Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10654

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
AWB 15/2103
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:575, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Malta, arrest Tarakhel tegen Zwitserland

De rechtbank is er, gelet op de door eiser aangehaalde passages uit algemene informatie, niet van overtuigd dat dit kwetsbare gezin in Malta niet terecht komt in een situatie, zoals aan de orde in voormeld arrest, te weten in een overvolle accommodatie met alle bijkomende zorgen, waaronder slechte hygiëne. Het EHRM heeft overwogen dat het vereiste van speciale bescherming van asielzoekers met name belangrijk is bij overdracht van gezinnen met kinderen, vanwege hun bijzondere kwetsbaarheid. De opvang van deze gezinnen moet zijn aangepast aan de leeftijd van de kinderen, om te verzekeren dat deze voor hun geen situatie van angst en stress veroorzaken, met in het bijzonder traumatische gevolgen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank er niet van overtuigd dat in het onderhavige geval niet, net als in de uitspraak in de zaak Tarakhel het geval was, aan de Maltese overheid garanties moeten worden gevraagd dat eisers in voor hen geschikte voorzieningen zullen worden opgevangen om handelingen in strijd met artikel 3 EVRM te voorkomen. Verweerder heeft daarom tegen de achtergrond van de uitspraak Tarakhel onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen garanties zou moeten vragen. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2015-09-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2103

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 september 2015 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 1] ,
eiser,

mede ten behoeve van de minderjarige kinderen
[naam 1],
geboren op [geboortedatum 2]
[naam 2],
geboren op [geboortedatum 3] ,
allen van onbekende nationaliteit,

(gemachtigde: mr. C. Chen, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Fairweather, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen omdat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 10 maart 2015 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen (AWB 15/2106).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 604/2013 van de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening).

  2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Malta heeft niet tijdig gereageerd op het overnameverzoek. Op grond van artikel 22, zevende lid, van de Verordening staat dit gelijk met aanvaarding van het overnameverzoek. Nadien heeft Malta het claimverzoek nog expliciet aanvaard.

  3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden. Eiser heeft verklaard dat hij staatloos is, geboren is in Libië en op 26 oktober 2014 het gestelde land van herkomst per boot heeft verlaten. Voorts stelt eiser niet te weten door welke landen hij is gereisd voor in Nederland te zijn ingereisd. Uit onderzoek in EU-Vis blijkt op basis van biometrie echter dat eiser bekend is als [naam 3] , de Jordaanse nationaliteit heeft en geboren is op [geboortedatum 4] . Voorts is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Malta in het bezit is gesteld van een (Schengen)visum voor kort verblijf, geldig van 8 februari 2014 tot 6 augustus 2014. Gelet op de vereisten voor het aanvragen van een visum, waaronder het overleggen van een paspoort, een foto en het afstaan van vingerafdrukken, en de vereisten voor het registreren van deze aanvraag in EU-Vis, ligt het in de rede om uit te gaan van de juistheid van de registratie in EU-Vis. Het ligt derhalve op de weg van eiser om zijn standpunt, dat de personalia in EU-Vis niet juist zijn, te onderbouwen met concrete en objectieve informatie, zoals een grensoverschrijdingsdocument of andere identiteitsdocumenten. Na confrontatie met het EU-Visresultaat heeft eiser verklaard dat hij nimmer een visum heeft aangevraagd. Ook heeft hij ontkend dat zijn daadwerkelijke naam [naam 3] is, dat hij is geboren op [geboortedatum 4] en dat hij de Jordaanse nationaliteit bezit. Eiser stelt eveneens niet te weten hoe het kan dat zijn vingerafdrukken overeenkomen met de vingerafdrukken op basis waarvan de autoriteiten van Malta het visum hebben afgegeven. Hij heeft gesteld dat hij vingerafdrukken en pasfoto’s heeft moeten afstaan aan een kennis van een vriend maar dat hij het contact met deze persoon heeft verloren en nooit een visum of paspoort van deze man te hebben ontvangen. Mogelijk heeft deze persoon misbruik van hem gemaakt. Eiser kan deze stellingen echter niet onderbouwen. Daarbij komt dat uit biometrische gegevens onomstotelijk is komen vast te staan dat het de persoon van eiser betreft die het visum voor Malta heeft aangevraagd en verkregen. Eiser heeft over zijn reis naar Nederland voorts vaag, summier en tegenstrijdig verklaard. Gelet op het resultaat uit EU-Vis en de reactie van eiser hierop worden de verklaringen van betrokkene omtrent zijn identiteit, nationaliteit en reis ongeloofwaardig geacht. Dit betekent dat zowel de inreisdatum van 26 oktober 2014 als de gecorrigeerde datum van 10 november 2014 ongeloofwaardig worden geacht. Dat beide data buiten de geldigheidsduur van het visum vallen doet hier niets aan af. Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat het Maltese visum hem niet daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het grondgebied van de lidstaten. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Malta niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

