Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10615

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
3555272 RL EXPL 14-32790
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

artikel 124 Wetboek van Strafvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Kanton Den Haag

YK

zaak.nr. 3555272 RL EXPL 14-32790

31 augustus 2015

Vonnis in de zaak van:

[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1]
en

[eiser 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

eisende partijen,

gemachtigde: mr. M. Herens,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

De Staat der Nederlanden, meer speciaal het Ministerie van Veiligheid en Justitie,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.Th.M ten Broeke.

Partijen worden aangeduid als [eiser 1] en [eiser 2] en de Staat.

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 31 oktober 2014, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties.

Op 15 juni 2015 heeft een comparitie van partijen plaatsgehad, waarbij [eiser 1] en [eiser 2] met hun gemachtigde zijn verschenen en de Staat met mw [betrokkene] , bijgestaan door de gemachtigde. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.

Vervolgens is vonnis gevraagd, waarvan de datum is bepaald op heden.

1 Feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Op 27 mei 2014 vonden er onder leiding van de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant in een aantal woonwagens op een woonwagenterrein in Zaltbommel doorzoekingen plaats. In verband daarmee zijn bij de aanvang twee ordemaatregelen bevolen: de bewoners van de betreffende woonwagens dienen het kamp voor de duur van de doorzoekingen te verlaten en het kamp wordt gedeeltelijk (voor zover het de te doorzoeken woonwagens betreft) met geblindeerde hekken afgeschermd.

1.2

Tijdens de doorzoekingen is de rechter-commissaris erop geattendeerd dat er tussen de geblindeerde hekken door en erlangs filmopnames werden gemaakt. De rechter-commissaris heeft de betreffende persoon, die [eiser 1] bleek te zijn, in aanwezigheid van de griffier aangesproken en verzocht te stoppen met het maken van opnames/foto’s van de aldaar werkzame functionarissen en hun werkzaamheden. De rechter-commissaris heeft daarbij meegedeeld dat het doorgaan met filmen en/of foto’s maken, ertoe zou leiden dat een ordemaatregel zou worden opgelegd en dat bij overtreding daarvan tot inbeslagname van de camera’s en de gemaakte beelden zou worden overgegaan.

1.3

Omdat [eiser 1] doorging met filmen is de ordemaatregel door de rechter-commissaris opgelegd. Nadat enige tijd later duidelijk werd dat [eiser 1] met een tweede cameraman, die [eiser 2] bleek te zijn, opnames aan het maken was door een opening c.q. langs de afscherming is kenbaar gemaakt dat de ordemaatregel was overtreden en nadat ook [eiser 2] het bevel was gegeven te stoppen met het maken van opnamen en [eiser 1] en [eiser 2] te kennen gaven hun werkzaamheden te zullen voortzetten, heeft de rechter-commissaris de filmcamera’s in beslag laten nemen. De camera’s zijn korte tijd later teruggegeven, toen duidelijk werd dat de opnames alleen op de in de camera’s aanwezige gegevensdragers voorkwamen. Deze laatste zijn onder beslag gehouden.

1.4

Nadat de opnames door de rechter-commissaris bekeken waren en er onder meer vastgesteld was dat er geen opsporingsmethodieken herkenbaar in beeld waren gebracht, is opdracht gegeven de gegevensdragers terug te geven, hetgeen op 10 juli 2014 heeft plaatsgevonden.

2 Vordering

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] en [eiser 2] ;
II. de Staat te veroordelen tot het voldoen van een schadevergoeding aan [eiser 1] en [eiser 2] van € 1.390,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 mei 2014 althans vanaf de dag der dagvaarding en
III. met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure en tot betaling aan [eiser 1] en [eiser 2] van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 208,-.

[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan de vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag, alsmede, samengevat, de volgende stellingen.

2.1

[eiser 1] en [eiser 2] zijn professioneel freelance camera- en fotojournalisten. Zij maken video-opnamen van actuele nieuwswaardige gebeurtenissen ten behoeve van diverse regionale en nationale media.

2.2

Zij waren op 27 mei 2014 in Zaltbommel en zagen dat aan het einde van de toegangsweg naar het woonwagenterrein geblindeerde hekken waren geplaatst. Niet alle hekken waren aan elkaar vastgemaakt en tussen twee hekken zat een gat van ongeveer 30 cm. Op de toegangsweg was geen rood-wit afzettingslint gespannen. Naast de toegangsweg waren geen hekken geplaatst en daarom was het woonwagenterrein vanaf de openbare weg nog redelijk goed zichtbaar en was het mogelijk om tot aan de hekken te lopen.

2.3

[eiser 1] en [eiser 2] stonden op de openbare weg en maakten video-opnamen van hetgeen vanaf de openbare weg zichtbaar was: onder andere de voertuigen, die buiten de hekken geparkeerd stonden, de in- en uitlopende agenten en opsporingsambtenaren en een deel van de werkzaamheden.

2.4

Vrijwel direct liep de rechter-commissaris op [eiser 1] en [eiser 2] af en vorderde dat er geen beelden mochten worden gemaakt van de auto’s, de mensen en de werkzaamheden.

