Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1061

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
04-02-2015
Zaaknummer
C/09/444726 / HA ZA 13-665
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schietincident Alphen aan den Rijn 9 april 2011. Eisers zijn slachtoffers en nabestaanden van slachtoffers van het schietincident, ooggetuigen en winkeliers van wie eigendommen ten tijde van het schietincident zijn beschadigd. Zij stellen de Politieregio Hollands Midden (PHM) aansprakelijk voor hun schade. De rechtbank is van oordeel dat PHM in strijd met de Wet wapens en munitie heeft gehandeld bij de verlening van het wapenverlof aan Van der Vlis, omdat zij daarbij relevante gegevens buiten beschouwing heeft gelaten. Indien de gegevens wel waren meegewogen, zou dat tot weigering van het wapenverlof hebben moeten leiden. Het met de wet strijdige handelen van PHM leidt niet tot aansprakelijkheid voor de schade van eisers omdat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste. De verlofverlening van PHM aan Van der Vlis levert geen handelen op in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2015/158 met annotatie van R.J.B. Schutgens
JIN 2015/213 met annotatie van mr. R.J.B. Schutgens
NJF 2015/174
RAV 2015/48
O&A 2015/47
O&A 2015/46

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/444726 / HA ZA 13-665

Vonnis van 4 februari 2015

in de zaak van

1 [eiser(es) sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser(es) sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser(es) sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser(es) sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiser(es) sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [eiser(es) sub 6],

wonende te [woonplaats],

7. [eiser(es) sub 7],

wonende te [woonplaats],

8. [eiser(es) sub 8],

wonende te [woonplaats],

9. [eiser(es) sub 9],

wonende te [woonplaats],

10. [eiser(es) sub 10],

wonende te [woonplaats],

11. [eiser(es) sub 11],

wonende te [woonplaats],

12. [eiser(es) sub 12],

wonende te [woonplaats],

13. [eiser(es) sub 13],

wonende te [woonplaats],

14. [eiser(es) sub 14],

wonende te [woonplaats],

15. [eiser(es) sub 15],

wonende te [woonplaats],

16. [eiser(es) sub 16], optredend in haar hoedanigheid van moeder en wettelijk vertegenwoordigster van [dochter eiseres sub 16], geboren op [geboortedag] 1996,

wonende te [woonplaats],

17. [eiser(es) sub 17],

wonende te [woonplaats],

18. [eiser(es) sub 17],

wonende te [woonplaats],

19 [eiser(es) sub 18],

wonende te [woonplaats],

20. [eiser(es) sub 19],

wonende te [woonplaats],

21. [eiser(es) sub 20],

wonende te [woonplaats],

22. [eiser(es) sub 21],

wonende te [woonplaats],

23. [eiser(es) sub 23],

wonende te [woonplaats],

24. [eiser(es) sub 24]pro se

wonende te [woonplaats],

25. [eiser(es) sub 25],optredende in haar hoedanigheid van moeder en wettelijk vertegenwoordigster van [dochter eiseres sub 25], geboren op [geboortedag] 2001,

wonende te [woonplaats],

26. [eiser(es) sub 26]optredende in haar hoedanigheid van moeder en wettelijk vertegenwoordigster van [dochter eiseres sub 26], geboren op [geboortedag] 2007,

wonende te [woonplaats],

27. [eiser(es) sub 27],

wonende te [woonplaats],

28. [eiser(es) sub 28],

wonende te [woonplaats],

29. [eiser(es) sub 29],

wonende te [woonplaats],

30. [eiser(es) sub 30],

wonende te [woonplaats],

31. [eiser(es) sub 31],

wonende te [woonplaats],

32. [eiser(es) sub 32],

wonende te [woonplaats],

33. [eiser(es) sub 33],

wonende te [woonplaats],

34. [eiser(es) sub 34],

wonende te [woonplaats],

35. [eiser(es) sub 35],

wonende te [woonplaats],

36. [eiser(es) sub 36],

wonende te [woonplaats],

37. [eiser(es) sub 37],

wonende te [woonplaats],

38. [eiser(es) sub 38],

wonende te [woonplaats],

39. [eiser(es) sub 39],

wonende te [woonplaats],

40. [eiser(es) sub 40],

wonende te [woonplaats],

41. [eiser(es) sub 41],

wonende te [woonplaats],

42 [eiser(es) sub 42],

wonende te [woonplaats],

43. [eiser(es) sub 43],

wonende te [woonplaats],

44. [eiser(es) sub 44],

wonende te [woonplaats],

45. [eiser(es) sub 45],

wonende te [woonplaats],

46. [eiser(es) sub 46],

wonende te [woonplaats],

47. [eiser(es) sub 47],

wonende te [woonplaats],

48. [eiser(es) sub 48],

wonende te [woonplaats],

49. [eiser(es) sub 49],

wonende te [woonplaats],

50. [eiser(es) sub 50],pro se

wonende te [woonplaats],

51. [eiser(es) sub 51]optredende in haar hoedanigheid van moeder en wettelijk

vertegenwoordigster van haar minderjarige zoon [zoon eiseres sub 50], geboren op

[geboortedag] 2007,

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.M. Beer te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

POLITIEREGIO HOLLANDS MIDDEN

sinds 1 januari 2013 DE NATIONALE POLITIE, REGIONALE EENHEID DEN HAAG,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.T. Bolt te Arnhem.

Partijen zullen hierna enerzijds “eisers” en anderzijds “PHM” worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 juni 2013, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van het pleidooi tevens comparitie van partijen van 9 december 2014 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het faxbericht van mr. Beer van 2 januari 2015 met opmerkingen bij het (buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte) proces-verbaal;

  • -

    het faxbericht van mr. Bolt van 6 januari 2015 met opmerkingen bij het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op zaterdag 9 april 2011 heeft in en rond het winkelcentrum De Ridderhof te Alphen aan den Rijn (hierna: het winkelcentrum) een schietincident plaatsgevonden, waarbij zes dodelijke slachtoffers zijn gevallen en zestien personen door kogels zijn verwond (hierna: het schietincident). De schutter, [V.] (geboren op [geboortedag] 1986 – en hierna aangeduid als [V.]), heeft tot slot zichzelf gedood.

2.2.

Eisers zijn slachtoffers en nabestaanden van slachtoffers van het schietincident, ooggetuigen en winkeliers van wie eigendommen ten tijde van het schietincident zijn beschadigd.

bij het schietincident gebruikte wapens

2.3.

Bij het schietincident heeft [V.] drie (vuur)wapens gebruikt. Het betrof:

- een kogelgeweer (Smith & Wesson), kaliber .22 Long Rifle (geschikt voor semi-automatisch schieten);

- een pistool (Colt), kaliber .45 ACP (geschikt voor semi-automatisch schieten);

- een revolver (Taurus), kaliber .44 Magnum (geschikt voor zowel single action als double-action schieten).

eerste aanvraag wapenverlof - 2005

2.4.

In augustus 2005 heeft [V.] voor het eerst een aanvraag ingediend bij de korpschef van PHM (hierna: de korpschef) ter verkrijging van verlof voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Naar alle waarschijnlijkheid was [V.] toen lid van schietvereniging Dagschuttersvereniging Nieuwkoop (hierna: de schietvereniging). Uit het antecedentenonderzoek dat medewerkers van de afdeling Bijzondere Wetten (hierna: de afdeling BW) van PHM toen hebben verricht, kwam naar voren dat tegen [V.] in februari 2003 en maart 2003 proces-verbaal was opgemaakt wegens verdenking van overtreding van de WWM, waarbij ook anderen betrokken zouden zijn. De verdenkingen zagen op het gebruik van een luchtdrukwapen. De officier van justitie heeft deze feiten geseponeerd wegens geringe betrokkenheid van [V.].

2.5.

Bij brief van 10 augustus 2005 heeft de korpschef aan [V.] meegedeeld dat hij voornemens was het door hem gevraagde verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie te weigeren. Bij beschikking van 1 september 2005 heeft de korpschef het verlof aan [V.] geweigerd. De weigeringsbeslissing luidt – voor zover relevant – als volgt:

“(….)

Overwegende dat;

* aanvrager bij het verlenen van een verlof WM4, dient te voldoen aan een aantal voorwaarden;

* bij het verlenen van een verlof WM4, in verband met een aanvraag, onderzoek wordt gedaan naar aanwijzingen in het kader van vrees voor misbruik,

* uit Justitiële documentatie en politieregisters is gebleken, dat op 7 maart 2003 tegen aanvrager proces-verbaal is opgemaakt ter zake overtreding van artikel 26 lid 5 Wet wapens en munitie,

* uit dit proces-verbaal blijkt, dat aanvrager op 17 jarige leeftijd medeplichtig is geweest aan een bedreiging met een luchtdrukwapen en dat het slachtoffer daarbij in zijn enkel geschoten is,

* dit luchtdrukwapen in eigendom toebehoorde aan de vader van aanvrager,

* uit dit proces-verbaal blijkt, dat aanvrager eerder een luchtdrukpistool ter beschikking heeft gesteld aan twee vrienden die dit wapen gebruikt hebben om daarmee op auto’s te schieten,

* dit proces-verbaal op beleidsgronden is geseponeerd,

* een sepot zoals bovengenoemd, ingevolge de Circulaire wapens en munitie, een grond tot weigering kan zijn,

* door aanvrager geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om zijn zienswijze, als bedoeld in artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht, op mijn voornemen tot weigering te geven,

* aan aanvrager derhalve geen vuurwapens en/of munitie kunnen worden toevertrouwd,

verder overwegende dat;

* degene aan wie een verlof WM4 wordt verleend in een uitzonderingspositie komt te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers waarvoor een wettelijk verbod om vuurwapens voorhanden te hebben geldt,

* die positie met zich meebrengt, dat van de verlofhouder stipte naleving van de wapenwettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde,

* vrees voor misbruik niet alleen kan worden gebaseerd op eerdere veroordelingen, maar ook op een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat nog niet tot een veroordeling heeft geleid;

* het normale spraakgebruik verstaat onder “misbruik” elk verkeerd gebruik;

* het in de Wet wapens en munitie gehanteerde begrip “misbruik” blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van die wet ruim moet worden geïnterpreteerd,

* gelet op het betrokken zwaarwegende maatschappelijke belang van de veiligheid in de samenleving en de daaraan voor de overheid verbonden plicht deze veiligheid te waarborgen, dient een restrictief beleid te worden gevoerd, waar het de toepassing van het criterium “geen vrees voor misbruik” betreft,

* de positie van een verlofhouder met zich mee brengt dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde,

* uit vaste jurisprudentie blijkt, dat reeds het bestaan van geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken uitzondering voldoende reden is om een verlof te weigeren,

van oordeel zijnde dat;

* artikel 7 lid 1 onder b en c van de Wet Wapens en Munitie mij grond geeft een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen of munitie, te weigeren,

* blijkens dit artikel van de Wet wapens en munitie het verlof, onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, wordt geweigerd indien er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens en/of munitie niet kan worden toevertrouwd en dat van het verlof dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt.