  4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat hij geen gebruik heeft gemaakt van het Maltese visum. Eiser heeft nimmer gelogen over zijn identiteit. Eiser betwist niet dat uit vingerafdrukkenonderzoek is gebleken dat een visum is afgegeven aan ene [naam 3] , maar hij is niet die persoon en is zelf nimmer in het bezit gesteld van een Maltees visum, laat staan dat hij daarvan gebruikt heeft gemaakt. Anders dan verweerder stelt, heeft hij wel documenten overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen, namelijk zijn rijbewijs (die door de KMAR zeer mogelijk echt is bevonden) en kopieën van zijn geboorteakte (pagina 6 rapport eerste tevens Dublin gehoor). Verder geeft eiser een mogelijke uitleg van het gegeven dat bij het onderzoek naar zijn vingerafdrukken een andere identiteit naar boven is gekomen. Eiser had een kennis ingeschakeld om zijn reis uit Libië te verzorgen. Aan die persoon heeft hij pasfoto’s en vingerafdrukken gegeven. Daarna heeft eiser nooit meer iets van die persoon vernomen. Mogelijk dat die persoon de aanvraag van het Maltese visum heeft gedaan. Aangezien eiser wel documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen, moet de uitleg van eiser hieromtrent als aannemelijk worden beschouwd, althans, verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom dat niet zo is. Beide inreisdata maken dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van het valse visum. Van eiser kan niet worden verwacht dat hij kan opnoemen door welke landen hij is gereisd. Nu de reis zich heeft voltrokken zonder gebruik te maken van publiek vervoer, is niet redelijk dat verweerder verwacht dat eiser reisdocumenten overlegt.

4.1

Op grond van artikel 12, vierde lid, Verordening is een lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, wanneer die lidstaat de vreemdeling één of meer visa heeft verstrekt die minder dan zes maanden zijn verlopen en die hem daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een lidstaat.

4.2

Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen gebruik heeft gemaakt van het visum. De enkele stelling dat het visum door iemand anders is aangevraagd en dat hij van dat visum nooit gebruik heeft gemaakt, is niet onderbouwd. Deze stellingen heeft verweerder onvoldoende kunnen achten om aan te nemen dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van het visum. Eiser heeft geen documenten overgelegd die zijn reis en binnenkomst in het Schengengebied onderbouwen en heeft vaag, summier en tegenstrijdig over de reis verklaard. Uit biometrische gegevens is onomstotelijk komen vast te staan dat eiser eigenlijk de heer [naam 3] betreft aan wie, na overleggen van een paspoort, een visum is verstrekt. Het door eiser overgelegde rijbewijs hiertegenover is onvoldoende. Dit document zegt voorts niets over eisers inreis in de Europese Unie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door de Maltese autoriteiten afgegeven visum hem niet daadwerkelijk toegang tot het gebied van de lidstaten heeft verschaft, de overdracht van eiser aan de Maltese autoriteiten terecht heeft gebaseerd op artikel 12, vierde lid, Verordening. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de uitreisdata heeft verweerder niet hoeven volgen. Voor het aannemen van een nadere onderzoeksplicht van verweerder ziet de rechtbank onvoldoende concrete aanknopingspunten. Het voorgaande geldt temeer nu Malta het claimverzoek heeft aanvaard. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert voorts aan dat niet is gebleken dat er ook een visum voor de kinderen is aangevraagd. Op grond van artikel 11, aanhef en onder a, Verordening zou in dit geval Nederland verantwoordelijk zijn.

