Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10639

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
21-09-2015
Zaaknummer
09-994179-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft nagelaten om meerdere ongebruikelijke transacties als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme te melden bij het daartoe bestemde meldpunt. Zij heeft door haar handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om achterliggende strafbare feiten op te sporen. De financiële schade die witwassen in de samenleving veroorzaakt is groot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Parketnummer: 09/994179-14

Datum uitspraak: 1 juli 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1]

adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 17 juni 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.E. Kruimel en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. M. Kamp, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij, in de periode van 30 mei 2009 tot 29 juni 2010, althans 2009 en/of 2010, te Zoetermeer en/of Capelle aan den IJssel en/of elders in Nederland, (telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000 Euro of meer, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, (een) verrichte ongebruikelijke transactie(s), niet (binnen 14 dagen / onverwijld) nadat het ongebruikelijke karakter van deze transactie(s) bekend is geworden heeft gemeld aan het meldpunt/de Financiële inlichtingen eenheid, immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen melding gedaan van,

  • -

    (een) op of omstreeks de periode van 30 mei 2009 tot en met 1 juni 2009 verrichte ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) geheel of gedeeltelijk(e) contante betaling(en) (van (in totaal) (minstens) 16.361,14 Euro (zie: D-03, pag. 5), en/of

  • -

    (een) op of omstreeks de periode van 19 januari 2010 tot en met 14 juni 2010 verrichte ongebruikelijke transactie(s) te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) (van (in totaal) (minstens) 92.991,- Euro) (zie: D-04 en D-05),

2.

zij, in de periode van 30 mei 2009 t/m 14 juni 2010, althans 2009 en/of 2010, te Zoetermeer en/of Capelle aan den IJssel en/of elders in Nederland, (telkens) als beroeps- en bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- Euro of meer, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen danwel onvolledig, cliëntenonderzoek heeft verricht, immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen identiteit vastgesteld en/of gecontroleerd en/of geen uittreksel van de kamer van koophandel aangevraagd en/of gecontroleerd bij de volgende transactie(s):

  • -

    (een) op of omstreeks de periode van 30 mei 2009 tot en met 1 juni 2009 verrichte ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) (van (in totaal) (minstens) 16.361,14 Euro) (zie: D-03, pag. 5), en/of

  • -

    (een) op of omstreeks de periode van 19 januari 2010 tot en met 14 juni 2010 verrichte ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) (van (in totaal) (minstens) 92.991,- Euro) (zie: D-04 en D-05).

3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verjaringstermijn van het recht tot strafvordering ten aanzien van de ten laste gelegde feiten zes jaren bedraagt. In haar visie betekent dit dat er geen vervolging kan plaatsvinden ten aanzien van het nagelaten cliëntenonderzoek vóór 17 juni 2009 en het niet melden van ongebruikelijke transacties die zijn verricht vóór 17 juni 2009. Dat geldt evenwel volgens de officier van justitie niet voor de laatste betaling van € 1.446,99 die [medeverdachte 2] op 8 april 2010 heeft gedaan, omdat er sprake was van een serie betalingen waarvan verdachte had moeten veronderstellen dat deze verband zouden kunnen houden met witwassen of financiering van terrorisme.

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie overweegt de rechtbank het volgende.

De verdachte wordt verweten opzettelijk te hebben gehandeld in strijd met de voorschriften van artikel 3 en 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: WWFT). Ingevolge artikel 1, eerste lid onder 2 jo artikel 2, eerste lid van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) betreffen dit misdrijven voor zover zij opzettelijk zijn begaan. De straf die voor een dergelijk economisch delict kan worden opgelegd is op grond van artikel 6, eerste lid onder 2 van de WED een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie. In casu betreft de verdachte een rechtspersoon en is een geldboete de enige strafmodaliteit. Volgens artikel 70, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vervalt het recht tot strafvordering voor misdrijven waarop geldboete is gesteld na zes jaren.

De verjaring van het recht tot strafvordering is gestuit door het betekenen van de dagvaarding op 5 juni 2015. Gelet op de verjaringstermijn van zes jaren is het recht tot strafvordering verjaard tot 5 juni 2009.

