Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10595

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2015
Datum publicatie
11-09-2015
Zaaknummer
C/09/491250 KG ZA 15/930
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Schorsing executie alimentatiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/491250 / KG ZA 15/930

Vonnis in kort geding van 10 augustus 2015

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.P. Snoek te Utrecht,

tegen:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.Y. van der Bijl te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de op 3 augustus 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de vrouw pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest, welk huwelijk in 2006 door echtscheiding is ontbonden. Zij hebben samen twee kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , van thans 17 en 14 jaar oud (hierna: de minderjarigen).

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 16 juli 2008 is de door partijen in hun echtscheidingsconvenant overeengekomen door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: de kinderalimentatie) van € 136,- per maand per kind gewijzigd naar € 65,- per maand per kind met ingang van 1 januari 2008 (hierna: de beschikking van 2008).

2.3.

De man heeft de kinderalimentatie in ieder geval vanaf april 2011 niet meer betaald. De vrouw heeft gedurende enkele jaren nadien geen middelen aangewend om de kinderalimentatie bij de man te incasseren.

2.4.

Sinds 2012 heeft de man geprocedeerd over een besluit van het Uwv, inhoudende dat de man geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid ten opzichte van de beoordeling per 31 december 2010. Op grond van die laatste beoordeling is een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% vastgesteld, hetgeen betekende dat voor de man geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan. Het bezwaar van de man tegen voormeld besluit is op 9 april 2013 ongegrond verklaard. Het beroep van de man hiertegen is op 1 oktober 2013 ongegrond verklaard. Namens de man is tegen deze laatstgenoemde uitspraak (hierna: de aangevallen uitspraak) hoger beroep aangetekend.

2.5.

De vrouw is in 2014 tot incassering van de kinderalimentatie overgegaan. De man is vervolgens (in september 2014) een procedure gestart bij deze rechtbank, waarin hij heeft verzocht de kinderalimentatie op nihil te stellen met ingang van 1 oktober 2011. De vrouw heeft in die procedure zelfstandig verzocht om verhoging van de kinderalimentatie. Bij beschikking van deze rechtbank van 8 april 2015 (hierna: de beschikking van 2015) is de kinderalimentatie op nihil gesteld met ingang van 1 januari 2015 en zijn de overige verzoeken over en weer afgewezen. In deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans relevant, het volgende overwogen:

“(…) Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat de man sinds oktober 2011 geen inkomsten heeft, zodat hij kan worden ontvangen in zijn verzoek. (…)

De rechtbank zal de kinderalimentatie wijzigen met ingang van 1 januari 2015, nu partijen het erover eens zijn dat de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van die datum op nihil dient te worden gesteld.

In geschil tussen partijen is dan nog de vraag of de kinderalimentatie over de periode van 1 oktober 2011 tot 1 januari 2015 dient te worden gewijzigd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Het verzoek van de man is ingediend op 4 september 2014. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de man gelegen om eerder een verzoek tot verlaging van de kinderalimentatie in te dienen. Dat de man nog enkele jaren heeft gewacht alvorens hij wijziging van de kinderalimentatie heeft verzocht, dient dan ook voor zijn rekening en risico te blijven. Bovendien is aan de zijde van de man ook nu nog onzeker of hij over de achterliggende jaren (vanaf oktober 2011) alsnog in aanmerking zal komen voor een WIA-uitkering, aangezien de door de man aangespannen procedure bij de Centrale Raad van Beroep thans nog aanhangig is en de man in die procedure nieuw ondersteunend materiaal over zijn medische situatie heeft ingediend, welke materiaal zich ook in de thans voorliggende procedure bij de stukken bevindt.

Voorts is ter terechtzitting gebleken, dat de vrouw tussen oktober 2011 en januari 2015 een periode opnieuw gehuwd is geweest waardoor haar echtgenoot als stiefouder, op grond van artikel 1:395 BW gedurende zijn huwelijk jegens de tot zijn gezin behorende minderjarige kinderen van zijn echtgenoot (i.c. de vrouw) ook onderhoudsplichtig was. De vrouw heeft echter geen financiële gegevens over deze periode aan de rechtbank overgelegd, zodat het voor de rechtbank onmogelijk is om het aandeel van alle onderhoudsplichtigen (partijen en de stiefouder) in de huwelijkse periode te berekenen.

De rechtbank zal derhalve de verzoeken over en weer, voor zover betrekking hebbend op de periode van oktober 2011 tot januari 2015, afwijzen. (…)”

2.6.

De Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) heeft in de procedure als vermeld onder 2.4 in een uitspraak van 28 april 2015 de aangevallen uitspraak bevestigd.

2.7.

De vrouw heeft op 5 juni 2015 de beschikking van 2008 aan de man laten betekenen en aangezegd dat hij aan haar een bedrag aan kinderalimentatie dient te voldoen van € 6.559,-, te weten – volgens de vrouw – de kinderalimentatie over de jaren voorafgaand aan 1 januari 2015, voor zover de vordering niet is verjaard.

2.8.