5.1

Artikel 11, aanhef en onder a, Verordening luidt:
“Indien meerdere gezinsleden en/of minderjarige ongehuwde broers of zussen in dezelfde lidstaat gelijktijdig of met dusdanig korte tussenpozen een verzoek om internationale bescherming indienen dat de procedures waarbij de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald allemaal tegelijk kunnen worden afgewikkeld, en indien de toepassing van de criteria van deze verordening tot gevolg zou hebben dat de betrokkenen van elkaar worden gescheiden, wordt de verantwoordelijke lidstaat aangewezen op grond van de volgende bepalingen:

a) de lidstaat die volgens de criteria van deze verordening verantwoordelijk is voor de overname van het grootste aantal gezinsleden en/of minderjarige ongehuwde broers of zussen, is verantwoordelijk voor de behandeling van al hun verzoeken om internationale bescherming;(…)”

5.2

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat op grond van artikel 20, derde lid, Verordening Malta ook verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken van de kinderen. De kinderen zijn vermeld op het claimverzoek. Verder heeft verweerder gesteld dat het in het belang van de kinderen is om bij hun vader te blijven. De vrees dat het gezin uit elkaar gehaald zou worden is ongegrond, want de kinderen blijven bij hun vader.

5.3

De rechtbank overweegt dat uit artikel 20, derde lid, Verordening blijkt dat de situatie van de kinderen, nu zij vallen onder de definitie van ‘gezinslid’ als vermeld in artikel 2 aanhef en onder g, tweede gedachtestreepje, Verordening, onlosmakelijk verbonden is met de situatie van hun vader; zij vallen dus ook onder verantwoordelijkheid van Malta, mits dit in het belang van de kinderen is. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat hun asielverzoeken in Nederland worden behandeld. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om bij hun vader te verblijven. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, er geen sprake van is dat ‘de toepassing van de criteria van de Verordening tot gevolg zou hebben dat de betrokkenen van elkaar worden gescheiden’, zoals vermeld in artikel 11, eerste lid, onder a, Verordening. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser betoogt voorts dat verweerder op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening in combinatie met artikel 17, eerste lid, Verordening de asielaanvraag zou moeten overnemen. Eiser voert aan dat ten aanzien van Malta niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan en dat hem bij een overdracht aan Malta een behandeling staat te wachten die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Eiser stelt dat zij bij terugkeer in Malta het reële risico lopen om gedetineerd te worden. Die detentie levert een schending van artikel 3 EVRM op omdat er sprake is van twee minderjarige kinderen, van 7 en 10 jaar, en omdat de verblijfsomstandigheden strijd opleveren met artikel 3 EVRM. Volgens het AIDA rapport van maart 2013 worden asielzoekers in de Dublin-procedure en asielzoekergezinnen met kinderen vaak gedetineerd. Na een “assessment”-procedure wordt het gezin dan gewoonlijk vrijgelaten binnen een of twee weken. Volgens de UNHCR kent de Maltese overheid een beleid van verplichte detentie, waarbij de asielzoekers soms te maken krijgen met moeilijke omstandigheden in detentiefaciliteiten. Sommige faciliteiten voldoen nog steeds niet aan de minimumstandaarden. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kunnen detentie-omstandigheden een schending van artikel 3 EVRM opleveren. Eiser verwijst hierbij naar de arresten van het EHRM inzake Keenan tegen Verenigd Koninkrijk van 3 april 2001 (Application no. 2001/37) en inzake Dougoz tegen Griekenland van 6 maart 2001 (Application no. 40904/98). Volgens laatstgenoemd arrest moet de leeftijd ook meegewogen worden. Voorts doet hij een beroep op het arrest inzake Aden Ahmed tegen Malta van het EHRM van 23 juli 2013 (Application no. 55352/12). In dit arrest was detentie strijdig met artikel 3 EVRM omdat de gedetineerden kou leden en er geen fatsoenlijke dekens aanwezig waren, er onvoldoende vrouwelijk personeel aanwezig was en dat er niet of nauwelijks toegang tot de buitenlucht was. Eiser verwijst voorts naar een uitspraak van de administratieve rechtbank Minden van 12 januari 2015. Eiser voert voorts aan dat er in Malta slechte opvangvoorzieningen zijn. Er wordt in dit kader verwezen naar het AIDA-rapport van maart 2013, laatstelijk bijgewerkt in februari 2015. De dagvergoeding voor asielzoekers in open centra is volgens dit rapport nauwelijks genoeg om in de meest elementaire behoeften te voorzien. Het gebrek aan toegang tot sociale steun verergert deze problemen. Uit een rapport van de UNHCR van oktober 2013 en het US Department of State-rapport van april 2013 volgt dat sommige voorzieningen rudimentair blijven en de centra vaak overbezet zijn. Ook wordt verwezen naar het arrest inzake Tarakhel tegen Zwitserland van het EHRM van 4 november 2014 (Application no. 29217/12). Uit dit arrest volgt volgens de overgelegde brief van de Staatssecretaris van 20 november 2014 dat overdracht naar Italië alleen mogelijk is als er voldoende concrete garanties zijn om te waarborgen dat het gezin bij elkaar kan blijven en de opvang passend is voor de kinderen. Volgens eiser is dit ook van toepassing op Malta, nu daar sprake is van overvolle accommodaties met slechte verblijfsomstandigheden.