Ten laste is onder meer gelegd het opzettelijk niet melden van ongebruikelijke transacties in de periode van 30 mei 2009 tot en met 1 juni 2009, alsmede het opzettelijk niet verrichten van cliëntenonderzoek in diezelfde periode. Deze feiten zijn verjaard.

Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank de officier van justitie gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten over de periode 30 mei 2009 tot en met 4 juni 2009.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding1

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen – zoals genoemd in de voetnoten – als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Aanleiding van het onderzoek

[verdachte 1] is een besloten vennootschap, met statutaire zetel Capelle aan de IJssel. Activiteit van deze B.V. is de handel in (winkel)meubelen en andere artikelen op het gebied van woninginrichting, alsmede de verkoop van goud, zilver, juwelen en horloges. Bestuurder van de B.V. is [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ).2

Op 7 maart 2013 heeft inspecteur van politie, J.C. Alderliesten (hierna: Alderliesten) een rapport opgemaakt waarin hij melding maakt bij de Belastingdienst van het niet, niet-juist en/of niet-tijdig melden van ongebruikelijke transacties door [verdachte 1] Alderliesten is op dat moment werkzaam als financieel rechercheur bij de Landelijke Recherche te Zoetermeer en bezig met het onderzoek ‘Tidore’ gericht op de handel in verdovende middelen. Uit dat onderzoek is gebleken dat een verdachte, de heer [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), in de periode van 13 september 2008 tot en met 8 april 2010 meubels heeft gekocht, waarbij het totaalbedrag van € 162.524,88 contant is betaald. Verder is gebleken dat een andere verdachte, de heer [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), in de periode van 19 januari 2010 tot en met 10 juni 2010 meubels heeft gekocht, waarbij het totaalbedrag van € 92.991,- contant is betaald. Deze meubels zijn gekocht bij [verdachte 1] gevestigd aan de [adres 2] te Capelle aan de IJssel en gebleken is dat van het bovenstaande door het bedrijf geen enkele ongebruikelijke transactie is gemeld. In het kader hiervan is de feitelijk leidinggevende van [verdachte 1] , de heer [medeverdachte 1] als verdachte gehoord op 17 oktober 2012.3 Het rapport van 7 maart 2013 is onder de aandacht gebracht van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD), die een nader onderzoek heeft ingesteld. Op 4 oktober 2013 heeft de officier van justitie ingevolge artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering toestemming gegeven voor het gebruik van gegevens uit het onderzoek ‘Tidore’ voor ander strafrechtelijk onderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend.4

Verhoor van vertegenwoordiger van verdachte op 17 oktober 20125

Op 17 oktober 2012 is [medeverdachte 1] in het kader van het onderzoek ‘Tidore’ als verdachte gehoord. Daarin heeft hij onder meer verklaard dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als klanten vertelden dat de goederen naar het buitenland zouden worden verscheept. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard: ‘Er zijn klanten die niet willen dat hun namen worden geregistreerd, dan wordt dat een contante verkoop’ en ‘Het zijn orders en dan ga ik dat toch doen. Het zijn zaken. Ik ging pas bestellen als de aanbetaling binnen was. De goederen worden pas geleverd als het hele bedrag betaald is. Het is toch geld, ondanks dat klanten geen klantgegevens verstrekken.’6 Verbalisanten wijzen [medeverdachte 1] erop dat de wijze van betalen volgens de kasstaten hen bevreemd. Er wordt op een aantal achtereenvolgende dagen grote geldbedragen – variërend van € 5.000,- tot bijna € 15.000,- – per kas betaald aan de firma. Desgevraagd heeft [medeverdachte 1] geantwoord: ‘Als een groot bedrag in één keer wordt betaald, dan zeg ik tegen [betrokkene 1] of [betrokkene 2] [de rechtbank begrijpt uit het dossier dat dit medewerksters zijn van [verdachte 1] ] dat zij dat bedrag moeten spreiden op de kasstaten over bijvoorbeeld drie dagen. Als ik vandaag bijvoorbeeld EUR 30.000 in één keer contant ontvang, dan zeg ik tegen [betrokkene 1] of [betrokkene 2] dat zij op de kasstaat van vandaag EUR 10.000 aan contante inkomsten schrijven. Die EUR 10.000 gaat dan in de kas. Morgen krijg(t) [betrokkene 1] of [betrokkene 2] opnieuw EUR 10.000 van mij voor in de kassa. Op de kasstaat van morgen wordt dan de ontvangst van de EUR 10.000 verantwoord. Hetzelfde gebeurt overmorgen. Ik doe dit omdat ik per dag maximaal EUR 15.000 bij de bank kan storten. Dat is de enige reden.’7 [..] ‘Ik kan niet meer geld bij de bank storten dan maximaal EUR 15.000 per dag. Dat is bij de ING Bank in Capelle aan den IJssel. Daarom verdeel ik dat over een aantal dagen.’8

