Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10804

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
17-09-2015
Zaaknummer
C-09-479844-HA ZA 14-1402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verklaring van de derdebeslagene wordt door de beslaglegger betwist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/479844 / HA ZA 14-1402

Vonnis van 2 september 2015

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van Delaware
[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A.S. Frommelt te Blaricum,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 november 2014 met producties;

- de conclusie van antwoord van 18 februari 2015 tevens houdende de incidentele vordering tot zekerheidsstelling ex artikel 477a lid 2 Rv, met producties;

- het incidentele vonnis van deze rechtbank van 15 april 2015 waarbij onder meer een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de op 12 juli 2015 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde stukken;

- de brief van mr. Frommelt van 18 augustus 2015 met opmerkingen over het proces-verbaal;

- de brief van mr. Le Poole van 21 augustus 2015 met een reactie op voormelde brief.

1.2.

Op de comparitie van partijen is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is een in de Verenigde Staten gevestigde filmproducent.

2.2.

[gedaagde] treedt op als “Collective Account Manager” (hierna ook “CAM”). Zij houdt als onafhankelijke derde de financiële stroom van de opbrengsten van de exploitatie van filmwerken bij en administreert deze. Bij de totstandkoming van filmwerken zijn meerdere partijen betrokken, zoals producenten, sales agents, financiers, acteurs, scenaristen en regisseurs. Al deze partijen hebben een financieel belang bij de exploitatie van het filmwerk en hebben recht op een deel van de opbrengsten die voortvloeien uit de openbaarmaking en verveelvoudiging van filmwerken. Deze opbrengsten worden gestort op een speciaal voor het filmwerk geopende bankrekening van [gedaagde] , het “CAM Account”. [gedaagde] verdeelt vervolgens de opbrengsten onder de belanghebbenden en keert deze bedragen uit. Voor haar diensten ontvangt [gedaagde] een percentage van ongeveer 1% van de opbrengsten.

2.3.

De voorwaarden waaronder [gedaagde] haar diensten aanbiedt zijn bepaald in de per filmwerk af te sluiten standaardovereenkomst, de “Collection Account Management Agreement” (hierna: “CAM Agreement”). Deze CAM Agreements worden gesloten tussen [gedaagde] en alle belanghebbende partijen. De bij de CAM Agreements betrokken sales agents zijn op grond van de bepalingen van de CAM Agreement verplicht om te bewerkstelligen dat de distributeurs – die geen partij zijn bij de CAM Agreements – de opbrengsten op het CAM Account storten.

2.4.

[X] BV (hierna: [X] ) is een sales agent zoals bedoeld in de CAM Agreements. Zij houdt zich bezig met de verkoop van exploitatierechten van filmwerken en distributeurs. Zij heeft 23 CAM Agreements gesloten met [gedaagde] en treedt in al deze overeenkomsten op als sales agent. Op de meeste CAM Agreements is Amerikaans recht van toepassing verklaard, in een aantal gevallen een ander buitenlands recht of Nederlandse recht.

2.5.

In een procedure tussen [eiseres] als eiseres en [X] als gedaagde heeft de rechtbank Amsterdam [X] bij verstekvonnis van 16 oktober 2013 veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van USD 811.785,38, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente en diverse kosten. Het vonnis heeft kracht en gezag van gewijsde en is voor tenuitvoerlegging vatbaar. Het vonnis is op 5 november 2013 aan [X] betekend.

2.6.

Tot verzekering van hetgeen [eiseres] op grond van het vonnis van [X] te vorderen heeft, heeft zij op 12 augustus 2014 executoriaal derdenbeslag gelegd onder [gedaagde] voor een bedrag van USD 812,634.31 p.m..

2.7.

[gedaagde] heeft op 8 september 2014 een verklaring als bedoeld in artikel 475 lid 2 jo. 476b Rv aan de betrokken deurwaarder gestuurd. In deze verklaring, die is gedaan op een door de deurwaarder verstrekt formulier, is vermeld:

“Tussen ondergetekende en de schuldenaar bestaat(n) (nog) de volgende rechtsverhouding(en):
Collection account management overeenkomst voor diverse films, zie bijgevoegd 1 van de contracten.