6.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat op Malta sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zoals in de zaak M.S.S. tegen Griekenland. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 november 2014, zaaknummer 201401385/1/V3, volgt dat Dublinclaimanten meestal gedetineerd worden, indien zij uit een detentiecentrum zijn gevlucht of met valse papieren het land zijn uitgereisd. Nu eiser heeft verklaard nimmer op Malta te zijn geweest, laat staan dat hij uit een detentiecentrum zou zijn gevlucht dan wel met valse papieren Malta zou zijn uitgereisd, kan het beroep op artikel 3 dan wel artikel 5 EVRM niet slagen. Uit de uitspraken van de Afdeling van onder meer 12 maart 2014, zaaknummer 201301772/1/V4 en 3 november 2014, zaaknummer 201401385/1/V3, volgt voorts dat bij overdracht aan Malta geen situatie zal ontstaan die strijdig zal zijn met artikel 3 EVRM als gevolg van mogelijke tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Uit de door eiser overgelegde rapporten blijkt niet dat aan dublinclaimanten in zijn algemeenheid geen opvang wordt geboden en dat bij een mogelijk gebrek aan opvang dan wel mogelijk slechte leefomstandigheden niet geklaagd zou kunnen worden bij de Maltese autoriteiten. Ook blijkt uit de stukken niet dat de situatie voor terugkerende dublinclaimanten sinds voormelde uitspraken van de Afdeling zodanig is verslechterd dat ten aanzien van Malta niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat thans sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure op Malta. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie op Malta op één lijn moet worden gesteld met de situatie in Italië voor wat betreft ouders met minderjarige kinderen. Gelet op het voorgaande kan ook het beroep op artikel 1 Grondrechtenhandvest niet slagen. De enkele omstandigheid dat eiser alleenstaand is en twee minderjarige kinderen heeft, is onvoldoende voor het oordeel dat zij als bijzonder kwetsbaar dienen te worden aangemerkt. Het in dit verband gedane beroep op artikel 17 Verordening kan dan ook niet slagen.

6.2

Artikel 3, tweede lid, Verordening luidt - voor zover hier van belang -:

“Indien het niet mogelijk is een verzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), blijft de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast de criteria van hoofdstuk III onderzoeken teneinde vast te stellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen.
Indien de overdracht uit hoofde van dit lid niet kan geschieden aan een op grond van de criteria van hoofdstuk III aangewezen lidstaat of aan de eerste lidstaat waar het verzoek werd ingediend, wordt de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, de verantwoordelijke lidstaat.”

Artikel 17, eerste lid, Verordening luidt - voor zover hier van belang -:
“In afwijking van artikel 3, lid 1, kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.”

6.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, na overdracht aan Malta op grond van de Verordening, zal worden gedetineerd. Zoals verweerder heeft overwogen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2014, zaaknummer 201401385/1/V3, dat Dublinclaimanten meestal gedetineerd worden, indien zij uit een detentiecentrum zijn gevlucht of met valse papieren het land zijn uitgereisd. In de eerste plaats is hierbij van belang dat eiser heeft verklaard dat hij nooit in Malta is geweest (pagina 14 eerste gehoor artikel 30 Vw). Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de naam waarop het visum is afgegeven niet de werkelijke naam van eiser is en dat de naam die eiser in deze procedure stelt te hebben zijn echte naam is. Aangenomen dat de naam op het visum eisers echte naam is bij eiser geen sprake geweest van een illegale uitreis uit Malta en doet het vermelde risico op detentie zich niet voor. Voorts is gesteld noch gebleken dat eiser in Malta ontsnapt is uit detentie. De door eiser aangehaalde informatie uit het AIDA-rapport ziet niet overduidelijk op dublinclaimanten hetgeen ook geldt voor de informatie uit het UNHCR-rapport, nu dat ziet op asielzoekers die illegaal in Malta arriveren per boot. Uit de overgelegde stukken blijkt derhalve niet dat het risico bestaat dat Dublinclaimanten bij aankomst in Malta worden gedetineerd. De beroepsgrond faalt.

