de rechtbank voorts van oordeel dat eiseres vanaf 7 februari 2008 tot aan de zitting in deze procedure op 26 maart 2015 meer dan voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om dit ontvangstbewijs of dit aanbiedingsbewijs uit Antwerpen te produceren. Voor risico van eiseres en haar advocaat komt dat dit niet is gebeurd. Ook weegt de rechtbank daarbij mee de omstandigheden a) dat eiseres dit bewijsrisico eenvoudigweg had kunnen voorkomen door haar sommatiebrief aan gedaagde van 7 februari 2008 ook aangetekend met ontvangstbewijs en/of per e-mail en/of per fax met ontvangstbewijs aan gedaagde te verzenden en b) dat eiseres in februari 2008 al geruime tijd in al haar conflicten met gedaagde werd bijgestaan door haar Nederlandse advocaat, die evenals de directeur van eiseres de toepasselijke rechtsregels voor verjaring en stuiting van verjaring van rechtsvorderingen geacht wordt te kennen en in de praktijk toe te passen.

4.7

Ten tweede hebben eiseres en haar advocaat ter afwering van het beroep van gedaagde op verjaring ter zitting nog gewezen op de derde alinea van productie 34 en op bladzijde 22 van productie 33 in combinatie met bladzijde 11, slotzin voorlaatste alinea van productie 31. Dat zijn volgens de advocaat van eiseres ook tijdige stuitingshandelingen. De advocaat van gedaagde heeft dat ter zitting betwist. Met gedaagde is de rechtbank van oordeel dat ook dit argument van eiseres moet falen. Daartoe overweegt zij het volgende.

4.8

Productie 34 is een e-mail van mr. Dijkman aan de deskundige Germijns van 5 november 2010, in kopie per e-mail verzonden aan alle bij het langdurige onderzoek van de deskundige Germijns betrokken bouwpartijen en hun advocaten, waaronder directeur [A] en advocaat Nackaerts van gedaagde. Drie van de vier alinea’s van deze e-mail van mr. Dijkman aan Germijns van 5 november 2010 gaan over duur en inhoud van het deskundigenonderzoek. Één van de vier alinea’s luidt als volgt. Door Hotel Banks is aan facturen van mijn cliënte goed € 36.000 exclusief kosten en rente, onvoldaan gelaten. Zolang uw conceptrapport waarin cliënte ten onrechte wordt beticht te kort te zijn geschoten in de nakoming van haar verplichtingen niet gecorrigeerd is, wordt cliënte ten onrechte bemoeilijkt om Hotel Banks succesvol voor de tussen partijen competente rechter, de rechtbank te Den Haag, te dagen om voldoening van het haar toekomende te krijgen. Cliënte leidt daardoor schade.

4.9

Productie 33 is een faxbrief van 23 bladzijden van mr. Nackaerts aan de deskundige Germijns van 30 november 2009 vol met details over diens lopende deskundigenonderzoek, waarin mr. Nackaerts op bladzijden 22 en 23 reageert op bepaalde punten uit het schrijven van confrater […] d.d. 3 november ’09 aan Germijns. Productie 31 is die faxbrief van mr. Dijkman van 3 november 2009 van 11 bladzijden aan Germijns, waarin mr. Dijkman (zie hiervoor ook bij 2.9) op 27 punten gedetailleerd kritisch commentaar geeft op een tweede versie van het voorlopige deskundigenrapport van Germijns, en waarin mr. Dijkman aan Germijns, gelet op productie 33 kennelijk met kopie aan mr. Nackaerts, tot slot op bladzijde 11 schrijft: Conclusie uit het bovenstaande mag zijn dat cliënte het meer dan geboden acht dat het haar toekomende inmiddels aan haar wordt voldaan. Ik vertrouw u met het bovenstaande naar behoren te hebben geïnformeerd en verblijf met vriendelijke groet, hoogachtend (…).