Gezien vorenstaande bestaat er geen aanleiding om op het voornemen tot weigering terug te komen.

(…)”

2.6.

[V.] heeft deze beslissing niet aangevochten. De correspondentie over de aanvraag en de daarop gevolgde weigering van het wapenverlof werd opgenomen in een papieren dossier en niet in het geautomatiseerde Vergunningen- en Ontheffingen Systeem (hierna: VOS) dat de afdeling BW destijds gebruikte. Het VOS bood geen mogelijkheid om weigeringen als de onderhavige digitaal te registreren.

gedwongen opname - 2006

2.7.

Op 3 september 2006 werd [V.] opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet BOPZ). PHM heeft bij deze opname bijstand verleend aan de crisisdienst van de GGZ Rivierduinen (hierna: Rivierduinen) in Alphen aan den Rijn. Over de opname is in het bedrijfsprocessensysteem van de politie (hierna: BPS) de volgende mutatie ingevoerd:

Inbewaringstelling [V.]

Belt [x49] van de GGZ Crisisdienst dat ze om 11.15 uur naar genoemd adres gaan om [V.] Dhr vd met een IBS (Rb: inbewaringstelling) op te nemen. [V.] is suïcidaal. De ouders hadden contact opgenomen met de crisisdienst toen zij brieven en een schrift hadden [ge]vonden waarin stond dat [V.] zichzelf van het leven zou gaan beroven (in het schrift stond de code van zijn bankpas en hoe hij zijn begrafenis wilde hebben. Vader wist dat [V.] as dinsdag naar de schietvereniging zou gaan als introducé en was nu bang dat [V.] dinsdag zelfmoord zou gaan plegen.

Contact opgenomen met de GGZ crisisdienst om wat meer informatie te achterhalen. Afgesproken mee te gaan naar genoemd adres om [V.] mee te nemen naar het bureau. Ter plaatse was [V.] nogal verrast. Zegt zelf niet meer met zelfmoord gedachten rond te lopen. [V.] mee naar bureau genomen. GGZ medewerkers zijn in gesprek gegaan met [V.]. Hieruit kwam naar voren dat zij niet geheel overtuigd waren van het feit dat het wel weer goed zou gaan met [V.]. Besloten is tot IBS. [V.] gaat naar een gesloten afdeling in Voorhout, onderdeel van de Rivierduinen.

Rapp [Go2) is terug gegaan naar de ouders om nog het e.e.a. te bepraten.

uit het gesprek met de ouders, en de inhoud van het schrift bleek dat [V.] constant onder druk wordt gezet door zijn “vrienden” [x47] en [x48]. [V.] wordt min of meer gedwongen om geld “te lenen” aan de twee of weed voor hen te halen.

Omdat moeder toevallig de GSM van [V.] mee had op visite onderschept zij een SMS-je van [x48] waarin hij aan [V.] 2000 euro vroeg. Hij zou dit later samen met de andere 500 euro terug betalen. Op de afschriften van [V.] stond die tijd inderdaad een opname van 500 euro. Op zaterdag 2 september kon de vader van [V.] eend eel van een gesprek volgen. Hierbij hoorde hij [V.] diep in de verdediging ging en hij hoorde hem zeggen dat hij zovel geld niet op kon nemen want hij moest zelf ook nog drie weken leven. [V.] heeft vast werk, een goed regelmatig inkomen. Op zijn afschriften staan (gelukkig) nog geen bijzondere opnames. Of het gesprek met [x48] of [x47] was wist vader niet.

Opmerkelijk vond vader wel dat toen [V.] te horen kreg dat hij met de politie mee moest hij als eerste wilde dat [x47] gewaarschuwd moest worden. Doorgegeven moest worden dat het nu echt afgelopen en dat hij rust zou krijgen.

Ook in het schrift (lees dagboek) van [V.] staat dat hij niet in staat is om van de twee af te komen. Hij noemt twee van zijn vrienden maar voor de twee is hij niet meer dan iemand die dingen voor die twee moet regelen.

Vader was bang voor chantage. Aangegeven dat het gevoel gedeeld werd maar dat er eigenlijk pas wat aan gedaan kon worden als [V.] ook daadwerkelijk aangifte zou doen. Vader wilde in ieder geval zijn gevoel genoteerd hebben.

Om 15.15 uur uur per ambulance naar Voorhout gebracht. (…)”

2.8.

Bij beschikking van 7 september 2006 heeft deze rechtbank een machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling in een psychiatrisch ziekenhuis van [V.]. In de beschikking is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“(…)

gezien de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder afschriften van de beschikking van de burgemeester van de gemeente Alphen aan den Rijn waarbij op 3 september 2006 de inbewaringstelling van de betrokkene is gelast, en van de geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen;

(…)

overwegende dat de verzochte machtiging slechts mag worden verleend wanneer de betrokkene gevaar veroorzaakt, het ernstige vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens de betrokkene het gevaar doet veroorzaken, het gevaar zo onmiddellijk dreigend is dat een voorlopige machtiging tot het doen en verblijven of tot het doen voortduren van het verblijf van de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis niet kan worden afgewacht, en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewezen;

overwegende dat uit de inhoud van de overgelegde stukken en verklaringen van de gehoorde personen is gebleken dat het hiervoren bedoelde gevaar zich voordoet;

overwegende dat betrokkene immers door zijn ziekte een gevaar oplevert voor zichzelf;

(….)”

2.9.

[V.] woonde ten tijde van de gedwongen opname bij zijn ouders. De vader van [V.] was lid van de schietvereniging en had sinds 2003 een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. Ten tijde van de opname had de vader van [V.] de beschikking over vijf vuurwapens en bijbehorende munitie, die hij in afzonderlijke kluizen in de woning hield.

2.10.

Na vijftien dagen is de gedwongen opname van [V.] beëindigd. Daarna bleef [V.] onder vrijwillige ambulante behandeling van Rivierduinen.

lidmaatschap schietvereniging en KNSA

2.11.

In 2007 werd [V.] (opnieuw) lid van de schietvereniging. Bij de aanvraag van dat lidmaatschap heeft [V.] een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: de VOG) overgelegd. De schietvereniging heeft de gegevens van [V.], inclusief de VOG, verstuurd aan de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie (hierna: KNSA), die [V.] daarop een licentie heeft gegeven.

ziekenhuisopname - 2008

2.12.

In augustus 2008 is [V.] korte tijd opgenomen geweest in een algemeen ziekenhuis. In de rapporten die zijn opgemaakt na het schietincident (zie hierna onder 2.22) staat dat deze opname verband hield met een slaapstoornis van [V.] – die per ongeluk teveel slaappillen had geslikt – maar wordt ook vermeld dat deze opname verband hield met een suïcidepoging.

tweede aanvraag wapenverlof - 2008

2.13.

Op 11 oktober 2008 diende [V.] voor de tweede keer een aanvraag in voor een wapenverlof bij de korpschef. De afdeling BW heeft toen opnieuw een antecedentenonderzoek uitgevoerd. De medewerker die de verlofaanvraag behandelde (in de gedingstukken met “G05” aangeduid, hierna: G05) vroeg hiertoe bij de Justitiële Informatiedienst een uittreksel uit de justitiële documentatie op. Ook vroeg G05 op

5 november 2008 aan de afdeling Business Unit Veredeling (hierna: BUV) van het eigen korps, op grond van de Richtlijn Interne Bevragingen (zie verder 3.8), om de verschillende politiesystemen te raadplegen, waaronder BPS en Blue View. BPS is het bedrijfsprocessensysteem van de desbetreffende politieregio, Blue View zoekt naar alle gevraagde informatie in de systemen van andere politieregio’s. Uit het uittreksel van de Justitiële Informatiedienst bleek dat [V.] in 2002 een transactie aangeboden had gekregen voor het afsteken van vuurwerk buiten de toegestane periode en in 2007 een transactie voor een snelheidsovertreding. In dit uittreksel stonden de in 2.4 genoemde incidenten uit 2003 niet vermeld. Deze incidenten stonden wel vermeld in het overzicht van registraties uit de verschillende politiesystemen, dat de desbetreffende medewerkster van de afdeling BUV (in de gedingstukken met “G06” aangeduid, hierna: G06) in een pdf-bestand (“Vlist86.pdf”) aan G05 stuurde.

2.14.

Bij de beoordeling van de tweede aanvraag heeft G05 het uittreksel uit de justitiële documentatie betrokken en de incidenten uit 2003. G05 was niet op de hoogte van de eerste aanvraag tot wapenverlof van [V.] in 2005 en van de weigering van die aanvraag op basis van de incidenten uit 2003. Evenmin heeft G05 de mutatie met informatie over de gedwongen BOPZ-opname in 2006 (hierna: de BOPZ-mutatie, zie 2.7) betrokken bij de beoordeling.

2.15.

Onduidelijk is gebleven – ook na technisch onderzoek door onder andere het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) – of de BOPZ-mutatie bij het onderzoek door BUV in 2008 wel of niet uit het politiesysteem naar voren is gekomen en of deze deel uitmaakte van het in 2.13 genoemde pdf-bestand. De mutatie is in ieder geval na 9 april 2011, in de na 2008 geïnstalleerde versie van het digitale politie-informatiesysteem BasisVoorziening Handhaving (BVH), aangetroffen onder het kopje “hulpverlening overige instanties” (zie verderop in 2.28).

2.16.

In het kader van de tweede aanvraag van het wapenverlof heeft PHM op

10 november 2008 een controle uitgevoerd in de woning van [V.] om te bezien of hij zich hield aan de voorschriften voor het opbergen van wapens en munitie. Daarbij is geconstateerd dat de opbergkluizen aan de eisen voldeden.

2.17.