6.4

Uit de geldende jurisprudentie volgt dat er vooralsnog geen reden is om er vanuit te gaan dat overdracht naar Malta een schending inhoudt van artikel 3 EVRM. Eiser zal zelf aan moeten tonen dat dit anders is. Bij uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT8367), waarnaar verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen, heeft de Afdeling voor wat betreft de opvang geoordeeld dat de documenten waarop de vreemdeling zich in die zaak had beroepen onvoldoende grond bieden voor de conclusie dat de leefomstandigheden waar een vreemdeling in Malta mee te maken kan krijgen van zodanige aard zijn dat op basis daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat voor de desbetreffende vreemdeling bij overdracht aan Malta een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM. Bij uitspraak van 12 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:928), waarnaar verweerder eveneens in het bestreden besluit heeft verwezen, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de door de vreemdeling in die zaak overgelegde stukken niet is af te leiden dat dit anders is wat betreft de opvang van Dublinclaimanten.

6.5

Ter onderbouwing van het betoog dat eisers bij overdracht aan Malta riskeren terecht te komen in inadequate opvang, hetgeen een schending van artikel 3 EVRM kan opleveren, in verband waarmee eiser een beroep heeft gedaan op de uitspraak Tarakhel, heeft eiser naar de volgende passages verwezen:
AIDA-rapport van maart 2013, laatstelijk geupdated in februari 2015:
“Asylum seekers living in Open Centres experience difficulties in securing an adequate standard of living. The daily allowance provided is barely sufficient to provide for the most basic of needs, and the lack of access to social welfare support exacerbates these difficulties. Social security policy and legislation precludes asylum seekers from social welfare benefits, except those benefits which are defined as ‘contributory’. With contributory benefits entitlement is based on payment of a set number of contributions and on meeting the qualifying conditions, which effectively implies that only a tiny number of asylum seekers would qualify for such benefits, if any.( …)

Conditions in the open centres vary greatly from one centre to another, yet overcrowding and related concerns are a common problem.
(…)
Overall, the living conditions in open centres, save for a few exceptions, are extremely challenging. Low hygiene levels, severe over-crowding, lack of physical security, location of most centres in a remote area of Malta, poor material structures and occasional infestation of rats are the main general concerns expressed in relation to the open centres.”

UNHCR-rapport van oktober 2013:
“The general living conditions in these centres have improved, but some facilities remain rudimentary and are often overcrowded.”

Rapport US Department of State van april 2013:
“Overcrowding persisted at the country’s largest migrant open housing center in Marsa. Friable asbestos was present in one of the common areas. In other centers high temperature in the summer months and inadequate ventilation in prefabricated housing units contributed to uncomfortable living conditions.”