4.10

Met de advocaat van gedaagde is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor geciteerde terloopse passages uit de twee berichten van mr. Dijkman aan de deskundige Germijns, die voor het overgrote deel zeer gedetailleerd ingaan op de inhoud van het Belgische deskundigenonderzoek door Germijns, in de omstandigheden van dit geval niet kunnen worden aangemerkt als voldoende duidelijke en ondubbelzinnige stuitingsbrieven van de onderhavige verjaring naar Nederlands recht aan gedaagde zoals bedoeld door de wetgever in art. 3:317 lid 1 BW en door de Hoge Raad in zijn arresten gepubliceerd in onder meer NJ 1997 nr. 244 en NJ 2006 nr. 270. Daaraan doet onvoldoende af het enkele feit dat de Belgische gedaagde en/of haar Belgische advocaat deze e-mail en faxbrief van de Nederlandse advocaat van eiseres destijds wel hebben ontvangen. Uit niets blijkt immers dat gedaagde en/of haar advocaat mr. Nackaerts deze e-mail van mr. Dijkman van 5 november 2010 (productie 34) en/of deze faxbrief van mr. Dijkman van 3 november 2009 (productie 31) aan Germijns hebben opgevat of redelijkerwijs hadden behoren op te vatten als een aan gedaagde gerichte schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin eiseres zich ondubbelzinnig haar recht op betaling door gedaagde voorbehield voor haar in opdracht van gedaagde in 2006 verrichte werkzaamheden, zoals gefactureerd op 11 januari 2007 voor € 36.768,75 aan (zoals om fiscale redenen overeengekomen niet gedaagde maar) HRI.

4.11

Voor de rechtbank weegt daarbij tenslotte opnieuw mee (zie ook hiervoor bij 4.6) dat de directeur en/of de Nederlandse advocaat van eiseres dit (bewijs)risico eenvoudigweg hadden kunnen voorkomen, door na 11 januari 2007 wel tijdig naar Nederlands recht voldoende duidelijke en ondubbelzinnige, de verjaring stuitende sommatiebrieven aan de Belgische gedaagde met ontvangstbewijs te hebben doen toekomen (zie daartoe bijvoorbeeld ook de hiervoor bij 2.6, slotzin vermelde brief van mr. Dijkman van 22 december 2006 aan mr. Nackaerts) of desnoods gedaagde tijdig binnen vijf jaar na opeisbaarheid te hebben doen dagvaarden voor de rechtbank Den Haag. Voor risico van eiseres moet blijven dat dit alles niet tijdig is gebeurd.

4.12

Het voorgaande betekent dat alle hoofdvorderingen van eiseres die strekken tot alsnog betaling van € 36.768,75 door gedaagde voor haar coatingwerkzaamheden in 2006 naar het oordeel van de rechtbank zijn verjaard en dus moeten worden afgewezen. Reeds daarom moeten naar het oordeel van de rechtbank ook alle nevenvorderingen worden afgewezen, die strekken tot betaling van in totaal € 108.091,47 voor advocatenkosten en directeurskosten. Dit nog daargelaten alle overige tegen die relatief zeer omvangrijke nevenvorderingen door gedaagde gevoerde meer inhoudelijke verweren. Datzelfde geldt voor de afwijzing van de nevenvorderingen die strekken tot betaling van contractuele rente.

4.13

Als de in het ongelijk gestelde partij moet eiseres worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde, die door de rechtbank worden begroot op € 3.829,00 voor betaald griffierecht plus € 2.842,00 voor forfaitair salaris advocaat. Dat is in totaal
€ 6.671,00, zoals bij conclusie van antwoord verzocht uitvoerbaar bij voorraad.

4.14

Na de hiervoor bij 4.4 t/m 4.12 gemotiveerde beslissing tot afwijzing van de ingestelde hoofdvorderingen en nevenvorderingen wegens verjaring, kan en zal de rechtbank de overige meer inhoudelijke geschilpunten van partijen buiten beoordeling laten.

De beslissingen

De rechtbank:

- wijst de vorderingen van eiseres op gedaagde af wegens verjaring daarvan;

- veroordeelt eiseres tot betaling aan gedaagde van € 6.671,- voor de proceskosten, en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op woensdag 16 september 2015.