Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10580

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
AWB 15/11959
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pakistan / aanslag / vermoeden dat deel uitmaakt van de gebeurtenissen die volgens het relaas hebben plaatsgevonden / volledig en ex nunc onderzoek / integrale geloofwaardigheidsbeoordeling / voordeel van de twijfel

De toetsing van de rechtbank omvat het in artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000 bedoelde volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden met inbegrip van indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming. Dit betekent niet dat de rechter het onderzoek naar de vraag of de vreemdeling internationale bescherming behoeft zelfstandig helemaal overdoet, los van het onderzoek dat al is verricht door de beslissingsautoriteit (het bestuursorgaan) die zijn beoordeling heeft neergelegd in het bestreden besluit. Uitgangspunt blijft dat de rechter het besluit van het bestuursorgaan toetst en in beginsel niet zijn oordeel daarvoor in de plaats stelt, zij het dat de rechterlijke toetsing indringender is dan voorheen op aspecten waar het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid heeft, zoals de geloofwaardigheidsbeoordeling. Indien het onderzoek van het bestuursorgaan niet volledig is geweest, waardoor het besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en/of niet deugdelijk is gemotiveerd, ligt vernietiging van het bestreden besluit het meest in de rede, nu de rechter veelal onvoldoende in staat is om een dergelijk onderzoek op dezelfde wijze te verrichten als het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan beschikt doorgaans over meer specifieke kennis, meer onderzoeksmiddelen, vergelijkingsmateriaal en tijd dan de rechter, Niettemin kan niet worden uitgesloten dat de rechter een zelfstandig onderzoek doet in die gevallen waar het bestuursorgaan in gebreke is gebleven om zodoende te verzekeren dat de vreemdeling een daadwerkelijk rechtsmiddel heeft zoals bedoeld in artikel 46, derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU. Ook de wetgever ziet die ruimte, althans in die gevallen waar een zelfstandig onderzoek door de rechter beperkt is (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 34 088, nr. 6, p. 29-30).

Ofschoon de rechtbank vraagtekens plaats bij de verklaring van eiser over wanneer, op welke wijze en door wie aangifte is gedaan van de aanslag, omdat die verklaringen steeds wijzigen en sommige ervan niet sporen met de stukken die eiser heeft overgelegd, gaat de rechtbank er in het navolgend ervan uit dat de aanslag en de aangifte inderdaad hebben plaatsgevonden, nu dit tussen partijen niet in geschil is en de onjuistheid van dit uitgangspunt niet is gebleken.

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanslag geen aanknopingspunten heeft met één van de vervolgingsronden in het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom eiser niet is gevolgd in zijn vermoeden – als onderdeel van zijn asielrelaas – dat de aanslag op hem verband hield met één of meer van de door hem naar voren gebrachte omstandigheden die hem persoonlijk betreffen, zijnde dat hij agnost is, met een Ahmadi is gehuwd, dat hij hoog opgeleid is en een hoge maatschappelijke positie heeft. Verweerder dient nader te motiveren waarom eiser, in samenhang met de wel geloofwaardig geachte relevante elementen en hetgeen verweerder over de situatie in Pakistan uit ander bronnen bekend is, op dit punt niet het voordeel van de twijfel wordt gegund.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000, geldigheid: 2015-09-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/11959

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2015 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1974 en van Pakistaanse nationaliteit, eiser,

(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.R. Toussaint).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen. Daarbij is tevens ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

Tegen dit besluit heeft eiser op 18 juni 2015 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 augustus 2015, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt ambtshalve dat op 20 juli 2015 de Wet van 8 juli 2015 tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de herziene Procedure- en Opvangrichtlijn (de Richtlijnen 2013/32/EU en 2013/33/EU) in werking is getreden (Staatsblad 2015, 292 en 293). Ingevolge het in die wetswijziging opgenomen overgangsrecht is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 waarop is besloten voor inwerkingtreding van deze wet het recht zoals dit gold voor inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000, tenzij het onderzoek door de rechtbank is gesloten. Artikel 83a van de Vw 2000 heeft derhalve met ingang van 20 juli 2015 onmiddellijke werking, behalve als het onderzoek voor die datum is gesloten.