Op de vraag hoe vaak hij bij de klanten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] het geld over de kasstaten heeft verdeeld, heeft [medeverdachte 1] verklaard: ‘Dat zou ik niet weten. Het gebeurde niet zo veel, maar ik weet het niet. Het is alleen gebeurd bij deze twee klanten. Wij hebben niet veel van zulke grote klanten gehad. Zij vielen op, voor ons waren het grote klanten.’

Hij heeft verder verklaard: ‘Met sealbags kan je grotere bedragen in één keer kwijt bij de bank, maar daar werken wij niet meer mee. Dat was lastig om tijdstippen af te spreken voor het afgeven van de sealbags.’9

Op de vraag van de verbalisanten hoe hij omgaat met MOT-meldingen heeft [medeverdachte 1] geantwoord: ‘Daar heb ik nooit van gehoord. De laatste weken heb ik hier en daar geïnformeerd, naar aanleiding van uw onderzoek en toen hoorde ik dat je ongebruikelijke transacties moet melden. Ik wist dat niet, maar ik ga dat in het vervolg doen.’

Verhoor van vertegenwoordiger van verdachte op 9 oktober 201310

Op 9 oktober 2013 is [medeverdachte 1] als feitelijk leidinggevende van [verdachte 1] , en derhalve als de vertegenwoordiger van verdachte, gehoord door de opsporingsambtenaren van de FIOD. Hij heeft, na het opnieuw lezen van het proces-verbaal van het verhoor van 17 oktober 2012, verklaard dat hij bij de inhoud van het eerdere verhoor blijft en naar aanleiding daarvan wel maatregelen heeft genomen om aan de regels te voldoen.

De verbalisanten hebben de factuur 010038, gedateerd 11 augustus 2009 en gericht aan de heer [medeverdachte 2] , Suriname,11 en de factuur 011046, gedateerd op 14 juni 2010 en gericht aan de heer [medeverdachte 3] ,12 getoond aan [medeverdachte 1] en gevraagd naar de betalingen die voor deze facturen zijn gedaan. [medeverdachte 1] heeft verklaard: ‘Voor wat betreft de betalingen kan ik zeggen dat wanneer op de lijsten kasbetalingen staan vermeld op data kort achter elkaar er dan één betaling heeft plaatsgevonden die ik in de administratie heb opgesplitst. Zoals ik al eerder verklaarde, omdat ik niet meer dan € 15.000 bij de bank kon afstorten. Ik heb mij niet gerealiseerd destijds dat ik de kasbetaling wel gewoon in zijn geheel in één bedrag in de administratie kon verantwoorden.’13

Op de vraag of hij de indicatorenlijst ingevolge de WWFT kent, heeft [medeverdachte 1] geantwoord: ‘Nee, ik begreep vorige keer, tijdens het verhoor bij de politie dat ik moet melden bij bedragen boven de € 15.000. Ik ken deze lijst niet.’ Op de vraag of hij de ‘Handleiding voorkomen witwassen en terrorismefinanciering voor handelaren in goederen’ kent, heeft [medeverdachte 1] verklaard: ‘Nee, die ken ik helemaal niet. Ik moet u ook zeggen dat ik voor het vorige verhoor niet wist wat het begrip witwassen inhield.’ Ook heeft de vertegenwoordiger van verdachte verklaard dat hij niet wist dat een ongebruikelijke transactie binnen veertien dagen gemeld moest worden bij de Financiële Inlichtingen Eenheid (hierna: FIU).