(…)

Aan de schuldenaar zijn de volgende bedragen verschuldigd:
EUR 8,737,10 + USD 17,302,82 + commissie en eventuele onkostenvergoedingen mbt toekomstige nog te ontvangen gelden.”

2.8.

Op 12 september 2014 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] schriftelijk verzocht om afgifte van alle overeenkomsten waarin enige rechtsverhouding tussen [X] en [gedaagde] is vastgelegd, waaronder in elk geval de relevante filmcontracten.

2.9.

Op 18 september 2014 heeft een telefonische bespreking plaatsgevonden tussen de juriste van [gedaagde] , [de juriste] (hierna: [de juriste] ) en de advocaat van [eiseres] . In dat gesprek heeft [de juriste] een toelichting gegeven op de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en [X] en heeft zij aangegeven dat [gedaagde] , gelet op de vertrouwelijke informatie daarvan, niet zonder meer alle CAM Agreements met [eiseres] kan delen. Namens [gedaagde] is toegezegd de CAM Agreements in geanonimiseerde vorm aan [eiseres] te verstrekken.

2.10.

Op 19 september 2014 zijn zes geanonimiseerde CAM Agreements aan [eiseres] verzonden; op 14 oktober 2014 zijn de overige Agreements (op twee na) aan [eiseres] verzonden.

2.11.

Op 6 oktober 2014 heeft [gedaagde] aan [eiseres] een ten behoeve van [eiseres] opgesteld overzicht, getiteld “Overview CAM FILMS/ [X] ” (hierna ook: “het overzicht”), toegezonden. Op dit overzicht zijn de 23 filmwerken vermeld, waarbij per film een aantal kolommen is weergegeven, waaronder de volgende:

 “ “Payable to [X]”. In deze kolom zijn de in de verklaring vermelde bedragen vermeld alsmede een bedrag van USD 6.65 (gedateerd 5/9/2014);

 “ “Payable by [X] due to overpayment (USD). In deze kolom is een bedrag van in totaal USD 633,852.64 vermeld, verdeeld over 8 filmwerken;

 “ “Current outstanding MG”. In deze kolom, waarbij “MG” staat voor “Minimum Guarantee”, is per film een bedrag vermeld. Het totale saldo bedraagt USD 1,344,010.17;

2.12.

In de begeleidende e-mail van 6 oktober 2014 heeft [gedaagde] de volgende toelichting op het overzicht gegeven:

“Please find attached the overview of all the projects we have with [X] (…), which includes the amounts currently payable to [X] and the outstanding parts of the minimum guarantees per film.

The Column “Payable by [X] due to overpayment (USD)” represents the amounts of the payments that were paid directly by various Distributors to [X] , deducted with any Entitlements that would have been payable to [X] in case they were not directly paid. As soon as those overpayments have been repaid out [X] ’s current and future entitlements in connection of those projects (and, therefore, follow from the same legal relationship between [gedaagde] and [X] ), any further [X] Entitlements will be subject to your client’s seizure and as such will be paid to your client.”

2.13.

Namens [eiseres] heeft haar advocaat bij e-mail van 13 oktober 2014 hierop, voor zover van belang, het volgende geantwoord:

“Please note that [eiseres] does not agree with how you wish to handle the amounts of the payments that were paid directly by various distributors to [X] , as mentioned in your e-mail dated October 6, last (...). I will come back to you on this after having received and studied all the relevant CAM-Agreements.”

2.14.

In een nadere, bij e-mail van 14 oktober 2014, gegeven toelichting, heeft [gedaagde] nog het volgende toegevoegd:

“Furthermore, please be advised that our position on the overpayments of [X] has been discussed in detail with our lawyers and is also in line with the CAM Agreements, (clause 5.9 of each of the applicable agreements), so we do not see on which legal basis we can retain any of the amounts which would been payable to [X] but due to the overpayment are now payable to the Other Parties, without us being in breach of contract. Up until now [eiseres] has not given us any legal arguments as to why we should need to change our point of view in this respect.”