2. Nu het bestreden besluit dateert van vóór 20 juli 2015, is het recht zoals dit gold voor inwerkintreding van de wijziging van de Vw 2000 van toepassing, met uitzondering van artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000 omdat de sluiting van het onderzoek in deze zaak heeft plaatsgevonden na 19 juli 2015. De toetsing van de rechtbank omvat dus al wel het in artikel 83a (nieuw) van de Vw 2000 bedoelde volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming. Dit betekent niet dat de rechter het onderzoek naar de vraag of de vreemdeling internationale bescherming behoeft zelfstandig helemaal overdoet, los van het onderzoek dat al is verricht door de beslissingsautoriteit (het bestuursorgaan) die zijn beoordeling heeft neergelegd in het bestreden besluit. Uitgangspunt blijft dat de rechter het besluit van het bestuursorgaan toetst en in beginsel niet zijn oordeel daarvan in de plaats stelt, zij het dat de rechterlijke toetsing indringender is dan voorheen op aspecten waar het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid heeft, zoals de geloofwaardigheidsbeoordeling. Indien het onderzoek van het bestuursorgaan niet volledig is geweest, waardoor het besluit niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en/of niet deugdelijk is gemotiveerd, ligt vernietiging van het bestreden besluit het meest in de rede, nu de rechter veelal onvoldoende in staat is om een dergelijk onderzoek op dezelfde wijze te verrichten als het bestuursorgaan. Het bestuur beschikt doorgaans over meer specifieke kennis, meer onderzoeksmiddelen, vergelijkingsmateriaal en tijd dan de rechter. Niettemin kan niet worden uitgesloten dat de rechter een zelfstandig onderzoek doet in die gevallen waar het bestuursorgaan in gebreke is gebleven om zodoende te verzekeren dat de vreemdeling een daadwerkelijk rechtsmiddel heeft zoals bedoeld in artikel 46, derde lid, van Richtlijn 2013/32/EU. Ook de wetgever ziet die ruimte, althans in die gevallen waar een zelfstandig onderzoek door de rechter beperkt is (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 34 088, nr. 6, p. 29-30).

3. Eiser heeft blijkens het nader gehoor en de aanvullingen en correcties ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en behoort tot de Punjabi bevolkingsgroep. Eiser komt uit een welgestelde familie en is agnost. De laatste jaren deed hij promotieonderzoek En gaf hij gaf les in internationale betrekkingen en politieke wetenschappen. In 2013 heeft eiser in verband met zijn doctoraalstudie een visum aangevraagd en verkregen bij het Nederlandse consulaat te [plaatsnaam] . Dit visum was geldig van 3 november 2013 tot en met 16 februari 2014. Eiser is op 17 november 2013 vanuit [plaatsnaam] naar Nederland gevlogen en is op 8 december 2013 teruggevlogen. Op 10 december 2013 is eiser Pakistan weer ingereisd. Op 5 december 2008 is hij te [plaatsnaam] getrouwd met een vrouw die Ahmadi is. De Ahmadi’s zijn een religieuze minderheid in Pakistan. Op 3 november 2013 is een vriend van eiser, [persoon 1] , die in dezelfde wijk als eiser woonde, op straat vermoord. Deze man had twee agenten ter bescherming. Eiser werd door zijn familie en vrienden gewaarschuwd dat hij in het openbaar niet moest spreken over zijn religieuze gedachten. Op 12 december 2013 had eiser het gevoel dat hij op straat door iemand werd gevolgd. Eiser kreeg angst en besloot te verhuizen. Op 19 december 2013 zijn eiser en zijn vrouw vertrokken uit hun oude woning. Ze zijn verhuisd naar een andere wijk in [plaatsnaam] .

Op 6 januari 2014 ging eiser naar zijn vorige woning om spullen op te halen. Toen hij vlak bij zijn oude woning was, werd er een aanslag op hem gepleegd door vier mensen op twee motoren; zijn naam werd geroepen en er werd op hem geschoten toen hij wegrende. Eiser wist aan zijn belagers te ontkomen door van de ene naar de andere steeg te rennen. Hij heeft vervolgens de bus naar de woning van zijn moeder genomen. Daar in de buurt woont ook de zwager van eiser, die politieofficier is. Eiser heeft bij zijn moeder zijn zwager gebeld en is naar hem toe gegaan. Eiser was bang om de politie in te schakelen, mede omdat bekend is dat bij de politie informanten werken die aan extremistische groeperingen informatie lekken. Eiser heeft niet zelf aangifte gedaan. Zijn zwager is een hoge politieofficier die zijn aangifte heeft opgenomen en het dossier vervolgens bij de politie heeft laten opstarten.