Eveneens op 10 november 2008 heeft de korpschef een verlof afgegeven aan [V.] voor het voorhanden hebben en het vervoeren van het in de bijlage bij het verlof genoemde vuurwapen en de bijbehorende munitie. In de bijlage staat een pistool vermeld, merk Sig Sauer, kaliber 9x19 mm, nummer U126668. Dit wapen heeft [V.] niet gebruikt bij het schietincident.

eerste verlenging – 2009

2.18.

Op 9 november 2009 heeft een medewerker van de afdeling BW (in de gedingstukken aangeduid als “G08”) het verlof namens de korpschef met één jaar verlengd.

tweede verlenging - 2010

2.19.

Op 16 november 2010 heeft een medewerker van de afdeling BW (in de gedingstukken aangeduid als “G03”) het verlof namens de korpschef opnieuw met één jaar verlengd. De in de bijlage van dit verlof vermelde wapens betroffen op dat moment de in 2.3 genoemde drie wapens die [V.] bij het schietincident heeft gebruikt.

2.20.

Op 9 december 2010 vond een tweede controle van de wapenkluizen bij [V.] plaats. Bij de controle werden geen onregelmatigheden aangetroffen.

aankoop wapen en patroonmagazijnen in 2011

2.21.

[V.] kocht op 30 januari 2010 het in 2.3 genoemde Colt pistool, op 29 april 2010 het Taurus-revolver en op 7 januari 2011 het Smith Wesson-kogelgeweer. Bij het kogelgeweer werd één patroonmagazijn geleverd, geschikt voor maximaal 25 patronen. Later in januari 2011 bestelde [V.] drie patroonmagazijnen. In maart 2011 bestelde hij nog twee patroonmagazijnen. Deze bestellingen deed [V.] bij verschillende wapenhandelaren. De laatste bestelling annuleerde [V.]. De bestelling van drie patroonmagazijnen werd op [geboortedag] 2011 aan [V.] geleverd.

onderzoeken en rapporten

2.22.

Na het schietincident van 9 april 2011 zijn diverse onderzoeken opgestart, waaronder:

a. een strafrechtelijk onderzoek (Team Grootschalig Onderzoek, TGO);

b. een onderzoek van de Rijksrecherche (hierna: RR) naar de verlening en verlenging van het wapenverlof aan [V.], waarvan deel uitmaakt het rapport van bevindingen van de heer [M], inspecteur van politie van de politieregio Brabant-Noord (hierna: [M]);

c. het onderzoek van het NFI naar het in 2.15 genoemde (verdwenen) pdf-bestand;

d. het onderzoek door de Onderzoeksraad voor Veiligheid (hierna: OVV) naar de verlening en verlenging van het wapenverlof aan [V.];

e. het onderzoek door de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (hierna: IOVV) naar de hulpverlening rondom het schietincident;

f. het onderzoek door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: IGZ) naar de geestelijke gesteldheid en de (psychiatrische) behandeling van [V.];

g. het onderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) in opdracht van het openbaar ministerie;

h. het onderzoek van de commissie Laurier naar de behoefte aan nazorg vanuit de gemeente Alphen aan den Rijn, verricht in opdracht van het college van burgemeester en wethouders van die gemeente.

IGZ-rapport

2.23.

Het rapport van de IGZ (zie 2.22 onder f) van september 2011 is opgesteld om de vraag van de inspectie te beantwoorden of de kwaliteit van de (organisatie van de) zorg, zoals die door Rivierduinen en individuele hulpverleners aan [V.] is geboden, heeft voldaan aan de eisen van verantwoorde zorg conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving en de in het veld geldende normen en om te bezien welke lessen voor de toekomst konden worden geleerd.

2.24.

IGZ heeft dit rapport gebaseerd op de vertrouwelijke rapportage van het interne onderzoek dat binnen Rivierduinen was verricht, het rapport van de externe onafhankelijke onderzoekscommissie, de reactie op beide rapporten van de Raad van Bestuur van Rivierduinen en het rapport van het NIFP (zie 2.22 onder g). De inspectie heeft daarnaast inzage gehad in het dossier van Rivierduinen en het dossier van de huisarts, met een mondelinge toelichting van die laatste. Ook heeft zij gesproken met de ouders van [V.]. Tot slot is als achtergrondinformatie tevens gebruikgemaakt van de door het openbaar ministerie opgestelde processen-verbaal van de gesprekken met de ouders van [V.], de samenvatting van de resultaten van het RR-onderzoek en van het TGO-onderzoek.

2.25.

Een aantal van de huidige groep eisers heeft – tot nu toe tevergeefs – getracht openbaarmaking van het rapport van het NIFP in rechte af te dwingen.

2.26.

Uit het rapport van de IGZ zijn de volgende delen van belang:

“4 Bevindingen

De hulpverlening aan V. bestond uit huisartsenzorg, behandeling en begeleiding in de geestelijke gezondheidszorg (verder aangeduid als GGZ) en eenmalig een verwijzing naar een medisch specialist in april 2010 in verband met een slaapstoornis.

(…)

Achtergrondinformatie

V. is geboren in 1986 en groeide op in Alphen aan den Rijn als enig kind bij zijn vader en moeder. Na het doorlopen van de lagere school volgde hij VMBO en behaalde een diploma. Hij is in 2004 voor het eerst gaan werken. Dit dienstverband liep tot en met 31 december 2009. In 2010 is V. in de ziektewet gekomen. Via een uitzendbureau is V. [in] augustus 2010 weer parttime gaan werken. Hij was blij dat hij weer aan de slag kon. In maart 2011 hield het werken, bij gebrek aan werk, op. Na een korte periode in 2005/2006 op kamers gewoond te hebben, woonde V. sindsdien weer (op kamers) bij zijn ouders.

De ouders hebben zich vanaf 2004 ernstig zorgen gemaakt over hun zoon. Gedurende de gedwongen opname in 2006 maar ook daarna hebben de ouders regelmatig hun zorgen over hem bij de hulpverleners van de GGZ geuit. In oktober 2008 hebben de ouders hun zorgen over het aanvragen van een wapenverlof door hun zoon met de GGZ-hulpverleners besproken. Deze zagen, met beroep op hun beroepsgeheim, onvoldoende mogelijkheden om de politie te informeren.

In het openbaar gemaakte rapport van het OM staat vermeld: “Op verzoek van de officier van justitie heeft het NIFP een postmortem onderzoek gedaan naar de persoonlijkheid van V. en naar de vraag of hij een stoornis had. Uit dat onderzoek is gebleken dat V. schizofreen was en dat een relatie kan worden gelegd tussen de stoornis en het gebeuren van 9 april 2011.”

In de rapportage van het OM is een uitgebreide beschrijving van de achtergronden van V. weergegeven, waarin o.a. zijn grote interesse voor wapens blijkt en zijn belangstelling voor het geloof, die zich heeft ontwikkeld tot een haat tegen God. V. heeft hierover ook een ‘boek’ geschreven. V. heeft tot medio 2010 regelmatig geblowd met vrienden of collega’s.

(…)

Huisartsenzorg

De huisarts was vanaf zijn geboorte huisarts van V. en het gezin. V. bezocht de huisarts met een gemiddelde frequentie. De laatste jaren 3 à 4 keer peer jaar. In de afgelopen periode was de reden voor een huisartsenbezoek meestal de slaapstoornis. Soms is ook de overige psychische gesteldheid en zijn cannabisgebruik ter sprake geweest. Voor de slaapstoornis heeft de huisarts over een langere periode slaapmedicatie in de vorm van benzodiazipines voorgeschreven. Op verzoek van behandelend psychiater is in september 2007 het voorschrijven van slaapmedicatie overgenomen door de GGZ. Op verzoek van de behandelend psychiater heeft in 2010 een verwijzing naar een neuroloog plaatsgevonden in verband met de slaapstoornis. Er heeft geen verwijzing door de huisarts naar andere medisch specialisten plaatsgevonden. De gedwongen opname in 2006 vond plaats in het weekend via de huisartsenpost. In 2007 is in verband met psychische klachten door de huisartsenpost kortdurend een anti-psychoticum voorgeschreven en in 2008 is er contact geweest met de huisartsenpost in verband met inname van een te grote hoeveelheid slaapmedicatie, waarvoor V. kort is opgenomen in het ziekenhuis. Het laatste contact met de huisarts dateert van 14 maart 2011. Dit betrof een somatische reden.

In de afgelopen jaren zijn er geen momenten geweest waarop gedwongen GGZ-behandeling ter overweging voorlag bij de huisarts. In het afgelopen jaar zijn er ook geen signalen bij de huisarts geweest over V. en eventueel risicovolle situaties. Het vuurwapenbezit was niet bekend bij de huisarts.

Geestelijke gezondheidszorg

Bij de gedwongen opname met een inbewaringstelling (IBS) op basis van de Wet Bopz op

3 september 2006 kwam voor V. voor het eerst in aanraking met de GGZ-hulpverlening. Na afloop van de IBS op 18 september 2006 kwam V. ambulant in behandeling. Aanvankelijk in het zorgprogramma Persoonlijkheidsstoornissen. Vanaf maart 2007 in het zorgprogramma Kritische Eerste Episode, specifiek gericht op ambulante zorgverlening na een eerste psychose. V. kreeg met tussenpozen medicamenteuze behandeling door een psychiater. Dit betrof anti-psychotische medicatie en antidepressiva. V. had bezwaren tegen de voorgeschreven medicatie in verband met de bijwerkingen. De geplande contactfrequentie lag gemiddeld op 1x per maand à zes weken. Tot medio 2010 waren ook regelmatig de ouders (meestal de moeder) aanwezig bij de gesprekken. De ouders is psycho-educatie gegeven over het ziektebeeld. Hierop hebben zij zich aangesloten bij de oudervereniging Ypsilon. Betrokkene was vanaf het begin van zijn behandeling ambivalent over zijn zorgvraag en mogelijke diagnose. Hierdoor was hij wisselend in zijn therapietrouw wat betreft de medicatie en zijn contacten met de GGZ-hulpverleners. Hij neigde in de contacten tot het afhouden van zijn klachten en problemen. In dat kader werd uiteindelijk de behandeling formeel afgesloten in oktober 2010. De medicamenteuze behandeling was mei 2010 afgebouwd en V. was gestopt met blowen. In december 2010 is hem, op zijn verzoek, nog wel een recept verstrekt en op 8 februari 2011 is er nog een eenmalig contact geweest met een hulpverlener. (…)”

2.27.