2.15.

De bepaling waarop [gedaagde] in deze e-mail doelde is in de meeste CAM Agreements te vinden onder artikel 5.9, in een enkele overeenkomst op een andere plaats. Deze bepaling is in de meeste overeenkomsten op de volgende wijze weergegeven:

“Repayment of overpayment

Each Party agrees that in case it has received more than its Entitlement(s), it shall upon becoming aware thereof or upon request by the CAM, which request may also be addressed to any Beneficiary, not being a Party, immediately pay or repay such amount plus interest at a rate of LIBOR +1% per annum thereon into the Collective Account for correct distribution by the CAM in accordance with this Agreement. The CAM’s next Statement will, to the extent applicable, be an adjusted Statement showing the correct Entitlements. The CAM shall make no further payments to the relevant Party(ies) or Beneficiaries, as applicable until such amount has been repaid in full, including fore-mentioned interest, and it may formally notify such Party(ies) or Beneficiary, as applicable, upon the occurrence of such situation.”

Deze bepaling wordt verder in dit vonnis aangeduid als de “Overpayment clausule”. De tekst is niet in alle CAM Agreements hetzelfde. Zo is in de CAM Agreement met betrekking tot de filmprojecten “Disgrace” en “Hunt Angels” de volgende formulering gebruikt: “If a party receives a distribution of more than its Entitlement, it shall immediately repay such overpayment into the Collect Account for correct distribution by the CAM.”

2.16.

Na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding hebben partijen de (schriftelijke en telefonische) correspondentie nog enige tijd voortgezet. Zo heeft de advocaat van [eiseres] bij e-mail van 17 december 2014 aan [gedaagde] het volgende bericht:

“You have indeed provided a lot of information already and [eiseres] does also agree with your statement that the applicable law (article 6:130 DCC) provides that if an attachment is levied on a claim, the debtor ( [gedaagde] in this case) is authorized despite the attachment to set off a counterclaim against the original debtor ( [X] ), as long as the counterclaim follows from the same legal relationship as the attached claim or has already accrued to [gedaagde] before the attachment and has become due and payable. This is not the dispute and in fact in line with [eiseres] ’s claims as described in the writ of summons that was served against [gedaagde] .

The issues/questions at hand are these:

[eiseres] is not convinced (yet) that [gedaagde] has indeed a counterclaim on [X] that “follows from the same legal relationship as the attached claim or has already accrued to [gedaagde] before the attachment and has become due and payable.” Your reference to article 5.9 in the several CAM-Agreements with the title “Repayment of overpayment”, is not sufficient to convince [eiseres] . This clause seems to be written for the situation that the CAM – by accident – paid too much money out of the CAM-account to one of the beneficiaries. The CAM-agreement provides for a right to claim Repayment of such overpayments.

(…)

In this case however, we are dealing with the fact that [X] and other parties involved agreed to act in a different way than what can be considered to be the normal course of the business. The Parties involved seem to be in agreement with the fact that [X] collected revenues related to several films on its own bank account, with all risks involved. Yesterday, you informed us that none of the parties involved took (or intends to take) legal actions against [X] and/or [gedaagde] , which confirms their agreement with the fact that [X] collected the revenues. As a consequence, the relevant CAM-agreements do not apply (anymore) with respect to these revenues that are collected by [X] in stead of [gedaagde] .

(…)

Whatever the beneficiaries agreed to with respect to the revenues (to be) collected by [X] : it should not prejudice/harm [eiseres] ’s means of recovery. That could be considered as acting fraudulent in respect of [eiseres] and that stands in the way of (executing) a right to set off.

Your standpoint leads to the situation that makes it impossible for [eiseres] to execute the obtained judgement on [X] ’s claims.”

2.17.

