Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10581

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
AWB 15 _ 15144u en 15 _ 15150u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:2122, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde besluitvorming (na een eerdere vernietiging) over de overdracht van een gezin uit Syrië aan Italië op grond van de Dublinverordening. De rechtbank is van oordeel dat de handelwijze van verweerder zich niet verdraagt met de doelstelling en het uitgangspunt van de Dublinverordening II, te weten snel duidelijkheid bieden over welke lidstaat verantwoordelijk is. Het gevolg daarvan is dat inmiddels al twintig maanden zijn verstreken sinds de asielaanvragen van eisers. Er kan in redelijkheid niet meer worden volgehouden dat van een onevenredig lange procedure geen sprake zou zijn. Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SEW 2015, afl. 10, p. 475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/15144 en AWB 15/15150

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2015 in de zaak tussen

[naam], eiser

[naam] , eiseres,

mede ten behoeve van hun minderjarige kind [naam], geboren [geboortedatum],

hierna tezamen ook aangeduid als eisers,

(gemachtigde: mr. M. Issa),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. I.D. Vleeshouwers).

Procesverloop

Bij besluiten van 11 augustus 2015 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Zij hebben verder de

voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Die verzoeken zijn

geregistreerd onder de zaaknummers AWB 15/15146 en AWB 15/15153.

Verweerder heeft een verweerschrift met nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2015. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Sharaf. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank zal allereerst een korte (chronologische) weergave van de belangrijkste feiten geven zoals die uit de dossierstukken naar voren komen.

2. Eisers vluchten samen met hun dochtertje vanuit Syrië naar Nederland. Op 13 december 2013 dienen zij aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in. Verweerder stelt zich op grond van de zogenoemde Dublinverordening II (Verordening 343/2003) op het standpunt dat Italië voor de asielaanvragen van eisers verantwoordelijk is. Italië heeft namelijk aan eisers visa verstrekt en eisers zijn via Italië de EU ingereisd. Verweerder stuurt daarom een claimverzoek naar de Italiaanse autoriteiten. Dit verzoek wordt op 6 maart 2014 geaccepteerd. Verweerder wijst de asielaanvragen vervolgens op 14 maart 2014 af op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, zoals dat toen luidde. Eisers stellen tegen die besluiten beroepen in en vragen een voorlopige voorziening. De verzoeken wordt op 18 juni 2014 ter zitting behandeld. Op dat moment is men in afwachting van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland. Ter zitting blijkt dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de verzoeken om een voorlopige voorziening. De verzoeken worden daarom ter zitting toegewezen.

3. Uit het Tarakhel-arrest van het EHRM van 4 november 2014 blijkt vervolgens (kort gezegd) dat in gevallen zoals die van eisers individuele garanties zullen moeten worden gegeven over de opvang in Italië. Eind november 2014 verzoekt verweerder om aanhouding van de beroepen totdat meer duidelijkheid over deze garanties kan worden gegeven. Op 21 januari 2015 vraagt verweerder aan de Italiaanse autoriteiten in welk opvangcentrum eisers na overdracht zullen worden geplaatst. Op diezelfde dag antwoorden de Italiaanse autoriteiten. Eisers zullen worden opgevangen in een geschikte opvanglocatie. Meer specificaties kunnen worden gegeven wanneer (tenminste vijftien dagen van te voren) duidelijkheid is over de overdrachtdatum, aldus de Italiaanse autoriteiten.

4. Op 22 januari 2015 worden de beroepen ter zitting behandeld. Verweerder brengt de gevraagde en inmiddels ontvangen informatie over de individuele garanties voor eisers tijdens die zitting niet ter sprake. Het onderzoek wordt gesloten. De uitspraakdatum wordt verschillende keren uitgesteld, kennelijk om verweerder de gelegenheid te geven alsnog informatie over de vereiste individuele garanties over te leggen. Deze informatie blijft echter uit. Op 22 mei 2015 verklaart de rechtbank de beroepen van eisers gegrond. In haar uitspraak overweegt de rechtbank onder andere het volgende:

18. Nu verweerder de bestreden besluiten heeft genomen zonder dat voornoemde (individuele) garanties door de Italiaanse autoriteiten zijn verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten lijden aan een zorgvuldigheidsgebrek en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn genomen. Op grond hiervan komen deze besluiten voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding het beroep voor een nog langere periode van tijd aan te houden nu verweerder ter zitting geen duidelijkheid heeft kunnen bieden hoe lang de (individuele) garanties in de specifieke gevallen van eisers, als deze er al zouden komen, nog op zich zouden laten wachten. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de procedures van eisers reeds geruime tijd in beslag hebben genomen en dat verdere vertraging, veroorzaakt door onzorgvuldigheid aan de kant van verweerder, niet eisers tot nadeel behoort te strekken in zoverre dat in afwachting van de onderhavige uitspraak de termijn voor overdracht in het kader van Dublinverordening II stilstaat. Tenslotte merkt de rechtbank op dat er sinds het sluiten van het onderzoek ter zitting geen bericht van verweerder is ontvangen dat er inmiddels wel individuele garanties zijn verkregen, terwijl er intussen geruime tijd is verstreken en dat in andere zaken wel is gebeurd.

5. Verweerder heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 22 mei 2015. Ook eisers hebben dit niet gedaan.

6. Op 11 augustus 2015 (de thans bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000, zoals dat geldt sinds 20 juli 2015. Wederom stelt verweerder zich op het standpunt dat Italië op grond van de Dublinverordening II voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers verantwoordelijk is. Over de vraag of er voldoende zekerheid is over een deugdelijke opvang van eisers in Italië, wijst verweerder in de bestreden besluiten op de informatie die bij brief van 21 januari 2015 van de Italiaanse autoriteiten is ontvangen.