Bij de beantwoording van de onderzoeksvragen staat in het rapport van de IGZ verder – voor zover hier van belang –:

(…)

[als bevinding van de inspectie, rb] V. stopte regelmatig met de behandeling, waaronder de medicamenteuze behandeling, maar vroeg vervolgens meestal binnen enkele weken weer om medicatie en een gesprek. Toen vervolgens V. in maart 2008 verzocht om in verband met de bijwerkingen te stoppen met de antipsychotische medicatie en de medicatie werd afgebouwd, hebben er regelmatige psychiatrische beoordelingen plaatsgevonden. Er zijn na maart 2008 gedurende kortere periodes nog anti-depressiva en antipsychotica verstrekt. De ouders waren tot mei 2010 betrokken bij de behandeling. Daarna weren, mede gebaseerd op de wens van V., de contacten van de ouders met de GGZ beperkter. In het dossier valt op dat de aanleiding voor de gedwongen opname in 2006, dreigen met zelfmoord en fascinatie met vuurwapens en God, geleidelijk naar de achtergrond lijkt te zijn verdwenen.

(...)

[als conclusie en bevinding van de externe commissie, rb] Het was voortvarend om een IBS uit te schrijven toen V. in 2006 werd aangemeld door de ouders met suïcidale neigingen. Later hebben zich, naar het oordeel van de commissie, geen situaties voorgedaan die hadden moeten leiden tot het in werking stellen van de Wet BOPZ, omdat de behandelaars geen feiten of omstandigheden bekend waren of konden zijn die zouden wijzen op direct gevaar van of voor V. of zijn omgeving. Hadden de behandelaars geweten van het daadwerkelijke eigen wapenbezit van V., dan was daarmee in elk geval het ‘conflict van plichten’ en mogelijk de Wet Bopz opnieuw aan de orde geweest. Zij waren daarvan echter niet op de hoogte.

Tot mei 2010 was V. kennelijk voldoende gemotiveerd tot cognitieve gedragstherapie voor zijn slaapproblemen en V. zocht een aantal keer zelf contact als zijn psychotische symptomen intensiveerden of als hij medicatie meende nodig te hebben. Toen V. uiteindelijk in februari 2011 [met voetnoot: volgens de inspectie was het laatste contact met de GGZ in februari 2011, de therapie was gestopt in oktober 2010, rb] de therapie stopte waren er op dat moment niet voldoende redenen om gedwongen hulpverlening in te zetten. De poging V. door te verwijzen naar forensische psychiatrie is niet gerealiseerd doordat V. niet daadwerkelijk agressief was in combinatie met ontbrekende bereidheid bij V. aan een dergelijke verwijzing gevolg te geven. Bovendien kon mede daardoor het forensisch instituut niet ‘outreachend’ werken.

(…)

[als bevinding van de inspectie, rb] In de periode 2006-2008 zijn aantekeningen in het dossier van Rivierduinen te vinden dat er sprake was van dreigen met zichzelf iets aan te doen met een vuurwapen. In 2006 leidde dit tot een gedwongen opname. Daarna waren er enkele dreigingen waarop afspraken werden gemaakt rond eventuele crisisinterventie die vervolgens niet heeft plaatsgevonden. Er was in deze periode sprake van medicamenteuze behandeling en min of meer regelmatig contact met de GGZ-hulpverleners. In oktober 2008 hebben de ouders hun zorgen geuit over de aanvraag van hun zoon van een wapenverlof.”

Blue View

2.28.

In het kader van het onderzoek van de RR is het Blue-Vieuw politiesysteem geraadpleegd. De inhoudsopgave van het BlueView Registratie Expert-rapport ten name van [V.] van 21 april 2011 luidt als volgt:

“MJ 0003_2011019896 LUR……………………………………. 2

PL1600_06077092_BPS overlast van/door jeugd………….. 3

PL1600_06077113_BPS overlast van/door jeugd…………… 8

PL1600_06155613_BPS verdachte situatie……………….....12

PL1600_06170475_BPS hulpverlening overige instanties...20

PL1600_07150531_BPS verdachte situatie………………….26

PL1600_07163527_BPS verdachte situatie………………….29

PL1600_08130166_BPS geweld dodelijk met wapen……….32

PL1600_PA848434_HKS WAPEN, MUNITIE CAT 1 VERVAAR/VOORH HEBBEN/VERHAND 07-03-2003…………………………. 70”

aansprakelijkstelling

2.29.

Bij brief van 20 september 2011 heeft mr. O. Kadir van Corpocon Legal namens

24 partijen PHM aansprakelijk gesteld voor de schade die deze partijen hebben geleden als gevolg van het schietincident. Bij brief van 31 januari 2012 heeft de advocaat van PHM namens haar cliënt iedere aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het juridisch kader voor verlening en verlenging van een wapenverlof

Wet wapens en munitie

3.1.

Ten tijde van de verlofverlening in 2008 en de verlengingen in 2009 en 2010 golden de volgende bepalingen van de WWM:

3.2.

Op grond van artikel 7 lid 1, aanhef en onder b en c, WWM worden de in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen, onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, geweigerd indien er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd (onder b) of van die erkenningen, consenten, vergunningen, verloven of ontheffingen dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt (onder c).

3.3.

Krachtens artikel 26 lid 1 WWM is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben. Het tweede lid bepaalt (onder a) dat het eerste lid niet van toepassing is op personen die houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, voor zover dit verlof reikt.

3.4.

Op grond van artikel 28 lid 1 WWM wordt verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager. Het tweede lid bepaalt dat een verlof wordt verleend indien:

a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;

b. de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen;

c. de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, behoudens afwijking voor leden van een schietvereniging.

Krachtens het vierde lid heeft een verlof een geldigheid van ten hoogste een jaar en kan dit worden verlengd, indien aan de vereisten voor de verlening daarvan nog wordt voldaan.

3.5.

Op grond van artikel 38 lid 2 WWM moeten de korpschefs bij de uitvoering van de WWM de aanwijzingen van de minister van justitie volgen. Deze aanwijzingen waren ten tijde van verlofverlening neergelegd in de Circulaire wapens en munitie 2005 (hierna: CWM 2005). De CWM 2005 was oorspronkelijk geldig van 1 augustus 2005 tot en met 1 augustus 2009 en is meermalen verlengd tot de CWM 2012 op 11 januari 2012 in werking trad.

3.6.

Tegen beschikkingen van de korpschef krachtens de WWM staat administratief beroep open bij de minister van justitie (artikel 34 lid 1 WWM), dat kan worden ingesteld – voor zover hier van belang – door de aanvrager, dan wel de houder van de erkenning, het consent, de vergunning of het verlof (artikel 34 lid 2 aanhef en onder b). Tegen de beslissing van de minister kan de aanvrager of houder als genoemd hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS).

CWM 2005

3.7.

Uit het Algemeen Deel (A) van de CWM 2005 zijn de volgende passages relevant:

1.4.1

Algemeen

Verlenen, weigeren en intrekken van vergunningen

(…) De WWM kent een aantal algemene weigeringsgronden in artikel 7, eerste lid, WWM. Is voldaan aan één van deze gronden dan moet de vergunning worden geweigerd. Er is dus geen beleidsvrijheid voor het behandelend bestuursorgaan. (…)

1.4.4.1. Verlening en verlenging

(…)

Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van het aanvraagformulier dienen de volgende stappen te worden doorlopen om te bepalen of de aanvrager in aanmerking komt voor de verlening van het gevraagde verlof:

(...)

5. Controleer of het voorhanden hebben van (vuur)wapens en/of munitie aan de aanvrager kan worden toevertrouwd (zie onderdeel B 1). Hiertoe dienen minimaal de volgende bronnen geraadpleegd te worden:

· Justitieel Documentatieregister;

· De interne politieregisters;

· CIE – registers (voor zover mogelijk);

(...)

Verlenging van een verlof

(…) Bij iedere verlengingsaanvraag dient te worden beoordeeld of de aanvrager nog steeds een redelijk belang heeft bij de verlening van een verlof en of er ten aanzien van de aanvrager geen sprake is van een situatie van ‘vrees voor misbruik’.

(…)

1.4.4.6 Weigering en intrekking

Een verlof wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 28, tweede lid, van de WWM (zie onderdeel A 1.4.4.1) of indien er sprake is van één van de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 7, eerste lid, van de WWM. De meest frequent toegepaste weigeringsgronden zijn de onder sub b en c genoemde situaties van ‘het niet kunnen toevertrouwen’ en ‘vrees voor misbruik’ (zie onderdeel B 1 voor de

nadere invulling van deze begrippen).

(…)

Een besluit tot intrekking of weigering dient zorgvuldig tot stand te komen en dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht aan een besluit stelt.

(…)

Uit het Bijzonder deel (B) zijn de volgende passages relevant:

1. Geen vrees voor misbruik

1.1.

Algemeen

(...) Omdat het begrip "vrees voor misbruik" reeds een ruime uitleg kent worden daaronder ook begrepen die gevallen waarin iemand een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen.

"Vrees voor misbruik" en "het niet langer kunnen toevertrouwen" zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het "vrees voor misbruik-criterium" kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.

1.2.

Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium

Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium "geen vrees voor misbruik" betreft.

Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering – ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).

Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.

Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:

a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;

b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)

Strafbare feiten
De aanvrager of houder van een in de Wet wapens en munitie genoemde vergunning mag op het moment van de aanvraag en tijdens het houderschap niet:

  1. met toepassing van artikel 37 respectievelijk artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht binnen de afgelopen acht jaren in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst dan wel ter beschikking zijn gesteld;

  2. binnen de laatste acht jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens:

1. het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd;

2. het plegen van een misdrijf waarbij geweld of bedreiging met geweld heeft plaatsgevonden;

3. het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Wet wapens en munitie;

4. het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Opiumwet.

binnen de laatste vier jaren bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd;

(…)

Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)

Algemeen
Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten.

In zijn algemeenheid geldt dat tegen een aanvrager (houder) bestaande bezwaren, voor zover daarvan niet reeds blijkt uit veroordelingen of opgemaakte processen-verbaal, alsnog in een rapport dienen te worden vastgelegd.

Sepots en processen-verbaal
Te denken valt aan door het openbaar ministerie geseponeerde zaken. Indien er sprake is van sepot wegens procedurele fouten in de opsporingsfase, of omdat de zaak te lang is blijven liggen, wegens gering feit of wegens geringe strafwaardigheid van het feit, kan er een duidelijker grond voor weigering of intrekking van een verlof zijn dan bij een sepot wegens gebrek aan bewijs. Een sepot omdat betrokkene ten onrechte als verdachte is aangemerkt zal uiteraard geen rol bij de beoordeling kunnen spelen.