De man heeft daarna hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 2015.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert – zakelijk weergegeven – de vrouw te veroordelen tot onmiddellijke staking of schorsing van de executie van de beschikking van 2008, in ieder geval totdat er uitspraak is gedaan in het door de man tegen de beschikking van 2015 ingestelde hoger beroep, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Na de beschikking zijn nieuwe feiten opgekomen, te weten de afwijzende uitspraak van de CRvB, waardoor thans niet alleen vaststaat dat de man geen inkomsten heeft gehad over de periode van 1 oktober 2011 tot 1 januari 2015, maar ook dat hij die nimmer meer zal krijgen. Indien de vrouw de beschikking desondanks thans ten uitvoer legt, zal de man zijn woning gedwongen moeten verkopen, hetgeen een noodsituatie oplevert. Het kunnen behouden van deze woning is voor de man, gelet op zijn psychische klachten, en voor de echtgenote van de man, gezien haar lichamelijke beperkingen, namelijk van groot belang. Verkoop van deze woning kan van de man thans dan ook niet worden gevergd, met name niet nu in het hoger beroep tegen de beschikking van 2015 naar alle waarschijnlijkheid, gelet op voormelde uitspraak van de CRvB, wel terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2011 aan de nihilstelling van de kinderalimentatie zal worden verbonden. De tenuitvoerlegging van de beschikking van 2008 is bovendien buitenproportioneel, gelet op het feit dat de vrouw al sinds 2009 een goed inkomen heeft en ook nog een periode gehuwd is geweest met iemand die ook een bijdrage aan de kosten voor de kinderen heeft geleverd dan wel had moeten leveren. De man moet daarentegen samen met zijn huidige echtgenote rondkomen van haar uitkering, die ook nog moet worden aangewend voor de afbetaling van schulden.

3.3.

De vrouw voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

In een executiegeschil zoals het onderhavige heeft als uitgangspunt te gelden dat de vrouw, als executante, in beginsel bevoegd is om de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 2008 ten uitvoer te leggen (in dit geval, gezien de inhoud van de beschikking van 2015, tot 1 januari 2015). De voorzieningenrechter kan de tenuitvoerlegging van een dergelijke beschikking slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executante – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde (de man) die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na deze beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.2.

De enkele mogelijkheid van vernietiging in hoger beroep van de beschikking van 2015, waarvan volgens de man naar alle waarschijnlijkheid sprake zal zijn, is gezien het criterium als onder 3.1 vermeld op zichzelf niet voldoende voor het geven van een voorziening als thans door de man gevorderd. In dit geval is er echter sprake van bijkomende omstandigheden die naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in samenhang bezien, wel voldoende aanleiding geven voor het treffen van een dergelijke voorziening. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3.

De mogelijkheid van vernietiging in hoger beroep is niet enkel gebaseerd op het algemene feit dat aldaar een andersluidend oordeel mogelijk is, maar met name op de omstandigheid dat er sprake is van nieuwe feiten. Deze nieuwe feiten zijn voorts zonder meer relevant voor de beoordeling. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen immers uitdrukkelijk rekening gehouden met het feit dat de man, gezien het op dat moment nog lopende hoger beroep, mogelijk nog voor een WIA-uitkering over de afgelopen jaren in aanmerking zal komen. Thans staat vast dat dit niet het geval zal zijn. De vrouw heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat dat betekent dat de man over verdiencapaciteit beschikte, maar nu vaststaat dat de man gedurende meerdere jaren geen inkomen had en de vrouw gedurende die jaren de kinderalimentatie ook niet heeft geïncasseerd is een vernietiging van de beschikking van 2015 in hoger beroep, in die zin dat de kinderalimentatie met ingang van een eerdere datum op nihil zal worden gesteld, allerminst onaannemelijk te achten. Hier komt nog bij dat bij de rechtbank blijkbaar eerst ter zitting is gebleken dat de vrouw een periode gehuwd is geweest. De rechtbank heeft met de omstandigheid dat er een derde onderhoudsplichtige was bij gebrek aan financiële gegevens geen rekening kunnen houden, maar dit kan bij het Gerechtshof wel aan de orde komen.

4.4.

Als gevolg van de uitkomst van de procedure bij de CRvB krijgt de man voorts niet de beschikking over een bedrag waarmee hij naar de voorzieningenrechter aanneemt de vordering van de vrouw ineens had kunnen voldoen. Onweersproken is gebleven dat de man dientengevolge alleen in staat is om deze vordering te voldoen door middel van verkoop van zijn woning, waar een overwaarde op rust. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een dergelijke ingrijpend en onherstelbaar gevolg op dit moment, gelet op voormeld oordeel over de mogelijke uitkomst van het hoger beroep, niet van de man kan worden gevergd. Daarbij is ook acht geslagen op de onweersproken stellingen van de man over zijn beperkingen en die van zijn echtgenote, waardoor zij er temeer belang bij hebben om in hun woning te blijven wonen, in ieder geval zolang nog niet onherroepelijk vaststaat dat de man de door de vrouw genoemde vordering aan haar dient te voldoen. Aan de zijde van de vrouw heeft te gelden dat zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van haar stellingen dat de man een financiële verantwoordelijkheid heeft ten opzichte van zijn kinderen, dat de vastgestelde bijdrage van € 65,- per maand per kind al niet kostendekkend was, maar dat de afgelopen jaren de kosten van de kinderen volledig op de vrouw – en deels op haar ex-echtgenoot – zijn neergekomen. Anders dan aan de zijde van de man is echter gesteld noch gebleken dat de vrouw op dit moment in financiële nood verkeerd en dat en waarom zij er belang bij heeft om het door haar genoemde bedrag op korte termijn te ontvangen en de uitkomst van de bodemprocedure niet kan afwachten.

4.5.

Het vorenstaande in aanmerking nemende, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw, mede gelet op de belangen van de man die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om – op dit moment – tot tenuitvoerlegging over te gaan. De vordering van de man is dan ook voor toewijzing vatbaar als na te melden.

4.6.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal echter worden gematigd en gemaximeerd. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

4.7.

In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt de vrouw tot onmiddellijke schorsing van de executie van de beschikking van de rechtbank Utrecht van 16 juli 2008 totdat het Gerechtshof Den Haag uitspraak heeft gedaan in het hoger beroep dat de man heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 april 2015, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,- per dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-;

5.2.

bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 4.6 is vermeld;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2015.

ts