Eiser weet niet door wie, of in wiens opdracht, de aanslag is gepleegd . Hij weet wel dat veel kennissen van hem die hoog opgeleid zijn en/of rijk zijn worden doodgeschoten door criminelen of mensen die behoren tot een fanatieke religieuze beweging. Een groep religieuze fanaten probeert geleerde mensen uit te roeien, omdat zij onderzoeken waarom fanaten zoveel steun krijgen in de Pakistaanse maatschappij. Eiser heeft ook gehoord dat militairen terroristen gebruiken om religieuzen of mensen van een sekte te laten vermoorden, maar hij had niets te maken met een sekte en hij was niet religieus of politiek actief. Het laatste jaar werd eiser twee of drie keer bedreigd op zijn mobiele telefoon via een afgeschermd nummer. Eiser werd gewaarschuwd dat hij zijn manier van denken en zijn gedrag moest veranderen. Hem werd niet verteld wie ze waren of wat de consequenties zouden zijn. Eiser heeft na de aanslag twee of drie dagen ondergedoken gezeten in het huis van zijn moeder. Daarna is eiser teruggekeerd naar zijn woning. Op 13 januari 2014 heeft eiser gebruikgemaakt van zijn visum en is naar Duitsland (Frankfurt) gevlogen. Voor zijn vertrek heeft eiser met zijn jongste broer in Duitsland gebeld, die had hem had gezegd naar hem te komen. Op 20 januari 2014 heeft eiser in Duitsland asiel aangevraagd. Nederland heeft het asielverzoek van Duitsland overgenomen. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Pakistan wordt gedood door de mensen die het op hem gemunt hebben.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 3.35, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000). Bij die afwijzing heeft verweerder de zogeheten integrale geloofwaardigheidsbeoordeling toegepast.

5. Met de invoering van het gewijzigd onderdeel C1/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) per 1 januari 2015 is de toets van de positieve overtuigingskracht komen te vervallen en is de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling ingevoerd. Blijkens werkinstructie 2014/10 stelt verweerder in het kader van die beoordeling in de eerste plaats de relevante elementen van het asielrelaas vast. Een relevant element is een feit of omstandigheid dat raakt aan tenminste één onderwerp of verhaallijn die in verband staat met vluchtelingschap dan wel artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierna beoordeelt verweerder de geloofwaardigheid per relevant element, waarbij de samenhang tussen de verschillende relevante elementen niet uit het oog wordt verloren en waarbij een weging wordt gemaakt aan de hand van verschillende (interne en externe) geloofwaardigheidsindicatoren. Vervolgens wordt aan het eind van die weging een conclusie getrokken welke relevante elementen als geloofwaardig worden aangenomen en welke elementen als ongeloofwaardig worden aangemerkt. Ook hierbij is van belang dat daarbij de relevante elementen niet enkel los van elkaar, maar ook in onderlinge samenhang worden gewogen. Daarna is het aan verweerder om samenvattend aan te geven welke relevante elementen worden doorgetoetst op zwaarwegendheid, of in het geval alle relevante elementen ongeloofwaardig zijn, dat er geen verdere toets plaatsvindt. Voor zover een of meer relevante elementen geloofwaardig zijn bevonden, behelst het sluitstuk van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling dus een toetsing aan de zwaarwegendheid. In dat verband wordt aan de hand van de geloofwaardige relevante elementen beoordeeld of de daaraan ontleende vermoedens (de vrees) over wat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land te wachten staat, aannemelijk zijn (is). Bij deze beoordeling van de aannemelijkheid van de vermoedens wordt het realiteitsgehalte van de aan de geloofwaardige elementen ontleende vermoedens beoordeeld.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het relaas van eiser de volgende relevante elementen bevat:

  • -

    Eiser is geboren op [geboortedatum] 1974 in Pakistan in [geboorteplaats] , hij is agnosticus, zijn vrouw Ahmadi, hij is hoog opgeleid en hij heeft een hoge maatschappelijke positie.

  • -

    Op 6 januari 2014 kwam eiser in de steeg bij zijn oude woning. Er waren mensen op een motor in de steeg en zij schoten op hem. Hij heeft aangifte gedaan via zijn zwager die officier is bij de politie (overigens kan volgens eiser het eerstgenoemde, allemaal aanleiding zijn geweest voor deze gebeurtenis);

  • -

    Eiser is telefonisch bedreigd.