De vrees voor misbruik kan eveneens worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid. Een geval waarin een proces-verbaal (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid, doet zich voor wanneer de zaak zo recent is dat van een beslissing door de rechter of de officier van justitie nog geen sprake is (kan zijn) geweest.

Niet de veroordeling van de aanvrager of de vergunninghouder is immers de reden de vergunning te weigeren of in te trekken, maar de vrees voor misbruik. Die vrees kan er uiteraard ook al zonder veroordeling zijn. Uit het feit dat – in afwachting van een eventuele veroordeling – door de korpschef positief op de aanvraag wordt beslist, zou de betrokkene kunnen (en wellicht ook mogen) afleiden dat de korpschef de zaak niet zo ernstig neemt. Deze omstandigheid zal in bestuursrechtelijk opzicht op een later moment een hindernis kunnen vormen bij een beslissing tot intrekking, namelijk op het moment dat de veroordeling (alsnog) een feit is geworden. De bevoegdheid van de korpschef om vergunningen te weigeren en in te trekken is dan ook een eigen bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid, die los staat van het strafrechtelijke traject.

Psychische gesteldheid
In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die – door oorzaken van zowel interne, als externe aard – onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder – in tegenstelling tot de korpschef – van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens.

(…)

3.8.

Binnen PHM gold in november 2008 de “Richtlijn interne bevragingen”. De tekst hiervan luidt – voor zover relevant – als volgt:

“De afdeling BW heeft in het kader van vergunningverlening en advisering een verplichting tot screening. De wederzijdse gedachte van het BUV en BW is dat bij deze screening een streng bevragingsregime wordt toegepast, namelijk de zgn PMA-lijn regio Hollands Midden waarbij alle ernstige bezwaren over een individu aan het licht komen middels navraag in alle beschikbare bevragingssystemen.

(...)

Bevragingssystemen

Het bevragingsregime is duidelijk over welke systemen door de BUV worden geraadpleegd:

- Justitiële documentatie uit Almelo

- HKS

- BPS alsmede Blue View

- PAPOS

- Verona

- OPS/NSIS-LIST

- RBS

- Politie-registers (controle RID).

Steunbegrippen

Om tot vergunningverlening, weigering cq intrekking of advisering over te kunnen gaan wordt getoetst op basis van steunbegrippen zoals:

- betrouwbaarheid

- kunnen dragen van verantwoordelijkheid,

- vertrouwen,

- ‘vrees voor misbruik’,

- ‘goede naam of faam’ schaden.

Normering

Al deze bevragingssystemen MOETEN worden geraadpleegd om te komen tot een juiste toetsing in relatie tot bovengenoemde steunbegrippen. De inhoudelijke toetsing om te komen tot vergunningverlening of advisering hangt dus voor een groot deel af van de kwaliteit van bevraging.

Daarom is een norm vastgesteld over welke informatie per bevragingssysteem wordt opgevraagd, vastgelegd en uiteindelijk toegepast door de vergunningverlener. Hierbij is een rolverdeling gemaakt tussen de medewerkers BUV en BW.

Systeem Rol medewerkers BUV/BW

- Justitiële Documentatie uit Almelo = alle informatie door BW-personeel

- HKS = alle informatie

- Blue View = alle informatie tot 1 jaar terug na aanvraag, met nadere informatie op voorblad over BPS-mutatie’s;

- BPS = alle mutatie’s uit BPS regioHM worden op voorblad Blue View genoemd en door BW-Personeel geraadpleegd:

- primair de mutatie’s waarin persoon als VE verdachte staat geregistreerd;

- secundair de mutatie’s waarin persoon als BE = betrokkene staat genoteerd EN waarin verdenking of verdachte feiten en/of omstandigheden worden genoemd die kunnen leiden tot weigering of intrekken van een vergunning.

(….)”

3.9.

In geval van een voorgenomen weigering van een verlofaanvraag heeft de aanvrager recht op een zienswijzegesprek met een ambtenaar van de afdeling BW, waarna een positieve dan wel negatieve beschikking wordt afgegeven.

4 Het geschil, verkort weergegeven

4.1.

Eisers vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair: PHM te veroordelen om aan hen te vergoeden de door hen geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, die het gevolg is van het vuurwapengebruik dat op

9 april 2011 door [V.] in Alphen aan den Rijn heeft plaatsgevonden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

9 april 2011, althans vanaf de dag der dagvaarding;

subsidiair: voor recht te verklaren dat PHM jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld door aan [V.] op 10 november 2008 een wapenverlof te verlenen en deze op

9 november 2009 en 16 november 2010 te verlengen;

primair en subsidiair: PHM te veroordelen in de proceskosten.

4.2.

Eisers leggen aan hun vorderingen artikel 6:162 BW en de artikelen 2, 3 en 8 EVRM ten grondslag. Volgens eisers is PHM aansprakelijk voor de schade die [V.] heeft aangericht, kort gezegd omdat zij aan [V.] geen wapenverlof had mogen verlenen. Zij stellen dat PHM onrechtmatig heeft gehandeld door ten onrechte niet alle relevante feiten te betrekken in de beoordeling van de aanvraag van het wapenverlof van [V.] en de wetgeving niet ter bescherming van de maatschappij – ten nadele van [V.] – restrictief toe te passen. Dat levert volgens eisers zowel handelen in strijd met de wet op van PHM als handelen in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarmee heeft PHM volgens eisers ook niet voldaan aan de op haar rustende positieve verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM om, als de overheid weet of had moeten weten dat een burger gevaar loopt door toedoen van een andere burger, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar kunnen worden gevergd ter bescherming van het leven van de burger die gevaar loopt.

4.3.

PHM voert gemotiveerd verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Inleiding

5.1.

Het schietincident in het winkelcentrum in Alphen aan den Rijn op 9 april 2011, waarbij [V.] met vuurwapens om zich heen heeft geschoten, diverse personen heeft gedood en verwond en eigendommen heeft beschadigd, heeft onmiskenbaar grote invloed gehad op de levens van eisers, die in veel gevallen nog dagelijks geconfronteerd worden met de gevolgen daarvan.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat de schade die eisers hebben geleden, het directe gevolg is van het onrechtmatig handelen van [V.]. Eisers stellen dat PHM aansprakelijk is voor de schade die [V.] heeft aangericht, kort gezegd omdat de korpschef aan [V.] geen wapenverlof had mogen verlenen. PHM is verplicht tot vergoeding van de door eisers geleden schade indien komt vast te staan dat deze schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van PHM jegens eisers.

5.3.

Zoals uit het onder 3. weergegeven wettelijk kader blijkt, is de korpschef het in de WWM aangewezen bestuursorgaan dat krachtens die wet een wapenverlof verleent en verlengt. De gedragingen van de korpschef, die als orgaan van een rechtspersoon – destijds PHM – in dit burgerlijk geding de bevoegdheid mist om zelfstandig als partij op te treden, hebben in het maatschappelijk verkeer te gelden als gedragingen van PHM. De rechtbank zal daarom, als het gaat om handelen in verband met de verlofverlening, ook spreken van PHM. De Nationale politie, regionale eenheid Den Haag, is sinds de inwerkingtreding van de Politiewet 2012 per 1 januari 2013 de rechtsopvolger van PHM. Omdat deze zaak gaat over de situatie van voor 1 januari 2013, zal de rechtbank – net als partijen – blijven spreken van PHM.

5.4.

De rechtbank zal eerst onderzoeken of het verwijt van eisers dat PHM op grond van de WWM geen wapenverlof aan [V.] had mogen verlenen, terecht is. De rechtbank kondigt reeds op deze plaats aan dat zij daarbij tot het oordeel komt dat PHM in strijd met de wet en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld bij de verlening van het wapenverlof, omdat daarbij relevante gegevens buiten beschouwing zijn gelaten. Indien die gegevens wel waren meegewogen, zou dat naar het oordeel van de rechtbank tot weigering van het wapenverlof hebben moeten leiden.

5.5.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of de door PHM geschonden norm uit de WWM strekt tot bescherming tegen de schade die eisers hebben geleden. Dit is vereist voor de aansprakelijkheid van PHM. Deze toets leidt tot de conclusie dat het met de wet strijdige handelen van PHM geen aansprakelijkheid van PHM voor de schade van eisers meebrengt. Er is niet voldaan aan het relativiteitsvereiste.

5.6.

Tot slot verwerpt de rechtbank het standpunt van eisers dat PHM met het verlenen van het wapenverlof ten aanzien van eisers in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

5.7.

De rechtbank licht haar oordeel hierna toe.

Handelen van PHM in strijd met de WWM?

toetsingskader

5.8.

Het geweldsmonopolie in Nederland ligt bij de overheid. Het recht om geweld toe te passen – en daarmee wapens en munitie te gebruiken – is neergelegd bij instituten als de politie en de krijgsmacht. Het gebruik van geweld door burgers is in beginsel verboden. De WWM geeft uitdrukking aan dat geweldsmonopolie, doordat zij de kring van personen die over wapens en munitie mogen beschikken beperkt. De wet verbiedt burgers om (in die wet nader aangeduide) wapens of munitie voorhanden te hebben en maakt – alleen – een uitzondering voor burgers aan wie daarvoor verlof is verleend. Verlof wordt slechts verleend indien er aan een aantal voorwaarden is voldaan. De rechtbank staat hier stil bij de voor de beoordeling van de verlening van het wapenverlof aan [V.] relevante voorwaarden, die ook meer uitgebreid onder 3. zijn opgenomen.

5.9.

De korpschef verleent verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie behorend tot categorie III – de wapens die [V.] heeft gehanteerd op 9 april 2011 en die vermeld stonden op de bijlage bij het op 16 november 2010 verlengde wapenverlof (zie 2.19) – indien, voor zover hier relevant, (i) een redelijk belang de verlening van het verlof vordert en (ii) de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen (artikel 28 WWM). In de wetsgeschiedenis bij deze bepaling staat dat niet snel zal worden aangenomen dat een redelijk belang het vordert dat een burger een pistool of revolver – wapens behorend tot categorie III – voorhanden heeft. Serieuze beoefening van de schietsport kan wel een redelijk belang opleveren, net als – voor bepaalde wapens – bestrijding van wildschade overeenkomstig de Jachtwet (Kamerstukken II 1976-1977,

14 413, nr. 1-3, p. 35).

5.10.