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – kort samengevat – gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Daartoe heeft zij gesteld dat verdachte als beroeps- of bedrijfsmatig handelaar in goederen een meldplicht heeft als het gaat om verkoop van goederen waarbij er meer dan € 15.000,- contant wordt betaald. Ten aanzien van de transacties met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren, naast het betaalbedrag, voldoende elementen aanwezig op grond waarvan de verdachte had moeten twijfelen of dit wel zuivere koffie was. Gelet daarop had de verdachte een melding moeten doen bij de FIU. Ook had de verdachte cliëntenonderzoek moeten verrichten door de klant te identificeren en diens identiteit te verifiëren, terwijl de verdachte niet eens een deugdelijke identificatie, laat staan een verificatie, heeft verricht. Ten slotte heeft de officier van justitie aangevoerd dat aangezien de voorschriften uit de WWFT (zowel met betrekking tot de meldplicht als ten aanzien van het cliëntenonderzoek) ordeningsrecht betreffen, kleurloos opzet geldt.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte erkent dat er melding had moeten worden gedaan van een ongebruikelijke transactie en dat zij cliëntenonderzoek had moeten doen bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , maar dat de verdachte dit niet bewust heeft nagelaten omdat zij ten tijde van de ten laste gelegde feiten niet op de hoogte was van de destijds net in werking getreden meldingsplicht voor overige beroeps- of bedrijfsmatige verkopers van goederen, die niet reeds meldplichtig waren. Hiertoe heeft de raadsvrouw in de eerste plaats aangevoerd dat uit het jaarverslag van de FIU uit 2008 onder de categorie ‘overige handelaren’ één melding van een ongebruikelijke transactie is gedaan en in 2009 en 2010 respectievelijk 14 en 30 meldingen zijn gedaan. Het jaarverslag 2008 van de FIU wijst erop dat deze sector nog niet goed bekend is met de meldplicht en actieve voorlichtingsacties hebben nog niet plaatsgevonden. In 2010 signaleert het FIU dat het aantal meldingen nog steeds laag te noemen is. In de tweede plaats heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er door verdachte geen verhulling heeft plaatsgevonden, grote contante ontvangsten werden gespreid over verschillende dagen omdat de verdachte maximaal € 15.000,- per dag kon afstorten bij de bank en als zodanig administratief gesplitst in de kasstaten.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld in hoeverre het opzettelijk overtreden van de meldplicht voor ongebruikelijke transacties (feit 1) en opzettelijk nalaten van de verplichting tot het verrichten van cliëntenonderzoek (feit 2) aan de verdachte kunnen worden verweten.

4.4.1.

Ten aanzien van feit 1

Bewoordingen WWFT

Tussen 1 augustus 2008 tot 1 januari 2013 luidde artikel 16, eerste lid van de WWFT als volgt:

‘Een instelling meldt een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie binnen veertien dagen nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan het meldpunt.’ Het meldpunt betrof het Meldpunt ongebruikelijke transacties.

Sinds 1 januari 2013 dient een ongebruikelijke transactie onverwijld te worden gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid.

Krachtens artikel 1, onder a, sub 15, van de WWFT wordt onder ‘instelling’ verstaan: de beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van € 15 000 of meer, ongeacht of de transactie plaatsvindt in een handeling of door middel van meer handelingen waartussen een verband bestaat.

Transacties tussen de verdachte en [medeverdachte 3]

[medeverdachte 3] heeft een aanzienlijke hoeveelheid goederen bij de verdachte gekocht en daarvoor contant betaald.

Volgens de administratie van de verdachte hebben, blijkens het dossier, de volgende contante betalingen door [medeverdachte 3] plaatsgevonden:14

19 januari 2010 € 4.500,-

20 januari 2010 € 7.000,-

21 januari 2010 € 7.500,-

22 januari 2010 € 6.000,-

10 februari 2010 € 6.000,-

11 februari 2010 € 4.000,-

10 maart 2010 € 10.000,-

18 maart 2010 € 10.000,-

1 april 2010 € 5.000,-

1 juni 2010 € 10.400,-

4 juni 2010 € 8.250,-

7 juni 2010 € 5.300,-

10 juni 2010 € 9.041,-

Totaal: € 92.991,-

De verdachte heeft ten aanzien van de transacties van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geen melding bij het meldpunt in de zin van de WWFT gedaan.