7. Verweerder gaat uit van de identiteit en nationaliteit van eiser doordat hij zijn echt bevonden paspoort heeft overgelegd. Ook ten aanzien van het feit dat eiser hoog is opgeleid heeft hij veel documenten overgelegd. Deze hoge opleiding en de verklaring van eiser dat hij tevens een hoge maatschappelijke positie heeft, wordt eveneens door verweerder geloofwaardig geacht. Ook het feit dat hij aangeeft dat zijn vrouw Ahmadi is, wordt geloofwaardig geacht nu eiser ter onderbouwing daarvan haar geboorteakte heeft overgelegd waarop dit staat vermeld. Verweerder geeft derhalve op grond van artikel 3.35, derde lid, VV 2000 aan eiser het voordeel van de twijfel ten aanzien van zijn verklaring dat hij een agnost is. Verweerder heeft voorts in aanmerking genomen dat eiser ter onderbouwing van zijn relaas een originele voorlopige aangifte politie, een originele gestempelde kopie van definitieve aangifte politie, en een originele kopie van een proces-verbaal van onderzoek ter plaatse heeft overgelegd. Verweerder heeft om die reden tevens geloofwaardig geacht dat eiser op 6 januari 2014 in een steeg bij zijn woning is beschoten door mensen op een motor en dat hij van deze aanslag via zijn zwager, die officier is bij de politie, aangifte heeft gedaan. Verweerder heeft de telefonische bedreigingen niet geloofwaardig geacht, omdat eiser deze eerst in de aanvullingen en correcties op het rapport van nader gehoor naar voren heeft gebracht.

8. Verweerder acht verder geloofwaardig dat sprake is geweest van een op eiser gerichte aanslag, nu ze daarbij zijn naam hebben genoemd. Daarom is het aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst opnieuw doelwit zou kunnen worden van een aanslag. Op grond daarvan acht verweerder de vrees voor wat eiser bij terugkeer zou kunnen meemaken aannemelijk. Eiser wordt evenwel niet aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag, omdat verweerder niet aannemelijk acht dat eiser gevaar loopt vanwege zijn geloof, etnische afkomst of nationaliteit. Verder is niet gebleken dat hij problemen heeft ondervonden vanwege het behoren tot een sociale groep. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij in het verleden mensen irriteerde omdat hij vaak tegen religie sprak, maar verweerder acht enkel het irriteren van mensen onvoldoende zwaarwegend om te vrezen voor vluchtelingrechtelijke vervolging. Met betrekking tot de aanslag concludeert verweerder dat eiser impliceert dat mensen hem willen doodschieten omdat hij hoogopgeleid en maatschappelijk actief is, maar dat heeft eiser niet aannemelijk gemaakt, aldus verweerder. Eiser weet niet van welke zijde hij problemen heeft ondervonden en waarom. Het is slechts een aanname van eiser dat de aanslag te maken heeft met groepen religieuze fanaten die onder meer geleerde mensen proberen uit te roeien. Dat eiser heeft verklaard dat hij zich wel eens heeft uitgelaten over religie en dat hij heeft gehoord dat hij daarmee wel eens mensen heeft geïrriteerd, acht verweerder onvoldoende om ervanuit te gaan dat de aanslag religieus gemotiveerd is. Eiser heeft geen individuele feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat het incident te maken heeft met verdragsgerelateerde gronden, in casu religieus geweld. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser nooit eerder een dergelijk incident heeft meegemaakt. Eiser heeft verder nooit persoonlijke problemen ondervonden omdat hij agnost is. Het feit dat zijn vrouw Ahmadi is heeft voor eiser nooit problemen opgeleverd, buiten het feit dat zijn familie er eerst boos over was en later niet meer.

