Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10725

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3434
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 7
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 7
Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/3434

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Colgecen-Senol),

en

[P] , verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen het hierna onder 2 te noemen besluit bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 9 april 2015 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen op 13 mei 2015 beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2015 te Den Haag.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger]

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 4 december 2014 een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling ingediend ter zake van een drietal terugvorderingsbeschikkingen, dat betrekking heeft op verleende voorschotten huurtoeslag voor de jaren 2012 tot en met 2014. Het totaalbedrag van de terugvorderingen bedraagt € 11.236.

2. Bij beslissing van 14 februari 2015 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Wel is op grond van de zogenoemde standaardbetalingsregeling uitstel van betaling verleend voor 24 maanden, onder de voorwaarde dat eiseres € 372 per maand afbetaalt. De eerste termijn moet zijn betaald vóór 30 maart 2015. Elke volgende termijn vervalt telkens één maand later. Het totaal verschuldigde bedrag moet op 28 februari 2017 zijn betaald.

Geschil

3. In geschil is of verweerder het onder 1 genoemde verzoek van eiseres terecht heeft afgewezen.

4. Eiseres stelt dat er geen sprake is van opzet dan wel grove schuld en verzoekt een reële betalingsregeling, waarbij rekening wordt gehouden met haar financiële situatie en betalingscapaciteit.

5. Verweerder neemt het standpunt in dat geen betalingsregeling op maat kan worden toegekend, nu het ontstaan van de terugvordering te wijten is aan opzet dan wel grove schuld aan de zijde van eiseres.

Beoordeling van het geschil

6. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir kan verweerder op schriftelijk verzoek van belanghebbende een betaling in termijnen toestaan gebaseerd op diens betalingscapaciteit zoals bedoeld in artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Deze bepaling is, gelet op artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir, niet van toepassing indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner.

7. Niet in geschil is dat eiseres over de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 ten onrechte huurtoeslag heeft ontvangen. Evenmin in geschil is dat eiseres voor diezelfde periode geen wijzingen aan verweerder heeft doorgegeven met betrekking tot het inkomen van haar thuiswonende kinderen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zij in de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 te hoge bedragen aan voorschotten huurtoeslag ontving. Eiseres had kunnen begrijpen dat de inkomens van haar kinderen gevolgen zouden hebben voor haar huurtoeslag, temeer nu zij om dezelfde reden in juni 2012 reeds een terugvorderingsbeschikking huurtoeslag 2010 heeft ontvangen. Eiseres heeft nagelaten om verweerder over de wijziging te informeren, terwijl zij daartoe wel verplicht is. Aldus is sprake van grove schuld aan de zijde van eiseres.

9. Nu het ontstaan van de terugvorderingen te wijten is aan grove schuld van eiseres, komt eiseres niet voor een persoonlijke betalingsregeling op haar betalingscapaciteit in aanmerking.

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. Heekelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

14 augustus 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)