6.5

In de uitspraak Tarakhel heeft het EHRM , voor zover hier van belang, overwogen:
“99. With more specific reference to minors, the Court has established that it is important to bear in mind that the child’s extreme vulnerability is the decisive factor and takes precedence over considerations relating to the status of illegal immigrant (see Mubilanzila Mayeka and Kaniki Mitunga v. Belgium, no. 13178/03, § 55, ECHR 2006‑XI, and Popov v. France, nos. 39472/07 and 39474/07, § 91, 19 January 2012). Children have specific needs that are related in particular to their age and lack of independence, but also to their asylum-seeker status. The Court has also observed that the Convention on the Rights of the Child encourages States to take the appropriate measures to ensure that a child who is seeking to obtain refugee status enjoys protection and humanitarian assistance, whether the child is alone or accompanied by his or her parents (see to this effect Popov, cited above, § 91).(…)
100. The applicants argued in substance that if they were returned to Italy “in the absence of individual guarantees concerning their care” they would be subjected to inhuman and degrading treatment linked to the existence of “systemic deficiencies” in the reception arrangements for asylum seekers.(…)
115. While the structure and overall situation of the reception arrangements in Italy cannot therefore in themselves act as a bar to all removals of asylum seekers to that country, the data and information set out above nevertheless raise serious doubts as to the current capacities of the system. Accordingly, in the Court’s view, the possibility that a significant number of asylum seekers may be left without accommodation or accommodated in overcrowded facilities without any privacy, or even in insalubrious or violent conditions, cannot be dismissed as unfounded.
116. As regards the applicants’ individual situation, the Court notes that, according to the findings of the Italian police and the identification forms annexed to the observations of the Italian Government, the couple and their five oldest children landed on the coast of Calabria on 16 July 2011 and were immediately subjected to an identification procedure, having supplied a false identity. The same day, the applicants were placed in a reception facility provided by the municipal authorities of Stignano, where they remained until 26 July 2011. On that date, once their true identity had been established, they were transferred to the CARA in Bari. They left that centre without permission on 28 July 2011, bound for an unknown destination.(…)
118. The Court reiterates that to fall within the scope of Article 3 the ill‑treatment must attain a minimum level of severity. The assessment of this minimum is relative; it depends on all the circumstances of the case, such as the duration of the treatment and its physical or mental effects and, in some instances, the sex, age and state of health of the victim (see paragraph 94 above). It further reiterates that, as a “particularly underprivileged and vulnerable” population group, asylum seekers require “special protection” under that provision (see M.S.S., cited above, § 251).
119. This requirement of “special protection” of asylum seekers is particularly important when the persons concerned are children, in view of their specific needs and their extreme vulnerability. This applies even when, as in the present case, the children seeking asylum are accompanied by their parents (see Popov, cited above, § 91). Accordingly, the reception conditions for children seeking asylum must be adapted to their age, to ensure that those conditions do not “create ... for them a situation of stress and anxiety, with particularly traumatic consequences” (see, mutatis mutandis, Popov, cited above, § 102). Otherwise, the conditions in question would attain the threshold of severity required to come within the scope of the prohibition under Article 3 of the Convention.
120. In the present case, as the Court has already observed (see paragraph 115 above), in view of the current situation as regards the reception system in Italy, and although that situation is not comparable to the situation in Greece which the Court examined in M.S.S., the possibility that a significant number of asylum seekers removed to that country may be left without accommodation or accommodated in overcrowded facilities without any privacy, or even in insalubrious or violent conditions, is not unfounded. It is therefore incumbent on the Swiss authorities to obtain assurances from their Italian counterparts that on their arrival in Italy the applicants will be received in facilities and in conditions adapted to the age of the children, and that the family will be kept together.”

6.6

Gelet op de door eiser aangehaalde passages uit algemene informatie is de rechtbank er niet van overtuigd dat dit kwetsbare gezin in Malta niet terecht komt in een situatie, zoals aan de orde in voormeld arrest, te weten in een overvolle accommodatie met alle bijkomende zorgen, waaronder slechte hygiëne. Hoewel deze situatie niet geheel vergelijkbaar is aan de situatie in Italië zoals beoordeeld in voornoemd arrest, nu daar gelet op het aantal asielaanvragen en opvangplekken ook het risico aanwezig was dat geen opvang voorhanden was, is de mogelijkheid dat een groot deel van de asielzoekers die worden overgedragen aan Malta, zal worden opgevangen in overvolle accommodaties, met oncomfortabele leefomstandigheden, niet ongefundeerd. Het EHRM heeft overwogen dat het vereiste van speciale bescherming van asielzoekers met name belangrijk is bij overdracht van gezinnen met kinderen, vanwege hun bijzondere kwetsbaarheid. De opvang van deze gezinnen moet zijn aangepast aan de leeftijd van de kinderen, om te verzekeren dat deze voor hun geen situatie van angst en stress veroorzaken, met in het bijzonder traumatische gevolgen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank er niet van overtuigd dat in het onderhavige geval niet, net als in de uitspraak in de zaak Tarakhel het geval was, aan de Maltese overheid garanties moeten worden gevraagd dat eisers in voor hen geschikte voorzieningen zullen worden opgevangen om handelingen in strijd met artikel 3 EVRM te voorkomen. Verweerder heeft daarom tegen de achtergrond van de uitspraak Tarakhel onvoldoende gemotiveerd waarom hij geen garanties zou moeten vragen.

7. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 Awb.

8. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen mogelijkheid zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen in stand te laten en evenmin om een bestuurlijke lus toe te passen.

9. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 980,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten vergoeden aan de rechtsbijstandverlener van eiser.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 980,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.