Transacties tussen de verdachte en [medeverdachte 2]

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen zijn de transacties tussen de verdachte en [medeverdachte 2] in de periode van –zoals ten laste is gelegd- 30 mei 2009 tot en met 1 juni 2009 verjaard.

De officier van justitie heeft gesteld. dat dit niet geldt voor een transactie van [medeverdachte 2] op 8 april 2010.

Nu de tenlastelegging echter zich toespitst op de ongebruikelijke transacties van [medeverdachte 2] in de periode van 30 mei 2009 tot en met 1 juni 2009 is de rechtbank van oordeel dat de betaling van 8 april 2010 geen onderdeel uitmaakt van het ten laste gelegde. De rechtbank zal deze betaling dan ook verder buiten beschouwing laten.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank moet ten aanzien van het tenlastegelegde feit de verdachte worden aangemerkt als instelling in de zin van de WWFT. Als gevolg daarvan geldt het voorschrift ingevolge artikel 16 van de WWFT, zodat op de verdachte de verplichting rustte om melding te maken van ongebruikelijke transacties. De verdachte heeft ten aanzien van de contante betalingen van [medeverdachte 3] (in totaal € 92.991,-) nagelaten om dat te doen. Naar oordeel van de rechtbank hadden de hierboven beschreven gedane contante betalingen aanleiding aan de verdachte moeten geven om tot melding overgaan. Uit de verklaringen van de vertegenwoordiger van de verdachte kan bovendien nog worden afgeleid dat de grote contante betalingen [medeverdachte 3] ongebruikelijk en uitzonderlijk voor de verdachte waren.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het genoemde voorschrift van de WWFT ordeningsrecht betreft en daarom ‘kleurloos’ opzet geldt. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin ‘kleurloos’ opzet in het ordeningsrecht voldoende wordt geacht, is niet vereist dat het opzet van de verdachte ook is gericht op het niet naleven van de op de verdachte rustende wettelijke verplichting ongebruikelijke transacties te melden aan het meldpunt.15 Met andere woorden: de door de verdachte gestelde ontbrekende kennis van de regelgeving staat aan het bewijs van het opzet op het niet melden van de ongebruikelijke transacties niet in de weg.

Daar komt nog bij dat dit in het geval van een onderneming nog scherper ligt. Van een onderneming mag een zekere deskundigheid worden verwacht van het terrein waarop zij zich begeeft. De verdachte is een professioneel beroeps- of bedrijfsmatig handelaar in goederen, waarvan verwacht mag worden dat zij op de hoogte is van de geldende wet- en regelgeving. Bovendien kan een onderneming voor de inhoud van regelgeving aankloppen bij een beroeps- of bedrijfsorganisatie.

Het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van de onbekendheid van de verdachte met de meldplicht van de WWFT wordt gelet op het hiervoor overwogene verworpen. Immers, ‘kleurloos opzet’ impliceert dat in rechte niet bewezen behoeft te worden dat de verdachte wist dat zijn gedraging in strijd was met de toepasselijke voorschriften.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan de haar onder feit 1 ten laste gelegde opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

4.4.2.

Ten aanzien van feit 2

Bewoordingen WWFT

Artikel 3, eerste lid, van de WWFT, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3, onder b van de WWFT bepaalt dat een instelling, ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, cliëntenonderzoek verricht indien zij in of vanuit Nederland een incidentele transactie verricht ten behoeve van de cliënt van ten minste € 15 000, of twee of meer transacties waartussen een verband bestaat met een gezamenlijke waarde van ten minste

€ 15 000. Artikel 4, eerste lid, van de WWFT bepaalt, kort gesteld, dat een instelling het cliëntenonderzoek verricht voordat de incidentele transactie wordt uitgevoerd.

Handelingen/nalaten verdachte

De verdachte heeft ten aanzien van de transacties met [medeverdachte 3] geen cliëntenonderzoek verricht. De factuur 011046, gedateerd op 14 juni 2010, is slechts gericht aan de heer [medeverdachte 3] .16 Blijkens het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is ten aanzien van de transacties met de heer [medeverdachte 3] niet gebleken dat zij zijn geïdentificeerd en/of hun identiteit is geverifieerd. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft verklaard: ‘Als de klant niet wil dat zijn gegevens worden geregistreerd, dan zal het mij een zorg zijn.’ En ‘Het is toch geld, ondanks dat klanten geen klantgegevens verstrekken.’

