Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10818

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2015
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2926
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leges. Verbouwing van bedrijfsruimte tot woonhuis. In geschil is of de bouwkosten en daarmee de verschuldigde leges voor de aanvraag van een omgevingsvergunning niet te hoog zijn vastgesteld. Verweerder heeft de bouwkosten, gelet op de aanvraag, de daarbij gevoegde tekeningen, de adviezen van een bouwkundig adviesbureau en de daarop gegeven toelichting, niet te hoog vastgesteld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder is uitgegaan van de aanvraag en de daarbij behorende tekeningen zoals die door eiseres zijn ingediend. Aan de hand van de door het adviesbureau gemaakte bouwkostenraming heeft verweerder inzichtelijk gemaakt dat de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van de bouwwerken zoals die in de vergunningaanvraag zijn opgenomen € 111.200 beloopt. Dat de verbouwing met tweedehands materialen en deels in eigen beheer wordt uitgevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0036
V-N Vandaag 2015/2740
Belastingblad 2016/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/2926

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

11 september 2015 in de zaak tussen

Stichting [X] , wonende te [plaats] , eiseres
(gemachtigde: ir. P.R. Konings),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 9 maart 2015 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde aanslag leges met aanslagnummer 14-79-003146 (de aanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2015.

Namens eiseres is verschenen ir. P.R. Konings, bijgestaan door [persoon A] . Namens verweerder zijn verschenen [persoon B] en [persoon C] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op 12 februari 2014 heeft eiseres een aanvraag met tekeningen (de aanvraag) ingediend voor een omgevingsvergunning bouwactiviteit (omgevingsvergunning) en omgevingsvergunning buitenplanse kleine afwijking met bouwactiviteit ter zake van de als winkel met opslag in gebruik zijnde bedrijfsruimte [adres] te Den Haag. De bouwactiviteit betreft het verbouwen van de als winkel in gebruik zijnde bedrijfsruimte tot een bedrijfsruimte, een winkel met atelier en een bovenwoning. In de aanvraag heeft eiseres de bouwkosten geschat op € 5.515, exclusief BTW.

2. Bij de aanslag is van eiseres een bedrag van € 6.146,02 aan bouwleges geheven, uitgaande van een bouwsom van € 170.286 (inclusief BTW) en daarnaast zijn tot een bedrag van € 564,45 leges geheven ter zake van een omgevingsvergunning buitenplanse kleine afwijking met bouwactiviteit.

3. Bij uitspraak op bezwaar van 9 maart 2015 heeft verweerder het bedrag aan bouwkosten nader vastgesteld op € 111.200 (inclusief BTW) en is de aanslag dienovereenkomstig verminderd.

4. In geschil is of de leges ter zake van de aanvraag voor een omgevingsvergunning tot een juist bedrag zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de hoogte van de bouwkosten juist is vastgesteld. Voor zover de aanslag betrekking heeft op de leges ter zake van de omgevingsvergunning buitenplanse kleine afwijking ten bedrage van € 564,45 is deze niet in geschil.

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aanslag te hoog is vastgesteld en voert daartoe - samengevat - het volgende aan:
- De bouwkosten zijn aanzienlijk lager dan verweerder stelt, namelijk € 25.506,30 (inclusief BTW). De door de gemeente gemaakte bouwkostenraming is gebaseerd op het aantal m² vermenigvuldigd met een eenheidsprijs per onderdeel en is door het ontbreken van specificaties niet te toetsen met de werkelijkheid. De offerte van eiseres is wel marktconform en gebaseerd op de daadwerkelijk uit te voeren werkzaamheden. Verweerder berekent leges over een aantal onderdelen van de aanvraag die feitelijk niet zullen worden uitgevoerd.
- Het geheel of gedeeltelijk in eigen beheer uitvoeren van de werkzaamheden alsmede het gebruik van tweedehands materialen moet tot een lagere grondslag voor de legesheffing leiden.

- Er worden ten onrechte leges berekend over niet-vergunningplichtige onderdelen van de bouwactiviteit.

- De kosten van werkzaamheden die zien op achterstallig onderhoud zijn ten onrechte in de legesberekening meegenomen.