De in de verklaring door [gedaagde] genoemde bedragen zijn door haar aan [eiseres] betaald. In de loop van deze procedure heeft [gedaagde] aan [eiseres] bericht dat zij daarnaast een bedrag van € 1.397,54 zal overmaken in verband met de film “Food Inc” (e-mail van 29 april 2015). Bij e-mail van 2 juni 2015 heeft [gedaagde] aan [eiseres] laten weten dat met betrekking tot de film “Against the Current” een bedrag is binnengekomen op de CAM account, waarvan een bedrag van USD 179.188 aan [X] toekomt. Dit bedrag is op 3 juni 2015 aan [eiseres] overgemaakt.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat [gedaagde] in gebreke is met het (tijdig) afleggen van een verklaring zoals bedoeld in artikel 476a en 467b lid 2 Rv;

  2. veroordeling van [gedaagde] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis de verklaring aan te vullen met zodanige bescheiden en toelichting dat daaruit onmiskenbaar valt op te maken welke rechtsverhoudingen ten tijde van de beslaglegging op 12 augustus 2014 tussen haar en [X] bestonden en welke vorderingen daaruit – over en weer tussen [X] en [gedaagde] – voortvloeien of nog zullen of kunnen voortvloeien, en – indien en voor zover een beroep wordt gedaan op verrekening – waarom en in hoeverre sprake is van een verrekeningsrecht, en om de toelichting met betrekking tot de aan de orde zijnde rechtsverhoudingen die beheerst worden door buitenlands recht te voorzien van opinies van onafhankelijke deskundigen op het gebied van dat recht, althans van zodanige bescheiden als de rechtbank goeddunkt, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen van € 10.000 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

  3. veroordeling van [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] te betalen de bedragen waarvoor op 12 augustus 2014 onder haar ten laste van [X] beslag is gelegd, primair als ware zij daarvan zelf schuldenaar, subsidiair als derde-beslagene;

  4. vaststelling of begroting van de schade die [eiseres] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het door [gedaagde] in gebreke zijn met het (tijdig) afleggen van een verklaring als bedoeld in artikel 476a en 476 b lid 2 Rv;

  5. veroordeling van [gedaagde] om op eerste verzoek van [eiseres] aan haar te vergoeden de schade die [eiseres] heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van het uitblijven of tijdig uitblijven van een derdenverklaring;

  6. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan deze vordering, kort gezegd, het volgende ten grondslag. [eiseres] heeft onvoldoende informatie van [gedaagde] ontvangen over de vorderingen die [X] ten tijde van de beslaglegging op [gedaagde] had en op basis van de tussen hen bestaande rechtsverhouding nog zal krijgen. Volgens [eiseres] beroept [gedaagde] zich op verrekening zonder dat duidelijk is tegen welke tegenvordering van [X] op [gedaagde] de vordering is verrekend. Evenmin blijkt volgens haar uit het verstrekte overzicht welke kosten in aftrek zijn gebracht op de met de 23 films behaalde bruto-omzetten en in hoeverre de met deze films gegenereerde omzetten bij [gedaagde] dan wel [X] zijn terecht gekomen. Nu [gedaagde] in gebreke is gebleven in de zin van artikel 477a lid 1 Rv kan zij worden veroordeeld tot betaling van een bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware zij zelf schuldenaar. Subsidiair betwist [eiseres] de verklaring op de voet van artikel 477a lid 2 Rv. Daarnaast is [gedaagde] in de visie van [eiseres] gehouden tot vergoeding van de schade die zij lijdt als gevolg van het (langdurig) uitblijven van een verklaring die voldoet aan de vereisten van artikel 476 lid 2 Rv.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering is primair gebaseerd op artikel 477a lid 1 Rv. Daarin is bepaald dat de derde-beslagene wordt veroordeeld tot het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware hij daarvan zelf schuldenaar indien hij in gebreke blijft verklaring te doen. De omvang van de verklaringsplicht wordt bepaald door de in artikel 476a en artikel 476b Rv vermelde vereisten. Onder meer moet in de verklaring worden weergegeven of de derde-beslagene al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden. Verder moeten ook de aard en het beloop van de door het beslag getroffen vorderingen en eventueel de tijdsbetalingen of voorwaarden die daaraan zijn verbonden, worden vermeld (artikel 476a lid 2 onder a en b Rv). Ingevolge artikel 476b Rv gaat de verklaring zoveel mogelijk vergezeld van afschrift van tot staving dienende bescheiden.