Het oordeel van de rechtbank

Naar oordeel van de rechtbank moet ook ten aanzien van dit ten laste gelegde feit de verdachte worden aangemerkt als instelling in de zin van de WWFT.

De rechtbank stelt vast dat door de vertegenwoordiger van de verdachte met betrekking tot de transacties ten aanzien van [medeverdachte 3] is erkend dat er geen cliëntenonderzoek is verricht. Gelet op de hierboven beschreven feiten en omstandigheden en de onder 4.4.1 genoemde transacties was daar naar oordeel van de rechtbank zonder meer aanleiding toe.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ook dit voorschrift van de WWFT ordeningsrecht betreft en daarom ‘kleurloos’ opzet geldt. Gelet op de hiervoor onder 4.4.1. vermelde vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin ‘kleurloos’ opzet in het ordeningsrecht voldoende wordt geacht, is niet vereist dat het opzet van de verdachte ook is gericht op het niet naleven van de op de verdachte rustende wettelijke verplichting cliëntenonderzoek te verrichten.

Daar komt nog bij dat van een onderneming mag een zekere deskundigheid worden verwacht van het terrein waarop zij zich begeeft. De verdachte is een professioneel beroeps- of bedrijfsmatig handelaar in goederen waarvan verwacht mag worden dat zij op de hoogte is van de geldende wet- en regelgeving. Bovendien kan een onderneming voor de inhoud van regelgeving aankloppen bij een beroeps- of bedrijfsorganisatie.

Het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van de onbekendheid van de verdachte met het voorschrift ten aanzien van cliëntenonderzoek ingevolge de WWFT moet ook hier worden verworpen.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan de haar onder feit 2 ten laste gelegde opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

zij, in de periode van 5 juni 2009 tot 29 juni 2010 te Capelle aan den IJssel, telkens als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000 Euro of meer, meermalen, opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, verrichte ongebruikelijke transacties, niet binnen 14 dagen nadat het ongebruikelijke karakter van deze transacties bekend is geworden heeft gemeld aan het meldpunt, immers heeft zij telkens opzettelijk geen melding gedaan van:

- in de periode van 19 januari 2010 tot en met 14 juni 2010 verrichte ongebruikelijke transacties te weten geheel contante betalingen van in totaal 92.991,- Euro.

2.

zij, in de periode van 30 mei 2009 tot en met 14 juni 2010 te Capelle aan den IJssel, telkens als beroeps- en bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- Euro of meer, meermalen, opzettelijk in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen cliëntenonderzoek heeft verricht, immers heeft zij telkens opzettelijk geen identiteit vastgesteld en/of gecontroleerd bij de volgende transacties:

- in de periode van 19 januari 2010 tot en met 14 juni 2010 verrichte ongebruikelijke transacties te weten geheel contante betalingen van in totaal 92.991,- Euro.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 20.000,- waarvan € 5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft – kort samengevat – bepleit dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete wordt opgelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte sinds 2008 te maken heeft met hoge kosten en tegelijkertijd sterk teruglopende omzetten, dusdanig dat eind dit jaar het doek voor de meubelzaak valt. Ook is er in de visie van de raadsvrouw sprake van overschrijding van de redelijke termijn, omdat het eerste verhoor als verdachte heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2012 en het inmiddels twee jaar en acht maanden heeft geduurd voordat de zaak ter terechtzitting is behandeld. Deze vertraging is niet te wijten geweest aan de verdediging. De overschrijding van de redelijke termijn zou daarom tot uitdrukking moeten komen in de strafmaat.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft nagelaten om meerdere ongebruikelijke transacties als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme te melden bij het daartoe bestemde meldpunt. Zij heeft door haar handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om achterliggende strafbare feiten op te sporen. De financiële schade die witwassen in de samenleving veroorzaakt is groot.