Het verlof moet worden geweigerd indien er reden is te vrezen dat de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd of er reden is te vrezen dat er door de aanvrager van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt (artikel 7 WWM). Dit volgt niet alleen uit de tekst van de wet, maar ook uit de toelichting daarop, waarin tot uitdrukking komt dat in zo’n geval geen beleidsvrijheid bestaat: “Wanneer er reden is om te vrezen voor misbruik, dan zal, zelfs al is er een redelijk belang, toch geen verlof worden gegeven.” (Kamerstukken II 1976-1977, 14 413, 1-3, p. 35). Ook de CWM 2005 onderstreept het ontbreken van die beleidsvrijheid: “Er bestaat dus geen beleidsvrijheid voor het behandelend bestuursorgaan” (zie 3.7). Bij genoemde vrees mag de korpschef dus geen verlof verlenen.

5.11.

In de CWM 2005 is toegelicht dat het geval van vrees voor misbruik van wapens of munitie op één lijn dient te worden gesteld met het geval waarin de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd. Verder kent “vrees voor misbruik” volgens de CWM 2005 een ruime uitleg en valt daaronder ook het geval waarin de aanvrager een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan vormen. Spiegelbeeldig geldt volgens de circulaire dat er, gelet op het feit dat wapens en munitie “een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving vormen indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben”, een restrictief beleid gevoerd moet worden waar het de toepassing van het criterium “geen vrees voor misbruik” betreft. Dat houdt in dat niet gemakkelijk geconcludeerd mag worden dat er geen vrees voor misbruik is.
5.12. De CWM 2005 wijst er voorts op dat, ten behoeve van de bescherming van de veiligheid van de maatschappij, reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken of gemaakte uitzondering op het verbod wapens en munitie voorhanden te hebben, voldoende reden is om een verlof niet te verlenen, respectievelijk in te trekken. Aan de geringe twijfel dient wel een objectief toetsbare motivering ten grondslag te liggen. Dit is in lijn met de door PHM aangehaalde bestendige rechtspraak van de ABRS.

5.13.

De rechtbank is van oordeel dat de artikelen 7 en 28 WWM, in samenhang bezien met hetgeen in de CWM 2005 is opgenomen, tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat een wapenverlof bij geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken of gemaakte uitzondering op het verbod wapens en munitie voorhanden te hebben, mits geobjectiveerd, geweigerd moet worden. Anders gezegd: bij geobjectiveerde geringe twijfel, is er vrees voor misbruik als bedoeld in de WWM. Ruimte voor de korpschef om in zo een geval anders te beslissen, is er niet.

5.14.

Gezien het voorgaande verwerpt de rechtbank het standpunt van PHM dat op grond van de WWM een verplichting tot weigering van het verlof pas aan de orde is indien een objectief toetsbaar en onaanvaardbaar risico bestaat dat de aanvrager door de verlofverlening het gevaar voor de samenleving zal opleveren dat zich hier heeft verwezenlijkt.

5.15.

In de structuur van het verlofstelsel maakt de korpschef bij geobjectiveerde geringe twijfel zijn “voornemen tot weigering” van het verlof aan de aanvrager kenbaar. Dit voornemen leidt tot een definitieve weigering, tenzij de aanvrager aantoont dat het voorhanden hebben van wapens en/of munitie hem wel kan worden toevertrouwd.

5.16.

De rechtbank dient dan ook de vraag te beantwoorden of de korpschef heeft kunnen oordelen dat ten tijde van de vergunningverlening geen geobjectiveerde geringe twijfel bestond of het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie aan [V.] kon worden toevertrouwd. Om die vraag te kunnen beantwoorden, is eerst van belang vast te stellen welke gegevens de korpschef dient te (laten) raadplegen alvorens een beslissing te nemen.

toetsingsmateriaal

5.17.

Gezien het onder 3. weergegeven wettelijk kader, in het bijzonder de CWM 2005, dienen – samengevat – de volgende gegevens bij de beoordeling van een aanvraag voor een wapenverlof te worden betrokken: a) veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken en b) andere omtrent de aanvrager bekende feiten. De categorie “veroordelingen” ziet onder andere op veroordelingen tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op de voet van artikel 37 of 37a Sr (en niet op de civielrechtelijke maatregel van de inbewaringstelling, zoals eisers beweren). Met betrekking tot de categorie “andere bekende feiten” worden sepots en processen-verbaal genoemd en feiten die betrekking hebben op de psychische gesteldheid van de aanvrager. Daarbij wordt in de CWM overwogen dat het “in beginsel niet verantwoord is om aan iemand die – door oorzaken van zowel interne, als externe aard, onder sterke psychische druk staat (…) het voorhanden hebben van een vuurwapen toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid (zijn, rb).”
5.18. Uit de Richtlijn interne bevragingen zoals die destijds gold bij PHM (zie 3.8), volgt dat de met de beoordeling van de aanvraag belaste ambtenaar van de afdeling BW (in dit geval was dat G05) daartoe alle beschikbare, in de richtlijn genoemde, bevragingssystemen moest (doen) raadplegen. In deze richtlijn wordt toegelicht dat de afdeling BW in het kader van verlening van verlof een verplichting heeft tot screening en dat bij deze screening “een streng bevragingssysteem wordt toegepast, namelijk de zgn PMA-lijn regio Hollands Midden waarbij alle ernstige bezwaren over een individu aan het licht komen.” Daarbij is expliciet onderkend dat de inhoudelijke toetsing om te komen tot vergunningverlening “voor een groot deel afhangt van de kwaliteit van de bevraging.”

relevante beschikbare gegevens buiten beschouwing gebleven?

5.19.

Vast staat dat ten tijde van de aanvraag van [V.] van een wapenverlof in 2008:

  1. het uittreksel van de Justitiële Informatiedienst ten aanzien van [V.] een transactie wegens een snelheidsovertreding in 2007 vermeldde;

  2. in de digitale politieregisters de informatie was opgeslagen die is opgesomd in 2.13, waaronder de mutaties over de luchtbuksincidenten in 2003 en de BOPZ-mutatie uit 2006,

  3. in de papieren politieregisters was terug te vinden dat de verlofaanvraag van [V.] in 2005 was geweigerd in verband met de luchtbuksincidenten uit 2003.

5.20.

PHM, in de persoon van G05, had gelet op hetgeen hiervoor in 5.17-5.18 is overwogen, al deze gegevens bij de beoordeling moeten betrekken. Vast staat dat dit niet is gebeurd: G05 heeft de BOPZ-mutatie noch de eerdere weigering van de verlofaanvraag bij de beoordeling betrokken.

5.21.

Op grond van de toepasselijke regels had de BOPZ-mutatie aan G05 moeten zijn toegestuurd. Als dat niet is gebeurd – hetgeen niet kan worden uitgesloten aangezien technisch onderzoek niet heeft kunnen bevestigen dat G06 deze mutatie ook werkelijk aan G05 heeft toegestuurd – is dat een omstandigheid die voor rekening en risico komt van PHM, die in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het te nemen besluit op de verlofaanvraag en gelet op de richtlijn Interne bevragingen, ervoor verantwoordelijk is dat G05 over de gegevens beschikt. Datzelfde geldt voor de door PHM genoemde omstandigheden die mogelijk (verder) verklaren waarom G05 niet naar de mutatie heeft gekeken, te weten dat de mutatie op een onopvallende plek, waarop G05 niet bedacht hoefde te zijn, was gerubriceerd en dat de eerdere weigering van de verlofaanvraag in 2005 bij de overgang van een papieren naar een digitaal systeem niet in het digitaal systeem is ingevoerd.

5.22.

Evenmin kan de door PHM genoemde omstandigheid dat zij “bij toeval” van de BOPZ-opname op de hoogte was, omdat zij daarbij assistentie had verleend – hetgeen niet altijd het geval is bij dit soort opnames – haar baten. Op basis van de regelgeving dienen “andere omtrent de aanvrager bekende feiten”, zeker die welke betrekking hebben op de psychische gesteldheid van de aanvrager, te worden meegewogen. Irrelevant is waarom die feiten bij de politie bekend zijn en of die in alle gevallen bekend zijn. Nu de BOPZ-opname een omtrent [V.] bekend feit was, had deze moeten worden meegewogen.

5.23.

De rechtbank concludeert dat het bij de besluitvorming over de vergunningverlening in 2008 buiten beschouwing laten van de weigering van het verlof in 2005 en de BOPZ-mutatie kwalificeert als een handelen in strijd met een wettelijke plicht en daarmee als een onrechtmatige daad van PHM.

5.24.

De rechtbank is van oordeel dat het buiten beschouwing laten van deze gegevens bij de vergunningverlening een voor deze zaak relevante omstandigheid is. Deze gegevens hadden in 2008 namelijk – zo blijkt uit het hiernavolgende – opnieuw tot een voorgenomen weigering van het wapenverlof moeten leiden.

voorgenomen weigering

5.25.

De luchtbuksincidenten uit 2003 vormden in 2005 aanleiding het wapenverlof te weigeren. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de informatie over de luchtbuksincidenten in de kern luidt zoals in de weigering van het verlof is verwoord, dat wil zeggen dat [V.] op 17-jarige leeftijd medeplichtig is geweest aan een bedreiging met een luchtdrukwapen en dat het slachtoffer daarbij in zijn enkel geschoten is, dat dit luchtdrukwapen in eigendom toebehoorde aan de vader van [V.] en dat [V.] eerder een luchtdrukpistool ter beschikking heeft gesteld aan twee vrienden die dit wapen hebben gebruikt om daarmee op auto’s te schieten (zie 2.5). Het feit dat [V.] voor die feiten niet is vervolgd maar dat die werden afgedaan met een sepot, heeft de vrees voor misbruik in 2005 niet weggenomen. Dat strookt met hetgeen in de CMW 2005 is opgenomen over de weging van sepots in het kader van een verlofaanvraag (zie 3.7): er waren hier feiten met betrekking tot een wapen, die niet zijn geseponeerd wegens gebrek aan bewijs, maar wegens geringe betrokkenheid van [V.], wiens betrokkenheid dus wel werd aangenomen.

5.26.

Ten tijde van de aanvraag van het verlof in 2008 bleek de over [V.] reeds bekende informatie verzwaard met een BOPZ-mutatie. De BOPZ-mutatie maakte melding van een gedwongen opname in een psychiatrische instelling, een zogeheten inbewaringstelling (hierna: IBS). Op grond van artikel 20 lid 2 Wet BOPZ kan de burgemeester slechts lastgeven tot inbewaringstelling als a) de betrokkene gevaar veroorzaakt, b) het ernstige vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens de betrokkene het gevaar doet veroorzaken, c) het gevaar zo onmiddellijk dreigend is dat een voorlopige machtiging tot het doen verblijven of tot het doen voortduren van het verblijf van de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis niet kan worden afgewacht en d) het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

5.27.