2.5

[eiser 1] en [eiser 2] hebben hun filmactiviteiten vanaf de openbare weg niet gestaakt met als gevolg de inbeslagneming van de opnameapparatuur en de gegevensdragers met daarop de tot dan toe gemaakte beelden.

2.6

De advocaat van [eiser 1] en [eiser 2] heeft die dag tevergeefs verzocht om teruggave van de gegevensdragers van [eiser 1] en [eiser 2] en aangekondigd dat er een klaagschrift zou worden ingediend.

2.7

Het filmverbod heeft plaatsgehad op grond van artikel 124 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). [eiser 1] en [eiser 2] menen dat de ordemaatregel niet had mogen worden gegeven, dat het niet voldoen aan die ordemaatregel geen bevoegdheid geeft tot inbeslagneming ex artikel 552a Sv van journalistiek materiaal en dat de ordemaatregel en de inbeslagneming een ontoelaatbare inbreuk maken op de vrijheid van nieuwsgaring ex artikel 10 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en derhalve onrechtmatig zijn.

2.8

De door [eiser 1] en [eiser 2] geleden schade bestaat uit een bedrag van € 1.125,- met betrekking tot gederfde inkomsten uit de verkoop van videobeelden en € 265,- met betrekking tot de huurkosten van een vervangende SxSkaart voor de duur van het beslag.

3 Verweer

De Staat verweert zich tegen de vordering en voert daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aan.

3.1

De ordemaatregel van artikel 124 Sv was functioneel in relatie tot de ambtsverrichting in kwestie.

3.2

De grondslag voor de inbeslagneming is niet artikel 552a Sv, maar de artikelen 124, 104 en 94 Sv. Een lichter middel dan inbeslagneming was onder de gegeven omstandigheden niet beschikbaar.

3.3

De inbreuk op de vrije nieuwsgaring die bij de inbeslagneming aan de orde was, was voorzien bij wet, proportioneel en noodzakelijk.

4 Beoordeling

4.1

Allereerst is aan de orde de stelling van [eiser 1] en [eiser 2] dat de ordemaatregel van het filmverbod niet had mogen worden gegeven, omdat daarvoor geen enkele reden was. [eiser 1] en [eiser 2] voeren hiertoe aan dat zij op de openbare weg stonden op enige afstand van de geblindeerde hekken. Ze liepen niet in de weg en waren evenmin op andere wijze hinderlijk bij de doorzoekingen. Een en ander had geen impact op de orde en kan derhalve niet worden aangemerkt als een mogelijke verstoring van de doorzoekingen, aldus nog steeds [eiser 1] en [eiser 2] .

4.2

Vaststaat dat de ordemaatregel van het filmverbod is gegeven op grond van artikel 124 Sv. Dit artikel beoogt het ongestoorde verloop van ambtsverrichtingen zoals de onderhavige doorzoekingen te garanderen en geeft degene die met de leiding daarvan is belast, in dit geval de rechter-commissaris, de bevoegdheid om daartoe de nodige maatregelen te nemen. Hierbij noemt het tweede lid van artikel 124 Sv, anders dan het derde lid, geen specifieke te nemen maatregelen. De ordemaatregel kan ook een preventief karakter hebben, gericht op het voorkomen van een dreigende verstoring (vgl. Gerechtshof Arnhem 15 oktober 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BF9142).

4.3

Volgens de Staat was er wel degelijk sprake was van een mogelijke verstoring van de doorzoekingen door de filmopnamen. De doorzoekingen vonden plaats in het een onderzoek naar grootschalige handel in verdovende middelen. Het plan van de doorzoekingen was om eerder in het kader van het strafrechtelijk onderzoek geplaatste ovc-apparatuur (opname vertrouwelijke communicatie) uit de woonwagens te verwijderen, hetgeen buiten zicht van verdachten en derden diende plaats te vinden. Om die reden is aan de bewoners van de woonwagens tijdelijk de toegang tot hun woningen en het woonwagenkamp ontzegd. Wanneer [eiser 1] en [eiser 2] al dan niet onbewust beelden zouden hebben gemaakt van het verwijderen van de ovc-apparatuur, zou dit kenbaar kunnen worden aan verdachten en daarmee zou het lopende onderzoek naar de op handen zijnde leveranties van verdovende middelen rechtstreeks in gevaar komen. Daarnaast zijn er bij de doorzoekingen mensen van Defensie ingezet, die opsporingsmethodes toepasten die afgeschermd moeten worden, aldus de Staat.

4.4

[eiser 1] en [eiser 2] hebben de juistheid van deze door de Staat geschetste en door de kantonrechter plausibel geachte redenen voor het filmverbod niet bestreden. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat deze ordemaatregel bevoegd is gegeven.

4.5

[eiser 1] en [eiser 2] stellen voorts dat het niet voldoen aan een ordemaatregel als bedoeld in artikel 124 Sv geen bevoegdheid geeft tot inbeslagneming op grond van artikel 552a Sv van journalistiek materiaal.