De verdachte heeft er voor gekozen deze transacties niet te melden en geen cliëntenonderzoek te verrichten. Dat zijn ernstige strafbare feiten, waarvoor een aanzienlijke onvoorwaardelijke geldboete in beginsel op zijn plaats is. Bij de bepaling van de hoogte van de geldboete houdt de rechtbank rekening met de omvang van het bewezenverklaarde bedrag waarvan meermalen geen melding is gemaakt, te weten een bedrag van (in totaal)

€ 92.991,-.

De omstandigheden van de verdachte

De raadsvrouw van de verdachte heeft gewezen op de zorgelijke financiële situatie waarin de verdachte verkeert. De officier van justitie heeft aangegeven dat zij dit in haar strafeis heeft meegewogen. De rechtbank ziet aanleiding om bij de bepaling van de hoogte van de geldboete daarmee rekening te houden.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 april 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder veroordeeld is voor strafbare feiten.

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft zowel in de beide verhoren in het voorbereidend onderzoek als ter terechtzitting van 17 juni 2015 verklaard dat de verdachte voortaan ongebruikelijke transacties zal melden en cliëntenonderzoek zal worden verricht.

Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om een substantieel deel van de geldboete voorwaardelijk op te leggen dat mede zal dienen als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. De rechtbank zal de eis van de officier van justitie hierin niet volledig volgen.

De redelijke termijn

De rechtbank houdt verder rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Zij overweegt hiertoe als volgt. De vertegenwoordiger van de verdachte is op 17 oktober 2012 voor het eerst als verdachte gehoord in een ander strafrechtelijk onderzoek dat evenwel tot de huidige zaak heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM dan ook deze datum aangevangen. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bepaalde bijzondere omstandigheden. Nu de rechtbank van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken en er heden, 1 juli 2015, vonnis wordt gewezen, stelt zij vast dat de redelijke termijn met ruim acht maanden is overschreden.

Conclusie

Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een geldboete van € 20.000,- waarvan

€ 10.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Gelet op voormelde overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank het onvoorwaardelijk gedeelte van de geldboete van de geldboete met 10% matigen.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

-14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

-1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

-3 en 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft de tenlastegelegde feiten, voor zover deze zouden zijn begaan in de periode van 30 mei 2009 tot en met 4 juni 2009;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 19.000,- (negentienduizend euro);

bepaalt dat een gedeelte van die geldboete, groot € 10.000,- (tienduizend euro), niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het eind van de hierbij op twee (2) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. H.J. van Harten, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het dossiernummer 53018 van de Belastingdienst/FIOD met bijlagen.

2 Uittreksel Kamer van Koophandel d.d. 10 oktober 2013, D-08.

3 Bijlage D-07, rapport 1303071620.AMB/30-285824 van J.C. Alderliesten van 7 maart 2013 en verklaring J.A.A. Blok van 17 oktober 2012, bijlage D-06.

4 Bijlage AH-01a, toestemming gebruik gegevens voor een ander doel van 4 oktober 2013.

5 Bijlage D-06, proces-verbaal van verhoor van verdachte van 17 oktober 2012.

6 Bijlage D-06, proces-verbaal van verhoor van verdachte van 17 oktober 2012, p. 4

7 Bijlage D-06, proces-verbaal van verhoor van verdachte van 17 oktober 2012, p. 5.

8 Bijlage D-06, proces-verbaal van verhoor van verdachte van 17 oktober 2012, p. 5.

9 Bijlage D-06, proces-verbaal van verhoor van verdachte van 17 oktober 2012, p. 5.

10 Proces-verbaal van verhoor van vertegenwoordiger van verdachte (V-02-01) van 9 oktober 2013, en proces-verbaal van ambtshandeling van 16 oktober 2013, bijlage AH-02.

11 Bijlage D-03, factuurnummer 010038 aan de heer [medeverdachte 2] van 11 augustus 2009.

12 Bijlage D-04, factuurnummer 011046 aan de heer [medeverdachte 3] van 14 juni 2010.

13 Proces-verbaal van verhoor van vertegenwoordiger van verdachte (V-02-01) van 9 oktober 2013, p. 4.

14 Bijlage D-07, p. 4.

15 HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783 en HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2684.

16 Bijlage D-04, factuurnummer 011046 aan de heer [medeverdachte 3] van 14 juni 2010.