Uit de BOPZ-mutatie blijkt dat [V.] ten tijde van de gedwongen opname gevaar voor zichzelf opleverde; hij had te kennen gegeven zichzelf van het leven te gaan beroven. Een dergelijk gevaar staat op grond van artikel 28 in verbinding met artikel 7 van de WWM in de weg aan verlening van een wapenverlof. Artikel 28 WWM bepaalt immers dat verlof wordt verleend indien de aanvrager geen gevaar voor zichzelf kan vormen. Verlofverlening kan dus niet aan de orde zijn indien de aanvrager gevaar voor zichzelf kan vormen en er – daardoor – reden is voor vrees als bedoeld in artikel 7 WWM. Daar komt bij dat, blijkens de BOPZ-mutatie, in ieder geval bij de vader van [V.] de vrees bestond dat [V.] bij die voorgenomen zelfdoding gebruik zou maken van een wapen.

5.28.

Het samenstel van de te wegen gegevens had een redelijk handelend en redelijk bekwaam korpschef tot het oordeel moeten brengen dat geringe twijfel was ontstaan of aan [V.] het voorhanden hebben van wapens of munitie kon worden toevertrouwd. Het gegeven dat ten tijde van de verlofaanvraag in 2008 twee jaar waren verstreken sinds het moment waarop de gedwongen opname met bijstand van de politie plaatsvond en dat het systeem geen informatie bevatte over het vervolg van de gedwongen opname maakt dit niet anders. Informatie over (het vervolg van) inbewaringstellingen wordt immers in de regel niet in de politieregisters opgeslagen, zodat aan het ontbreken van die informatie ook geen betekenis kan worden toegekend. In dit verband is van belang dat hoewel niet zonder meer gezegd is dat iemand twee jaar na een gedwongen opname nog in dezelfde situatie verkeert, zonder nadere gegevens – waar PHM niet over beschikte – evenmin kan worden uitgesloten dat betrokkene dan geen gevaar meer vormt voor zichzelf en/of dat het voorhanden hebben van wapens en munitie gezien zijn psychische gesteldheid aan deze persoon kan worden toevertrouwd.

5.29.

Gezien het voorgaande had PHM aldus tot een voornemen tot weigering van het verlof aan [V.] moeten besluiten. De vraag is welk gevolg dat zou hebben gehad voor het al dan niet verlenen van het wapenverlof aan [V.].

het gevolg van de voorgenomen weigering

5.30.

Zoals in de CWM 2005 wordt beschreven, is het aan de aanvrager van het verlof om ofwel in het voornemen tot weigering te berusten ofwel om met behulp van een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater aan te tonen dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd. De bewijslast terzake rust op de aanvrager. Uit de door hem over te leggen verklaring moet blijken – zo vereist de CWM 2005 – dat die arts/psychiater bekend was met zijn problemen en dat deze problemen niet (langer) een belemmering vormden om hem een wapenverlof te verlenen. Op de korpschef rust geen onderzoeksplicht (zie ABRS 19-11-2014, ECLI:NL:RVS:2014:4153).

5.31.

Als [V.] zich al niet – zoals hij eerder ook had gedaan – bij het voornemen tot weigering had neergelegd, acht de rechtbank buiten redelijke twijfel dat hij geen verklaring zou hebben kunnen overleggen van een behandelend arts/psychiater waaruit zou blijken dat zijn problemen niet (langer) een belemmering vormden om hem een wapenverlof te verlenen. Uit het rapport van de IGZ (zie 2.26 en 2.27) blijkt immers dat:

  • -

    i) in de periode van en kort na de BOPZ-opname – vanwege het gevaar van suïcide met een vuurwapen – duidelijk werd dat [V.] aan een psychotische stoornis leed en dat hij een fascinatie had voor vuurwapens en God;

  • -

    ii) in de periode 2006-2008 aantekeningen in het dossier van Rivierduinen te vinden zijn dat er sprake was van dreigen met zichzelf iets aan te doen met een vuurwapen, wat in 2006 tot de gedwongen opname had geleid en dat er daarna enkele dreigingen waren waarop afspraken werden gemaakt rond eventuele crisisinterventie die vervolgens niet heeft plaatsgevonden;

  • -

    iii) [V.] in de jaren na 2006 – en ten tijde van de aanvraag tot wapenverlof – ambulant in behandeling was in het zorgprogramma Kritische Eerste Episode, specifiek gericht op ambulante zorgverlening na een eerste psychose en medicatie kreeg (antipsychotica en antidepressiva);

  • -

    iv) [V.] niet behandelings- en medicatietrouw was: hij had bezwaren tegen de voorgeschreven medicatie in verband met de bijwerkingen, was vanaf het begin van zijn behandeling ambivalent over zijn zorgvraag en mogelijke diagnose, hij was wisselend in zijn therapietrouw wat betreft de medicatie en zijn contacten met de hulpverleners van Rivierduinen en neigde in de contacten tot het afhouden van zijn klachten en problemen. In het IGZ-rapport wordt de relatie tussen [V.] en zijn behandelaars van Rivierduinen als een “broze relatie” omschreven en wordt bevestigd dat de vader van [V.] in de periode rondom de verlofaanvraag van zijn zoon in 2008 (meermalen) hierover zijn zorgen heeft uitgesproken tegenover medewerkers van Rivierduinen.

5.32.

Noch de artsen/psychiaters van Rivierduinen waar [V.] onder behandeling was, noch zijn huisarts, die bij Rivierduinen voor zover nodig inlichtingen zou moeten hebben inwinnen, zouden onder deze omstandigheden bedoelde schriftelijke verklaring aan [V.] hebben afgegeven. [V.] zou deze dan ook niet aan de politie hebben kunnen overleggen.

5.33.

Het voorgaande brengt met zich dat op een voornemen tot weigering in het geval van [V.] hoe dan ook een weigeringsbesluit van de korpschef was gevolgd. De veronachtzaming van de over [V.] bekende informatie heeft dan ook geleid tot het ten onrechte verlenen van een wapenverlof. Zowel deze veronachtzaming als de verlofverlening levert een handelen in strijd met een wettelijke plicht – en daarmee een onrechtmatige daad – van PHM op.

5.34.

Met dit oordeel is gegeven dat ook de verlengingen van het wapenverlof onrechtmatig zijn. Aan de vereisten voor vergunningverlening was immers niet (langer) voldaan (artikel 28 lid 4 WWM).

5.35.

Nu PHM een wettelijke plicht heeft geschonden, is daarmee de onrechtmatigheid van haar gedrag bij de verlening en verleningen van het wapenverlof aan [V.] in beginsel gegeven. Het enkele gegeven dat in strijd met een wettelijk norm is gehandeld, betekent echter niet dat PHM daarvoor aansprakelijk is jegens eisers. Daarvoor moet aan het zogenoemde relativiteitsvereiste worden voldaan. In de parlementaire geschiedenis is dit als volgt verwoord:

“Ook al levert een gedraging in strijd met een in publiekrechtelijk voorschrift gegeven verplichting in beginsel een onrechtmatige daad op in de zin van het onderhavige artikel (artikel 6:162 BW, rb), toch zal vaak degene die dientengevolge schade heeft geleden geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van die schade aan artikel 1 (artikel 6:162 BW, rb) ontlenen en wel wegens het in artikel 2 (artikel 6:163 BW, rb) bepaalde. Indien uit de strekking van de overtreden wetsbepaling volgt dat de dader door de overtreding niet jegens de benadeelde onrechtmatig handelde of dat de wettelijke plicht niet beoogde de benadeelde te beschermen tegen schade zoals hij heeft geleden, kan immers een vordering tot schadevergoeding door de benadeelde niet enkel op deze wetsovertreding gebaseerd worden.” (Toelichting Meijers, Parlementaire geschiedenis Boek 6, p. 615).

Relativiteit

5.36.

De rechtbank zal nu bezien of de normschending zoals die zojuist is vastgesteld, strekt tot bescherming tegen de schade die eisers hebben geleden (artikel 6:163 BW). PHM heeft gemotiveerd betwist dat dit het geval is.

5.37.

De rechtbank stelt voorop dat het bij beantwoording van de vraag of is voldaan aan het relativiteitsvereiste aankomt op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt.

5.38.

Eisers zijn de slachtoffers die het schietincident hebben overleefd en nabestaanden van overleden slachtoffers (zie in dit verband de artikelen 6:107 en 6:108 BW). Onder hen bevinden zich ook personen die tijdens het schietincident aanwezig zijn geweest en winkeliers die vermogensschade hebben geleden. Zij vorderen schadevergoeding op te maken bij staat. Zij hebben hun schade in deze procedure (nog) niet geconcretiseerd, anders dan door te stellen dat zij schade hebben geleden die zij in een schadestaatprocedure nader zullen uitwerken. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de soort schade per persoon kan verschillen en dat deze zowel kan bestaan uit (louter) zuivere vermogensschade als (ook) uit personenschade en zowel directe schade kan betreffen als gevolgschade.

5.39.

Het in de WWM neergelegde verlofstelsel vormt een uitzondering op het verbod op het voorhanden hebben van wapens. De WWM en de daarop gebaseerde CWM 2005 en de binnen PHM geldende Richtlijn interne bevragingen bevatten specifieke regels voor deze verlofverlening. PHM heeft deze regels overtreden door het besluit tot weigering van het verlof in 2005 en de BOPZ-mutatie buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van de (tweede) verlofaanvraag van [V.] en als gevolg daarvan ten onrechte een wapenverlof aan hem te verlenen. De geschonden norm is die van een zorgvuldige besluitvorming bij verlening van het wapenverlof.

5.40.

Zoals eerder in 5.8 is overwogen, geeft de WWM vorm aan het geweldsmonopolie van de overheid als het gaat om wapens en munitie: het in artikel 26 lid 1 WWM neergelegde verbod tot voorhanden hebben en dragen van wapens is een kernbepaling van de WWM (Kamerstukken II 1976-1977, 14 413, nr. 1-3, p. 33). In de Memorie van Antwoord staat daarover: “De leden van de fracties van het C.D.A, en de S.G.P. brachten in dit verband vanuit hun specifieke zienswijze de exclusieve zwaardmacht van de overheid ter sprake. Wij onderschrijven de daarmee tot uitdrukking gebrachte gedachte, dat geweldstoepassing - indien onvermijdelijk - een zaak van de overheid behoort te zijn en niet van de individuele burger.” (Kamerstukken II 1979-1980, 14 413, nr. 5, p. 2)

5.41.

