Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10740

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
14-09-2015
Zaaknummer
AWB 15-8927
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een verzoek om afgifte van een artikel 9-document kan, anders dan eiseres heeft betoogd, worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu eiseres verweerder door middel van deze aanvraag heeft verzocht een besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/8927 (beroep)

AWB 15/8928 (voorlopige voorziening)

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 9 september 2015 in de zaak tussen

[eiseres]

geboren op [geboortedag] 1969, van Ghanese nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde: mr. F. Kilic),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 4 september 2014 tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 april 2015 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 30 april 2015 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van gelijke datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig de heer [persoon 1] . De rechtbank, tevens voorzieningenrechter (hierna: rechtbank), heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1.1.

Eiseres is op onbekende datum Nederland ingereisd en heeft op 11 mei 2009 een aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 ingediend. Eiseres stelt de ongehuwde partner van [naam partner] (referent) te zijn. Bij beschikking van 4 augustus 2009 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Het daartegen ingediende bezwaarschrift van 10 augustus 2009 is bij beschikking van 26 september 2009 gegrond verklaard. Eiseres is in het bezit gesteld van het gevraagde document met een geldigheidsduur van vijf jaren. Bij beschikking van 10 december 2013 heeft verweerder het verstrekte document ingetrokken, omdat uit informatie van de vreemdelingenpolitie te Amsterdam-Amstelland is gebleken dat eiseres en referent niet hebben aangetoond dat zij een deugdelijk bewezen duurzame relatie hebben. Het op 23 december 2013 hiertegen ingediende bezwaarschrift is bij beschikking van 5 maart 2014 ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen op 1 april 2014 beroep ingesteld en een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 27 juni 2014 is het beroep ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen (AWB 14/7863 en AWB 14/7864). Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Eiseres heeft op 4 september 2014 onderhavige aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De beschikking van 10 december 2013, waarin het verblijfsrecht van eiseres is beëindigd, moet worden beschouwd als een geheel of gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van 11 mei 2009. Gelet hierop is eiseres ingevolge artikel 4:6 van de Awb gehouden nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova) te vermelden. De door eiseres overgelegde stukken die niet reeds in de vorige procedure zijn overgelegd, kunnen volgens verweerder niet worden aangemerkt als nova. Deze dateren immers van voor de onder 1.1 genoemde uitspraak van 27 juni 2014. Gelet hierop hadden de stukken bij de eerdere procedure redelijkerwijs bekend kunnen zijn en kunnen worden overgelegd. Derhalve is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden.

3. Eiseres voert aan dat verweerder heeft miskend dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie die valt onder artikel 4:6 van de Awb. Er is immers geen sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, nu het een toetsing aan het gemeenschapsrecht betreft.

4.1.

Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder een aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

4.2.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 wordt aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met d, f tot en met h en j tot en met l, en aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, sub 2, 4 en 6, een document of schriftelijke verklaring verschaft, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

5. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiseres een aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb en toepassing van artikel 4:6 van de Awb in gevallen die het recht van de Europese Unie betreffen, geoorloofd is. Verweerder verwijst ter onderbouwing hiervan naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 8 juni 2011

(nr. 201011351/1) en 24 december 2013 (nr. 201300497), waarin de Afdeling aangeeft dat ook in gedingen betreffende het Unierecht artikel 4:6 van de Awb kan worden toegepast. Ook heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in diverse uitspraken geoordeeld dat het nationale kader kan worden toegepast, aldus verweerder.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

Eiseres heeft op 4 september 2014 een aanvraag ingediend om afgifte van een
artikel 9-document. Deze aanvraag kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu eiseres verweerder door middel van deze aanvraag heeft verzocht een besluit te nemen. De beroepsgrond op dat punt slaagt niet.

6.2.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 12 maart 2009 in zaak nr. 200804660/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat de nationale procedureregels evenzeer gelden, indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit dat verband houdt met een verblijfsrecht waarvan het bestaan, naar de desbetreffende vreemdeling stelt, niet afhankelijk is van enig genomen besluit, doch rechtstreeks voortvloeit uit het Unierecht. Hierbij zijn van belang de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van

13 januari 2004, nr. C 453/00, Kühne & Heitz N.V., 16 maart 2006, nr. C 234/04, Kapferer,

19 september 2006, nrs. C-392/04 en C-422/04, i-21 Germany GmbH, en 12 februari 2008, nr. C 2/06, Willy Kempter KG (www.curia.europa.eu). Uit punten 22 en 23 van het arrest Kapferer en punten 51 en 52 van het arrest i 21 Germany GmbH volgt dat ook in gedingen betreffende aanspraken ontleend aan Unierecht de toepassing van nationale procedureregels in beginsel slechts onderworpen is aan de vereisten van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid en dat aan het rechtszekerheidsbeginsel zwaarwegende betekenis toekomt; slechts bij bijzondere omstandigheden als aan de orde in het arrest Kühne & Heitz N.V. bestaat voor een bestuursorgaan de verplichting om vanwege aan het gemeenschapsrecht ontleende materiële aanspraken terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit. Deze omstandigheden zijn als volgt. Het bestuursorgaan dient naar nationaal recht bevoegd te zijn om op het besluit terug te komen. Tevens dient het in geding zijnde besluit definitief te zijn geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep en deze uitspraak berust, gelet op latere rechtspraak van het Hof, op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht gegeven zonder dat het Hof overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG is verzocht om een prejudiciële beslissing. Eiseres dient zich vervolgens onmiddellijk na van die rechtspraak kennis te hebben genomen, gewend te hebben tot het bestuursorgaan.