7. Kort voor de zitting (op 24 augustus 2015, om 17.10 uur) heeft verweerder nog een verweerschrift ingediend. Hierbij overlegt hij twee stukken: een brief van de Italiaanse autoriteiten van 8 juni 2015 over de opvang van gezinnen en rapport (“The SPRAR System”) van 13 juli 2015, waaruit volgens verweerder blijkt dat twee opvanglocaties zijn bezocht en geschikt zijn bevonden. Op grond van de informatie uit deze stukken blijkt volgens verweerder dat zal worden voldaan aan de uitgangspunten van het Tarakhel-arrest.

8. Eisers zijn het met de bestreden besluiten oneens. Kort samengevat voeren zij aan dat de procedure, door onzorgvuldig handelen van verweerder, onevenredig lang duurt waardoor verweerder thans gehouden is de asielaanvragen zelf te behandelen. Daarbij wijzen eisers erop dat verweerder de informatie van 21 januari 2015 al in de vorige beroepsprocedure had moeten overleggen. Het is in strijd met het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel die informatie nu te gebruiken om de aanvragen wederom op grond van de Dublinverordening II af te wijzen. Verder vinden eisers dat de garanties die nu worden gegeven onvoldoende concreet zijn en niet voldoen aan de maatstaf gegeven in het Tarakhel-arrest. Er wordt onvoldoende rekening gehouden met de belangen van het kind en met de gezondheidstoestand van eiser en zijn dochter, die beiden besmet zijn met het TBC-virus.

9. De rechtbank overweegt allereerst dat de Dublinverordening II nog steeds op de besluitvorming van toepassing is, omdat de aanvragen dateren van vóór 1 januari 2014. Voorts overweegt de rechtbank dat, anders dan partijen hebben betoogd, de overdrachttermijn op grond van artikel 19, derde lid, van de Dublinverordening II pas eindigt zes maanden vanaf de beslissing op het beroep van 22 mei 2015. Deze termijn is dus nog niet verstreken en dreigt ook niet op zeer korte termijn te verstrijken.

10. De rechtbank overweegt verder het volgende.

11. De doelstelling van de Dublinverordening II is het geven van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten is ingediend. Uitgangspunt in de verordening is dat snel moet kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de vele (fatale) termijnen die in de Dublinverordening II worden gegeven. Hieruit volgt dat verweerder, indien hij van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, voortvarend te werk moet gaan, ook als de Dublinverordening II daar in een specifiek geval geen termijn voor geeft. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 november 2013 inzake Kaveh Puid (C-4/11). Hierin herhaalde het Hof dat de staat waar de asielzoeker zich bevindt erop moet toezien dat hij “een situatie waarin de grondrechten van de asielzoeker worden geschonden, niet erger maakt door de procedure waarin de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald onevenredig lang te laten duren”.

12. Met genoemde doelstelling en uitgangspunt van de Dublinverordening II verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder in een beroepsprocedure cruciale informatie niet inbrengt, terwijl daar maanden lang de gelegenheid voor heeft bestaan. Een dergelijke handelwijze, ook als dit onopzettelijk gebeurt, is bovendien in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en fair play-beginsel. Terecht hebben eisers erop gewezen dat verweerder hoger beroep had kunnen instellen om de brief van de Italiaanse autoriteiten van 21 januari 2015 alsnog te overleggen. De rechtbank passeert het standpunt van verweerder dat dit onmogelijk zou zijn geweest, omdat “de Afdeling geen nieuwe stukken accepteert”. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat in hoger beroep, binnen de grenzen van de goede procesorde, nieuwe stukken worden ingediend ter onderbouwing van een reeds eerder ingenomen standpunt in een besluit. Ook de gang van zaken na het ongebruikt verstrijken van de hoger beroepstermijn verdraagt zich naar het oordeel van rechtbank niet met de doelstelling van de Dublinverordening II om snel duidelijkheid te geven. Zo heeft verweerder na de uitspraken van 22 mei 2015 tot 11 augustus 2015 gewacht met het opnieuw nemen van besluiten, waarbij hij zich in die nieuwe besluiten dan ook nog eens baseert op de bewuste brief van de Italiaanse autoriteiten van 21 januari 2015, die eerder overgelegd had kunnen en moeten worden. Verder wijst de rechtbank op het feit dat verweerder zich vervolgens bij verweerschrift van 24 augustus 2015 nog beroept op informatie die al geruime tijd (namelijk vanaf 8 juni en 13 juli 2015) bij hem bekend was. De rechtbank is van oordeel dat de handelwijze van verweerder zoals hiervoor besproken zich niet verdraagt met de doelstelling en het uitgangspunt van de Dublinverordening II.

Het gevolg daarvan is dat inmiddels, ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting, al twintig maanden zijn verstreken sinds de asielaanvragen van eisers. Het extra tijdsverloop is op geen enkel moment door eisers zelf veroorzaakt, maar is hoofdzakelijk te wijten aan verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval in redelijkheid niet meer worden volgehouden dat van een onevenredig lange procedure geen sprake zou zijn.

13. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid en genomen. De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten zullen vanwege strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op de aanvragen van eisers moeten beslissen. Gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen en in aanmerking genomen dat de besluiten op de aanvragen nu voor de tweede keer worden vernietigd, zal verweerder in zijn nieuw te nemen besluiten de aanvragen niet meer kunnen afdoen op basis van de Dublinverordening II, maar zal hij de aanvragen met voortvarendheid inhoudelijk moeten beoordelen.

14. De overige beroepsgronden van eisers behoeven gezien het vorenstaande geen bespreking meer.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het gezamenlijke beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2015.

w.g. E.M.J. Clermonts,

griffier

w.g. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 september 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.