- Volgens de legesverordening worden de leges gebaseerd op de bouwkosten volgens de NEN 2631-norm. De inrichtingskosten vallen daar niet onder.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld. Daartoe verwijst verweerder naar het advies van [adviseur] ( [adviseur] ) van 25 november 2014 en de daarbij behorende bouwkostenraming. Daarin zijn de bouwkosten bepaald op € 111.204 (inclusief BTW). In de beroepsfase is [adviseur] (nogmaals) om advies gevraagd. [adviseur] heeft verweerder in haar advies van 28 juni 2015 geadviseerd de bij uitspraak op bezwaar vastgestelde bouwsom niet verder te verlagen. Uit dit advies blijkt voorts dat eiseres niet alle onderdelen van de bouwactiviteit in haar kostenraming heeft opgenomen dan wel dat een aantal onderdelen daarin voor te lage bedragen in aanmerking zijn genomen. Met het feit dat eiseres (een gedeelte van) de werkzaamheden in eigen beheer uitvoert, kan bij het vaststellen van de bouwkosten geen rekening worden gehouden. Het standpunt van eiseres dat bij de berekening van de bouwkosten alleen de vergunningplichtige onderdelen van de bouwactiviteit in aanmerking moeten worden genomen, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

7. Artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van leges met betrekking

tot de dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning van de

gemeente Den Haag (de Verordening) luidt als volgt:

“Artikel 2 Belastbaar feit
Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.”

Onderdeel 1.1 van de Tarieventabel behorende bij de Verordening luidt als volgt:

“bouwkosten: de aannemingssom, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme
administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 2012 (UAV 2012), echter
inclusief omzetbelasting of voor zover de aannemingssom ontbreekt, een raming van
de bouwkosten als bedoeld in het normblad 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is gewijzigd of vervangen waarbij van toepassing is het bepaalde onder 3.2 van dit normblad, inclusief omzetbelasting. Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt (…) onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft.”

8. Niet in geschil is dat de aanvraag van eiseres voor het verlenen van een omgevingsvergunning in behandeling is genomen. Derhalve heeft het belastbare feit zich voorgedaan en is eiseres leges verschuldigd geworden.

9. De leges worden berekend over de bij de aanvraag aangegeven aanneemsom of raming van de kosten van het werk (begroting), mits deze door de heffingsambtenaar wordt goedgekeurd. Indien bij de aanvraag geen begroting is overgelegd, of indien de overgelegde begroting niet wordt goedgekeurd, worden de vermoedelijke kosten van het werk door de heffingsambtenaar geschat en worden daarnaar de verschuldigde leges berekend. Bij de berekening van de kosten wordt uitgegaan van de prijs, welke aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk (zie Hoge Raad 9 oktober 1991, nr. 27.576, ECLI:NL:HR:1991:ZC4731).

10. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de bouwkosten met € 111.200 (inclusief BTW) niet op een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de aanvraag, de daarbij gevoegde tekeningen, de adviezen van [adviseur] en de daarop ter zitting gegeven toelichting, daarin geslaagd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder bij de vaststelling van de bouwkosten is uitgegaan van de aanvraag en de daarbij behorende tekeningen zoals die door eiseres zijn ingediend. Aan de hand van de door [adviseur] , met inachtneming van de NEN 2631-norm, gemaakte bouwkostenraming heeft verweerder inzichtelijk gemaakt dat de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van de bouwwerken zoals die in de door eiseres ingediende vergunningaanvraag en de daarbij behorende tekeningen zijn opgenomen € 111.200 beloopt.