4.6

De kantonrechter is van oordeel dat artikel 552a Sv betrekking heeft op de klachtprocedure na inbeslagneming, zodat dit artikel geen grond kan zijn voor de onderhavige inbeslagneming. Volgens de Staat vormen de artikelen 124, 104 en 94 Sv de grondslag van het beslag, waarbij het niet voldoen aan een bevoegd ambtelijk bevel (artikel 184 Sr), in dit geval het filmverbod, het strafbare feit is dat kan leiden tot inbeslagname van filmcamera’s.

4.7

In het “Proces-verbaal bevindingen rechter-commissaris” (productie 1 van de Staat) is onder meer vermeld dat de genomen ordemaatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 124 en 125 Sv. Zoals reeds onder 4.2 is overwogen, beperkt het tweede lid van artikel 124 Sv de rechter-commissaris niet tot het nemen van specifieke maatregelen om de (dreigende) verstoring van de doorzoekingen te voorkomen of te beëindigen. Tot die maatregelen kan dan ook worden geschaard de inbeslagneming van voorwerpen waarmee de verstoring plaatsvindt, zoals in dit geval de filmcamera’s. Deze inbeslagneming moet als minder ingrijpend worden aangemerkt dan de inverzekeringstelling van personen, welke volgens het derde lid van artikel 124 Sv kan plaatsvinden voor de duur van de ambtsverrichtingen. Gelet op het voorgaande biedt artikel 124 Sv voldoende grondslag voor de onderhavige inbeslagneming.

4.8

[eiser 1] en [eiser 2] stellen tenslotte nog dat het filmverbod en de inbeslagneming een ontoelaatbare inbreuk vormen op het recht van vrije nieuwsgaring zoals beschermd door artikel 10 lid 2 EVRM, omdat de inperking van dit recht i) niet is voorzien bij wet zoals bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 14 september 2010, Sanoma/Nederland (ECLI:NL:XX:2010BO7625) en ii) niet dringend noodzakelijk althans disproportioneel is.

4.9

Het filmverbod en de inbeslagneming zijn aan te merken als een beperking van het door artikel 10 EVRM beschermde recht van [eiser 1] en [eiser 2] op vrije nieuwsgaring. Dit recht kan volgens het tweede lid artikel 10 EVRM slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, waarbij beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht moeten worden genomen. Het is aan de Staat als inbreukmaker om aannemelijk te maken dat de inbreuk gerechtvaardigd is.

4.10

Met betrekking tot punt i) wordt het volgende overwogen. In het arrest Sanoma/Nederland was aan de orde de inbeslagneming van een CD-ROM met foto’s, genomen door een journalist. Hierbij was de Officier van Justitie met de advocaat van Sanoma overeengekomen, dat eerst het advies van de dienstdoende rechter-commissaris in strafzaken zou worden gevraagd. Het Hof oordeelde dat hiermee niet voldaan was aan de eis ‘bij de wet voorzien’, omdat de wetgeving niet voorzag in een rechterlijke of andere onafhankelijke toetsing vooraf van de beslissing tot inbeslagneming. In het onderhavige geval is, gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.7 is overwogen, sprake van een wettelijke grondslag voor het filmverbod en de inbeslagneming, met een daarin besloten liggende rechterlijke toetsing. Aan het vereiste ‘bij de wet voorzien’ is dan ook voldaan.

4.11

Met betrekking tot punt ii) gaat het om een afweging van belangen van enerzijds [eiser 1] en [eiser 2] om informatie te vergaren en het publiek te informeren over politiewerkzaamheden en anderzijds de Staat om grootschalige handel in verdovende middelen op te sporen en daartoe de in dit geval gebruikte opsporingsmethodes af te schermen.

4.12

Uit het hiervoor genoemde proces-verbaal maakt de kantonrechter op dat het filmverbod inhield dat geen opnames gemaakt mochten worden tussen en langs de geblindeerde hekken door van de werkzame functionarissen en hun werkzaamheden en dat het [eiser 1] en [eiser 2] wel is toegestaan sfeeropnames te maken. Anders dan [eiser 1] en [eiser 2] stellen, was het hen dus ook toegestaan de buiten het afgeschermde gebied af- en aanrijdende (politie)voertuigen te filmen. Gelet op het zwaarwegende belang van het ongestoorde verloop van de doorzoekingen met het oog op de opsporing van grootschalige handel in verdovende middelen acht de kantonrechter de onderhavige inperking van de persvrijheid noodzakelijk. Een lichtere maatregel was onder de gegeven omstandigheden niet beschikbaar, teminder nu, zoals de Staat onweersproken heeft aangevoerd, niet gevergd kon worden dat ter plaatse werd gecontroleerd of de door [eiser 1] en [eiser 2] gemaakte opnames het onderzoeksbelang schaadden.

4.13

Gelet op het voorgaande leveren het filmverbod en de inbeslagneming geen schending op van artikel 10 EVRM.

4.14

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] niet toewijsbaar.

4.15

[eiser 1] en [eiser 2] worden als de in het ongelijk gestelde partijen in de kosten van de procedure veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

1. wijst de vordering af;

2. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 300,00 als het aan de gemachtigde van de Staat toekomende salaris;

3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.E. Kastein, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.