4.2.

De parlementaire geschiedenis geeft geen duidelijkheid over de vraag wanneer sprake is van het geval dat geen verklaring is gedaan. Ook indien met [eiseres] – en in lijn met het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2010, LJN BN3642 – als uitgangspunt wordt genomen dat een verklaring die niet voldoet aan de vereisten van artikel 476a lid 2 jo artikel 476b Rv, in haar gevolgen gelijk moet worden gesteld aan het geval waarin in het geheel geen verklaring is afgelegd, kan de primaire vordering niet worden toegewezen. Daartoe is het volgende van belang.

4.3.

Zoals uit de weergegeven feiten blijkt, heeft [gedaagde] in eerste instantie de door de deurwaarder verstrekte verklaring ingevuld en heeft zij ter adstructie van de door haar vermelde vorderingen van [X] een voorbeeld van een CAM Agreement toegevoegd. Daarna heeft zij op verzoek van [eiseres] ook het leeuwendeel van de overige CAM Agreements in geanonimiseerde vorm aan haar ter beschikking gesteld – waaruit [eiseres] het percentage van de commissie van [X] kon afleiden – en heeft zij, zo te zien eigener beweging, het onder 2.11 vermelde overzicht opgesteld en aan [eiseres] verstrekt. Op dit overzicht heeft [gedaagde] zowel schriftelijk als telefonisch een toelichting gegeven. Daarnaast heeft zij [eiseres] gewezen op de Overpayment clausule en heeft zij uiteengezet hoe deze bepaling door de contractspartijen in de praktijk wordt toegepast. Met de door [gedaagde] gedane verklaring en de daarop gegeven, met stukken onderbouwde, toelichting heeft zij naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de in de wet gestelde vereisten. Dit geldt temeer nu [eiseres] niet heeft gesteld dat zij om meer feitelijke informatie heeft gevraagd. Dat [eiseres] enig nader verzoek heeft gedaan blijkt evenmin uit de door [gedaagde] overgelegde en onder de feiten deels weergegeven correspondentie tussen partijen. In het licht hiervan kan [eiseres] ook niet met succes in deze procedure betogen dat [gedaagde] niet duidelijk heeft gemaakt welk deel van de behaalde omzetten bij [X] terecht is gekomen.

4.4.

De in dit verband nog door [eiseres] ingenomen stelling dat [gedaagde] niet duidelijk heeft gemaakt welke kosten in aftrek zijn gebracht op de met deze projecten behaalde bruto-omzet geeft evenmin grond tot toewijzing van de vordering. Nu [gedaagde] ter zitting onbestreden heeft gesteld dat het niet waarschijnlijk is dat ten behoeve van de 23 filmprojecten in de toekomst nog kosten worden gemaakt omdat deze in het verleden al zijn gemaakt en vergoed en dat eventueel nog te maken kosten pas duidelijk worden op het moment dat deze daadwerkelijk zijn gemaakt, kan niet worden gezegd dat de op de verklaring ten aanzien van de kosten vermelde mededeling onjuist is.

4.5.

Niet gezegd kan dus worden dat hier sprake is van een situatie die gelijk gesteld moet worden met het geval waarin in het geheel geen verklaring is afgelegd. Op dit oordeel stuiten de primaire vordering en daarmee samenhangende (schadevergoedings)vorderingen af.

4.6.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de bespreking van de subsidiaire vordering, die haar grond vindt in de betwisting van de verklaring van [gedaagde] (artikel 477a lid 2 Rv). Deze vordering moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het volgende uitgangspunt. De derde-beslagene dient zijn verklaring op grond van artikel 476a lid 2 en artikel 476b Rv weliswaar zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden, maar dit betekent niet dat hij in een betwistingsprocedure de bewijslast heeft. De bewijslast van de stelling dat de schuldenaar wel een (hogere) vordering heeft op de derde-beslagene, rust op de beslaglegger (vergelijk HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256).