11. Eiseres heeft het door haar voorgestane lagere bedrag van € 25.506,30 (inclusief BTW) niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat, gelet op de aanvraag van eiseres en de adviezen van [adviseur] , een deel van de in de aanvraag opgenomen werkzaamheden niet of voor te lage bedragen in de offerte van eiseres is opgenomen, zodat eiseres bij haar berekening is uitgegaan van een te laag bedrag aan bouwkosten. Dat, zoals eiseres ter zitting heeft verklaard, niet alle in de aanvraag vermelde en op de tekeningen aangegeven werkzaamheden ook daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd, maakt dit niet anders. De verschuldigde leges dienen immers te worden berekend op basis van de bouwactiviteit zoals die in de aanvraag vermeld is. Daarbij komt nog dat, zo heeft verweerder ter zitting onweersproken verklaard, het gaat om werkzaamheden die op grond van het geldende Bouwbesluit verplicht moeten worden uitgevoerd zodat eiseres ook verplicht was deze in de aanvraag op te nemen.

12. Eiseres heeft voorts gesteld dat de bouwkosten aanmerkelijk lager zijn dan het door verweerder vastgestelde bedrag, omdat eiseres het werk deels in eigen beheer en deels met tweedehands materialen doet uitvoeren. Ten aanzien van deze stelling overweegt de rechtbank dat, vanwege het objectieve karakter van de legesheffing, onder bouwkosten dient te worden verstaan de prijs welke aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarvoor de vergunning werd verleend (zie Hoge Raad 9 oktober 1991, nr. 27 576, BNB 1991/338). Ook in onderdeel 1.1 van de Tarieventabel is dit uitgangspunt tot uitdrukking gebracht. De stelling van eiseres dat zij de bouwactiviteiten (deels) in eigen beheer heeft uitgevoerd dan wel zal uitvoeren waardoor de bouwkosten lager zullen uitvallen dan bij uitvoering door een aannemer, leidt dan ook niet tot de conclusie dat de bouwkosten op een lager bedrag moeten worden vastgesteld. Ook de stelling van eiseres dat er met tweedehands materialen zal worden gewerkt, leidt niet tot een ander oordeel, daar bij de vaststelling van de kosten voor bouwmaterialen uitgegaan dient te worden uitgegaan van objectieve normen. Deze kosten moeten dan ook worden vastgesteld aan de hand van de prijzen in het economisch verkeer voor materialen van gemiddelde kwaliteit. Dat verweerder dit uitgangspunt in zijn bouwkostenraming heeft miskend, is gesteld noch gebleken.

13. De stelling van eiseres dat in de aanvraag een aantal niet-vergunningplichtige onderdelen begrepen is waarover geen leges verschuldigd zijn, faalt eveneens. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres de aanvraag heeft ingediend voor het volledige project en dat uit de aanvraag niet blijkt dat eiseres deze heeft willen beperken tot de vergunningplichtige werkzaamheden, nog daargelaten de vraag of de eventuele niet-vergunningplichtige onderdelen op een toetsbare wijze van de overige werkzaamheden van het project kunnen worden onderscheiden. Dit brengt mee dat verweerder de aanvraag moest beoordelen voor het gehele project, inclusief de daarin opgenomen niet-vergunningplichtige onderdelen, zo daarvan al sprake is.

14. Haar stelling dat in de door verweerder ingebrachte bouwkostenraming ook kosten voor achterstallig onderhoud (dat wil zeggen: kosten gemaakt voor het in oude staat herstellen van onderdelen van het bouwwerk) zijn opgenomen, heeft eiseres onvoldoende onderbouwd, laat staan dat zij deze voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

15. Ten slotte heeft eiseres gesteld dat verweerder niet in overeenstemming met de NEN 2631-norm heeft gehandeld door inrichtingskosten in de bouwkostenraming op te nemen. De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn bouwkostenraming een post voor installaties alsmede een post voor vaste inrichting heeft opgenomen. Op grond van onderdeel 1.1 van de Tarieventabel bij de Verordening dienen de bouwkosten te worden berekend met inachtneming van het bepaalde onder punt 3.2 van het normblad 2631 (bijlage 6 bij het verweerschrift). Daaruit volgt dat de bouwkosten bestaan uit kosten voor bouwkundige werken, kosten voor installaties (werktuigbouwkundige en elektrische installaties) en kosten voor vaste inrichtingen. Gelet hierop heeft verweerder de bouwkosten in overeenstemming met het bepaalde onder punt 3.2 van het normblad 2631 vastgesteld. De stelling van eiseres faalt.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.