6.3.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar voorgaande procedure tegen de uitspraak van 27 juni 2014 geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Voorts doet eiseres geen beroep op uitspraken van het Hof van Justitie die dateren van na voormelde uitspraak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval, gelet op bovengenoemde arresten van het Hof van Justitie en de Afdeling, de nationale procedureregels geoorloofd toepassing kunnen vinden op de aanvraag van het document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, nu niet is voldaan aan de bijzondere omstandigheden als aan de orde in het arrest Kühne & Heitz N.V.. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiseres voert voorts aan dat ook indien een relatie in het verleden niet als deugdelijk bewezen is komen vast te staan, op een later moment alsnog kan worden vastgesteld dat sprake is van een verblijfsrecht op grond van voornoemde richtlijn. Eiseres verwijst ter onderbouwing hiervan naar de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2014

(nr. 201400426/1/V3). Verweerder kan niet tot in de eeuwigheid verwijzen naar een eerdere afwijkende beschikking. Eiseres en referent verdienen het recht op nader onderzoek, althans bevestiging van het verblijfsrecht. Hierbij is van belang dat het verblijfsrecht ontleend aan de Richtlijn 2004/38/EG van rechtswege ontstaat. De aard van het recht van de Europese Unie staat om die reden in de weg aan een weigering van het verblijfsrecht met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Eiseres heeft diverse (aanvullende) objectieve bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat zij een daadwerkelijke relatie met referent heeft.

8.1.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

8.2.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

9. Uit de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3755) vloeit voort dat op zichzelf niet valt uit te sluiten dat na het aangaan van een schijnrelatie of schijnhuwelijk alsnog een oprechte relatie tussen eiseres en referent kan zijn ontstaan. Eiseres dient haar stelling dat thans sprake is van een daadwerkelijke relatie echter wel te onderbouwen door middel van nova, nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een herhaalde aanvraag, gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen. De rechtbank stelt vast dat de door eiseres overgelegde stukken dateren van voor de uitspraak van 27 juni 2014, dan wel reeds zijn beoordeeld in de eerdere procedure. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van nova die kunnen leiden tot een inhoudelijke toetsing van het bestreden besluit door de rechtbank. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Eiseres voert verder aan dat de bewijslast in het onderhavige geval onredelijk hoog is. Verweerder miskent dat in de uitspraken van het Hof van Justitie van 25 mei 2000,

C-424/98 en 9 januari 2007, C-1/05 algemene regels van bewijsrecht zijn geformuleerd die erop neer komen dat de bewijsregels in de nationale wetgeving geen migratie-ontmoedigend effect mogen hebben. Door de toepassing van artikel 4:6 van de Awb in combinatie met tegenwerping van de processen-verbaal van de vreemdelingenpolitie Amsterdam-Amstelland van 15 november 2010, 24 januari 2013 en 20 november 2012 wordt het eiseres onmogelijk gemaakt om nog te voldoen aan de bewijslast. Indien en voorzover verweerder twijfelt aan de echtheid van de relatie, ligt het op de weg van verweerder om in deze procedure wederom een hoorzitting of een huisbezoek te laten plaatsvinden.

11. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een te hoge bewijslast. Het bestuursrecht kent een vrije bewijsleer en de relatie zoals die volgens eiseres in zijn huidige vorm bestaat, kan worden aangetoond met alle middelen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bewijslast te hoog is en evenmin dat sprake is van strijd met de richtlijn 2004/38/EG. De beroepsgrond slaagt niet.

12. Eiseres voert ten slotte aan dat verweerder ten onrechte van de hoorplicht heeft afgeweken. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3 aanhef en onder b, van de Awb worden afgeweken, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Een dergelijke situatie doet zich in casu niet voor. Nu er twijfel is aan de kant van de staatssecretaris omtrent de relatie was het agenderen van een hoorzitting het meest geëigende middel om de twijfel weg te nemen. Indien de staatssecretaris immers wel zou hebben gehoord, zouden partijen nader bewijs kunnen leveren omtrent hun relatie. Eiseres en referent persisteren in hun bereidheid om de relatie nog nader te onderbouwen tijdens een hoorzitting.

13.1.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling vloeit voort dat met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts van het horen mag worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit (uitspraak van de Afdeling van 5 december 2008, nr. 200802115/1).

13.2.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het feit dat geen sprake is van nova in de zin van artikel 4:6 van de Awb, aan deze maatstaf is voldaan. Dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat eiseres tijdens een hoorzitting wellicht alsnog nieuwe gezichtspunten zou hebben gebracht, doet daaraan niet af, omdat verweerder de beslissing om van het horen af te zien, neemt op basis van hetgeen in het - aanvullend - bezwaarschrift naar voren is gebracht. Derhalve mocht verweerder van het horen van eiseres afzien. De beroepsgrond slaagt niet.

14. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

15. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

16. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 15/8927,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 15/8928,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bode, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van D. Mohammadi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: DM

Coll.: WdJ

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.