4.7.

Voor zover [eiseres] de juistheid van de door [gedaagde] in de verklaring genoemde bedragen die zij op dat moment in haar hoedanigheid van CAM aan [X] verschuldigd stelde te zijn, feitelijk bestrijdt, is deze betwisting in het licht van de door [gedaagde] verschafte inlichtingen enerzijds – waarbij van belang is dat de verklaring overeenstemt met de in het op 6 oktober 2014 verzonden overzicht vermelde bedragen – en de tussen partijen gevoerde correspondentie anderzijds, onvoldoende onderbouwd. Het moet er dus voor worden gehouden dat de verklaring in zoverre juist is.

4.8.

Veeleer lijkt de tussen partijen gevoerde correspondentie – en meer in het bijzonder de brief van (de advocaat van) [eiseres] van 17 december 2014 – erop te duiden dat zij niet zozeer de door [gedaagde] in het overzicht genoemde bedragen betwist, als wel de uitleg en toepassing die [gedaagde] aan de Overpayment clausules geeft. Deze, door [gedaagde] aan deze bepalingen gegeven uitleg komt er in wezen op neer dat [gedaagde] (en de overige partijen bij de CAM Agreements) ook ingeval een partij – [X] – gelden van derden ontvangt, de Overpayment clausule in zoverre toepassen dat [X] de commissie die haar toekomt mag behouden en alleen het meerdere dient te storten op het CAM Account. In de visie van [eiseres] heeft deze clausule echter uitsluitend betekenis in de gevallen waarin [X] ten onrechte een te hoog bedrag uit het CAM Account heeft ontvangen. Deze bepaling ziet volgens haar niet op de gevallen waarin [X] van derden gelden ontvangt. Volgens [eiseres] ligt het bovendien op de weg van [gedaagde] om aan de hand van notities van deskundigen te onderbouwen hoe deze clausule in de CAM Agreements die worden beheerst door buitenlands recht, moet worden uitgelegd.

4.9.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. De hiervoor als uitgangspunt genomen bewijslastverdeling heeft ook te gelden voor de betekenis die aan de Overpayment clausule moet worden toegekend. Derhalve is niet [gedaagde] met het bewijs belast, maar ligt het op de weg van [eiseres] om de door verdedigde uitleg van de clausule te bewijzen. Dit betekent ook dat [eiseres] , om tot bewijs te worden toegelaten, haar stelling voldoende moet onderbouwen. Aan die stelplicht heeft zij niet voldaan. Daarvoor is allereerst relevant dat het hier gaat om overeenkomsten waarbij [eiseres] geen partij is. Zoals zij zelf heeft onderkend in de brief van 17 december 2014 aan [gedaagde] , passen de contractspartijen bij de CAM Agreements de Overpayment clausule kennelijk toe op de wijze zoals door [gedaagde] aan [eiseres] is verwoord. Uit het debat tussen partijen leidt de rechtbank af dat dit een vaste praktijk is die ook werd toegepast vóór de beslaglegging. Naar het oordeel van de rechtbank is de wijze waarop de Overpayment clausule door de bij de CAM Agreements betrokken contractspartijen werd en wordt toegepast, een belangrijke factor bij de uitleg van de Overpayment clausule. Dat een belangrijk deel van de CAM Agreements wordt beheerst door buitenlands recht, maakt dit niet anders. In elk geval noopte deze toepassing van de clausule [eiseres] ertoe de door haar bepleite uitleg met meer te onderbouwen dan met een enkele verwijzing naar de tekst van de bepaling (die op dit punt overigens niet eenduidig is). Bij gebrek aan een adequate onderbouwing, is er geen aanleiding voor nadere bewijslevering en zal [gedaagde] worden gevolgd in haar uitleg.

4.10.