In de memorie van toelichting bij de WWM staat dat met wetgeving ter regulering van het bezit en het gebruik van wapens en de handel daarin verschillende doeleinden worden nagestreefd, waarbij in de eerste plaats behoort de bescherming van de veiligheid van burger en staat. De wetgever verwijst verder naar een toenemende behoefte aan strenge regels op het gebied van het bezitten en dragen van wapens en een zo effectief mogelijke controle op de handel in wapens. Als een van de uitgangspunten van de voorgestelde wettelijke regeling geldt dat “voor zover wetgevende maatregelen daartoe kunnen dienen moet een bijdrage worden geleverd aan bestrijding van het illegale wapenbezit” (Kamerstukken II 1976-1977, 14 413, nr. 1-3, p. 20). In de wetgeschiedenis staat ook “dat illegaal wapenbezit in uiterste instantie tot aantasting van de rechtsstaat kan leiden. Ook indien het slechts incidenteel voorkomt, kan er reeds een ernstige bedreiging voor het leven en de vrijheid van personen van uitgaan.” (Kamerstukken II, 1979-1980, 14 413, nr. 5, p. 2) Tot slot wordt gesproken over de noodzaak om wapenbezit zoveel mogelijk terug te dringen (Kamerstukken II 1976-1977, 14 413, nr. 1-3, p. 34).

5.42.

Deze aan de kamerstukken in de vergaderjaren 1976-1977 en 1979-1980 ontleende bedoeling van de wetgever heeft in de huidige maatschappelijke context niet aan belang ingeboet. In de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel tot wijziging van de WWM – kort gezegd – in verband met de inwerkingtreding van de Verordening (EU) nr. 258/2012 (PbEU 2012, L94), Kamerstukken II 2013-2014, 33 995, nr. 3 staat (op p. 2) bijvoorbeeld: “Beheersing van het legale bezit van wapens als ook het voorkomen en bestrijden van illegale wapenhandel vormt de kern van het Nederlandse vuurwapenbeleid.”

5.43.

Naar het oordeel van de rechtbank moet onderscheid worden gemaakt tussen deze met de WWM gediende algemene maatschappelijke veiligheidsnorm van bescherming van de veiligheid van de samenleving en de door PHM geschonden norm van onzorgvuldige besluitvorming bij verlening van een wapenverlof. De geschonden norm draagt wel bij aan verwezenlijking van de algemene norm. Daarmee is echter niet gezegd dat de in de CWM 2005 neergelegde en uit de WWM voortvloeiende eisen van zorgvuldigheid van de besluitvorming over een verlofaanvraag mede strekken ter bescherming van de (vermogens)schade die eisers hebben geleden doordat [V.] wapens waarvoor ten onrechte verlof was verleend, heeft gebruikt bij het schietincident.

5.44.

Daar komt bij dat, voor zover misbruik al moet worden gezien als een algemeen voorzienbaar gevolg van onzorgvuldige besluitvorming die leidt tot het ten onrechte verlenen van een wapenverlof, alleen al vanwege de grote verscheidenheid van mogelijke vormen van misbruik met uiteenlopende gevolgen, onzorgvuldige besluitvorming een onbepaalde en in beginsel onbegrensde groep potentiële gelaedeerden raakt, die op niet in algemene zin te voorziene wijze tot velerlei vormen van schade zou kunnen leiden.

5.45.

Verder wijst niets in de totstandkomingsgeschiedenis erop dat met de door PHM geschonden norm is beoogd individuele vermogensbelangen van welke aard dan ook te beschermen. In dit verband acht de rechtbank mede van belang dat het stelsel van rechtsbescherming met betrekking tot verlofverlening in de WWM uitdrukkelijk is beperkt tot de in die wet (in artikel 34) genoemde gevallen. Ook de kring van beroepsgerechtigden is met zoveel woorden beperkt. Daarmee is de kring van belanghebbenden in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht ingrijpend ingeperkt. De WWM bevat ook anderszins geen bepalingen waaraan de individuele burger rechtstreeks rechten kan ontlenen indien hij vreest dat door het bevoegd gezag toe te staan of toegestaan wapengebruik van een ander gevaar voor zijn veiligheid doet ontstaan. Evenmin voorziet de WWM in een regeling waaraan de individuele burger bescherming kan ontlenen indien zijn veiligheid door het wapengebruik van een ander in gevaar is gekomen en hij daardoor schade heeft geleden.

5.46.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door PHM bij de verlofverlening overtreden norm niet mede strekt ter bescherming van de individuele vermogensbelangen van eisers. De in de WWM met het – zorgvuldig toe te passen – verlofstelsel vormgegeven algemene verantwoordelijkheid van de overheid voor de veiligheid in de samenleving heeft niet de strekking een in beginsel onbeperkte groep van derden te beschermen tegen schade die op veelal niet te voorziene wijze kan ontstaan indien in strijd met de wet is gehandeld bij verlening van een wapenverlof.

Ongeschreven zorgvuldigheidsnorm

5.47.

Eisers betogen voorts dat PHM – door het bij de beoordeling van de verlofaanvraag van [V.] in 2008 buiten beschouwing laten van de weigering van het wapenverlof in 2005 en de BOPZ-mutatie, met als gevolg dat [V.] ten onrechte een wapenverlof is verleend – ook in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. PHM heeft een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm geschonden en dat maakt PHM jegens eisers schadeplichtig, zo stellen zij. De rechtbank deelt het standpunt van eisers niet en overweegt daartoe het volgende.

5.48.

De in artikel 6:162 BW neergelegde ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is een relatieve norm. Zij verplicht tot zorgvuldigheid die in een bepaalde verhouding tegenover een of meer anderen moet worden betracht. Het is dus niet zo dat elk onzorgvuldig handelen een onrechtmatige daad oplevert jegens eenieder die van dat handelen de gevolgen ondervindt. Het onzorgvuldig handelen krijgt eerst het karakter van een onrechtmatige daad indien de dader voor hem kenbare belangen van derden heeft veronachtzaamd. Alleen in dat geval is er – jegens die derden – sprake van schending van een zorgvuldigheidsnorm.

5.49.

De rechtbank neemt, in lijn met de jurisprudentie die betrekking heeft op schending van zorgvuldigheidsnormen, in deze zaak tot uitgangspunt dat een veilige samenleving weliswaar in het belang van eenieder is en in zoverre een kenbaar belang is, maar dat dit – algemeen – belang niet meebrengt dat een onzorgvuldige wijze van besluitvorming bij de verlening van een wapenverlof per definitie leidt tot schending van een zorgvuldigheidsnorm jegens eenieder. Voor de vraag naar onrechtmatigheid is doorslaggevend welk specifiek belang in dit concrete geval kenbaar was voor PHM.

5.50.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de zorgvuldigheidsnorm mede wordt ingekleurd door de verdragsbepalingen waarop eisers zich beroepen en waarnaar PHM als overheidsorgaan zich heeft te richten. Daarbij is in het bijzonder van belang dat artikel 2 EVRM niet het leven zelf beschermt, maar het recht op leven, welk recht geen garantie biedt op bescherming tegen alle gevaren van het leven. Verder is ook voor de uit artikel 2 EVRM voortvloeiende positieve verplichting van de overheid tot het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs van haar kunnen worden gevergd ter bescherming van het leven van een burger vereist dat PHM wist of had moeten weten dat het leven van die burger gevaar loopt door toedoen van een andere burger, in de vorm van een “real and immediate risk to life”.

5.51.

De rechtbank is van oordeel dat uit het samenstel van gegevens dat PHM in het kader van de besluitvorming tot het verlenen van het wapenverlof had moeten wegen, niet kan worden afgeleid dat willekeurige derden, zoals eisers, een veiligheidsrisico liepen indien [V.] een wapenverlof zou worden verleend. De luchtbuksincidenten, die tot een sepot van de officier van justitie hebben geleid, dateerden van ruim vijf jaren eerder, zonder dat zich intussen nieuwe vergelijkbare incidenten hadden voorgedaan. Uit de BOPZ-mutatie blijkt van gevaar van [V.] voor zichzelf vanwege de daar beschreven suïcideplannen, maar niet van gevaar voor wapengebruik jegens willekeurige derden, zoals eisers.

5.52.

De conclusie luidt dat ook als PHM kennis zou hebben genomen van de eerdere weigering van het verlof en de BOPZ-mutatie, zij niet over geobjectiveerde informatie beschikte die wees op een veiligheidsrisico voor willekeurige derden bij verlening van een wapenverlof aan [V.]. Zij kon zich daarvan bij de verlofverlening dus ook geen rekenschap geven. Van veronachtzaming van belangen van willekeurige derden en dus van eisers is derhalve geen sprake, zodat PHM geen ongeschreven zorgvuldigheidsnorm jegens eisers heeft geschonden.

EVRM

5.53.

Uit de artikelen 2, 3 en 8 van het EVRM, die eisers mede aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd valt geen strengere zorgvuldigheidsnorm af te leiden dan de hierboven omschreven norm die voortvloeit uit artikel 6:162 BW. Deze grondslag van de vordering behoeft daarom geen verdere bespreking.


Slotsom

5.54.

De conclusie luidt dat PHM in strijd met de wet heeft gehandeld door het besluit tot weigering van het verlof in 2005 en de BOPZ-mutatie buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van de verlofaanvraag van [V.] en als gevolg daarvan ten onrechte een wapenverlof aan hem te verlenen. Dit leidt niet tot aansprakelijkheid jegens eisers, omdat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste – de geschonden norm strekt niet tot bescherming van de belangen van eisers – en PHM evenmin een ongeschreven onzorgvuldigheidsnorm of een in het EVRM neergelegd recht heeft geschonden jegens eisers. Dit staat reeds in de weg aan toewijzing van de vordering tot schadevergoeding. De subsidiaire vordering – de verklaring voor recht – is evenmin toewijsbaar.

5.55.

De rechtbank komt niet toe aan bespreking van de andere vereisten voor schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en de in dit verband door partijen ingenomen stellingen.

Proceskosten

5.56.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af;

6.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin, mr. W.A.G.J. Ferenschild en

mr. J.W. Bockwinkel en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2015.

type: 2091