De door [eiseres] verdedigde uitleg van de Overpayment clausule kan er bovendien toe leiden dat [gedaagde] meer aan [X] betaalt dan zij op grond van de CAM Agreement verschuldigd is (en dat zij wanprestatie zal plegen tegenover de andere contractspartijen). Dat verdraagt zich niet met het uitgangspunt dat een derde-beslagene niet meer hoeft te betalen dan waartoe zij tegenover de schuldenaar gehouden is.

4.11.

Aan wat hiervoor is overwogen kan nog het volgende worden toegevoegd. [eiseres] is klaarblijkelijk van mening dat [gedaagde] alleen een beroep kan doen op de in artikel 6:130 lid 2 BW gegeven verrekeningsbevoegdheid indien de Overpayment clausule daarvoor een juridische grondslag biedt. Dat standpunt wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank komt [gedaagde] ook los van de Overpayment clausule een beroep toe op verrekening. Een verrekeningsberoep is mogelijk in de gevallen dat de tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds voor de beslaglegging opeisbaar is geworden. Zoals onder de feiten weergegeven, is [X] op grond van de bepalingen uit de CAM Agreements gehouden in haar hoedanigheid van sales agent om de betalingen van de distributeurs op het CAM Account van [gedaagde] te laten doen. Aangezien zij deze gelden op haar eigen rekening heeft ontvangen, is zij op grond van voormelde verplichting tegenover [gedaagde] en de overige contractspartijen gehouden het volledige door haar ontvangen bedrag te storten op het CAM Account. Tegenover deze verplichting staat de vordering van [X] tot verkrijging van de haar toekomende commissie. [gedaagde] heeft met een verwijzing naar het als productie 5 overgelegde geactualiseerde overzicht gesteld dat alle vorderingen op [X] uit hoofde van de overpayment – met uitzondering van de vordering die samenhangt met het filmproject “Sleep Dealer” – zijn ontstaan vóór 12 augustus 2014, het moment van de beslaglegging. Met andere woorden, volgens [gedaagde] heeft [X] vóór deze datum de gelden van de distributeurs ontvangen. Deze stelling is niet door [eiseres] bestreden zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat. Met betrekking tot deze projecten moet dus worden aangenomen dat de tegenvordering op [X] ter hoogte van de haar toekomende commissie reeds opeisbaar was voor het beslag. Nu [eiseres] op zichzelf niet heeft bestreden dat het hier gaat om een vordering die [gedaagde] – al dan niet namens de overige contractspartijen – jegens [X] kan inroepen, kan [gedaagde] zich met succes op verrekening beroepen.

4.12.

Dat geldt evenzeer voor de vordering op [X] terzake van het filmproject “Sleep Dealer”. Uit wat hiervoor onder 4.11 is overwogen volgt immers dat de tegenvordering van [gedaagde] op [X] voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de vordering van [X] op [gedaagde] . Deze vordering die [gedaagde] – ook hier al dan niet namens de overigens contractspartijen – jegens [X] heeft, kan zij daarom verrekenen met de vordering van [X] op [gedaagde] ter hoogte van de haar toekomende commissie.

4.13.

Dit een en ander leidt ertoe dat [eiseres] ten onrechte de juistheid van de verklaring heeft bestreden. Hierop stuit ook de subsidiaire vordering af.

4.14.

Bij deze uitkomst zal [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. In lijn met wat hierover in het incidentele vonnis is overwogen met betrekking tot de bepaling van de hoogte van de door [eiseres] te geven zekerheidsstelling, is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] de vordering weliswaar heeft ingesteld als een vordering van onbepaalde waarde, maar zij in wezen (primair) betaling vordert van USD 811,785.38 met rente en kosten. Uitgaande van die vordering is het van toepassing zijnde liquidatietarief dan ook tarief VII, te weten € 2.580 per punt. Dit uitgangspunt leidt tot de volgende berekening. De door [gedaagde] gemaakte kosten bedragen € 3.829 aan griffierecht en € 5.160 aan advocaatkosten (2 punten), in totaal dus € 8.989.

4.15.

Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de proceskostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vergelijk HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116).

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] en begroot deze tot op heden op € 8.989;

5.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Aarts en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2015.