9. Ten aanzien van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt verweerder zich, voor zover van belang, op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser ooit persoonlijke problemen heeft ondervonden omdat hij agnost is, zijn vrouw Ahmadi is en/of omdat hij hoog is opgeleid. Verweerder ziet in de aanslag op 6 januari 2014 evenmin aanleiding om ten aanzien van eiser tot schending van artikel 3 van het EVRM te concluderen, nu eiser tegen deze problemen de bescherming van de Pakistaanse autoriteiten kan inroepen, zoals ook blijkt uit eisers eigen verklaringen. Niet is gebleken dat de autoriteiten deze bescherming niet kunnen of willen bieden. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat dat daadwerkelijk onderzoek is gedaan. Eiser is in het bezit gekomen van zijn politiedossier. Eiser heeft meerdere maken aan de politie gevraagd of er al arrestaties zijn verricht of dat er andere ontwikkelingen waren. Hij kreeg steeds te horen dat er geen nieuws was. Zijn zwager, die bij de politie werkt, zou het hem vertellen mochten er ontwikkelingen zijn. Bovendien werkt ook een ander familielid van eiser bij de politie. Het enkele feit dat er geen aanwijzingen zijn gevonden of arrestaties zijn verricht, leidt verweerder niet tot de conclusie dat er in Pakistan geen mogelijkheden zijn om bescherming te vragen en de situatie te verbeteren. Volgens verweerder valt dan ook niet in te zien waarom van eiser niet kan worden verwacht bescherming te vragen aan de overheid. De enkele omstandigheid dat de Pakistaanse staat in veel gevallen niet in staat is bescherming te bieden, betekent niet dat dit in het geval van eiser niet kan, nu er volgens eisers eigen verklaringen voor hem daadwerkelijk de mogelijkheid was om twee bodyguards toegewezen te krijgen, zijn familie bij de politie werkt en er daadwerkelijk onderzoeken zijn opgestart. Het enkele feit dat eiser hiervan geen gebruik heeft gemaakt omdat hij in de veronderstelling verkeert dat de dan geboden bescherming niet voldoende zou zijn omdat de organisatie die mensen doodt zo groot is, doet daar niet aan af.

De beroepsgronden

10. Eiser merkt op dat de wijze waarop verweerder de verschillende relevante elementen uiteenzet hem niet juist voorkomt. Enerzijds omdat de verdeling hem willekeurig voorkomt, anderzijds omdat er naar zijn mening meer relevante afwegingen mogelijk zouden zijn geweest. Zo lijkt hem dat het tweede element, de aanslag en de aangifte bijvoorbeeld, minstens twee of drie verschillende elementen zou moeten zijn.

11. Eiser is het er niet mee eens dat verweerder de telefonische bedreigingen niet aannemelijk acht, omdat hij daar eerst in de aanvullingen en correcties melding van heeft gemaakt. Hij merkt op dat telefonische bedreigingen in Pakistan dermate vaak voorkomen dat mensen dit in zijn algemeenheid niet serieus nemen. Mede omdat eiser op dat moment nog niet lijfelijk was aangevallen, zag hij de bedreigingen niet als een ‘persoonlijk probleem’.

12. Eiser meent dat de centrale afwijzingsgrond met betrekking tot vluchtelingschap lijkt te zitten in de overweging van verweerder dat niet aannemelijk is gemaakt wat de reden voor de aanslag op hem was en dat daarom ook niet is gebleken dat er een reden is om te vrezen voor vervolging op één van de gronden uit het Vluchtelingenverdrag. Eiser wijst erop dat verweerder wel aannemelijk acht dat hij bij terugkeer in een zelfde situatie zou kunnen komen als wat hem eerder is overkomen en dat zijn vrees voor wat hij bij terugkeer zou kunnen meemaken aannemelijk is. Eiser begrijpt niet dat het logisch is te veronderstellen dat hij bij terugkeer wederom slachtoffer zal worden van een aanslag op zijn leven, maar dat verweerder tegelijkertijd meent dat er geen reden is om aan te nemen dat één van de vervolgingsgronden hieraan ten grondslag ligt. Dit ondanks dat bekend is dat personen zoals hij veel risico lopen op aanslagen door religieuze terroristen. In beroep heeft eiser nog aanvullende informatie ingebracht. Zijn echtgenote heeft op 26 januari en 20 mei 2015 bij de politie een verzoekschrift ingediend om op de hoogte te komen van de laatste stand van zaken in het onderzoek naar de aanslag en de vermoedelijke motieven van de daders. In reactie op dit verzoek heeft de politie op 30 juni 2015 schriftelijk laten weten dat er nog steeds geen verdachten zijn aangehouden. De zaak wordt als een ‘blindzaak’ beschouwd. De politie laat verder weten dat het onderzoeksteam tot de conclusie is gekomen dat er in Pakistan sprake is van terreurdaden waarachter verschillende religieuze, ideologische, etnische, sektarische en politieke motieven zitten. Volgens de politie kan achter de aanval op eiser een politiek, religieus dan wel ideologisch motief zitten. Zij vermoedt dat sprake is van een ‘target killing’.

13. Eiser is voorts van mening dat de wijze van beoordeling door verweerder niet in lijn is met de Definitierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU). Artikel 4, derde lid, van de Definitierichtlijn bepaalt dat bij de beoordeling van een verzoek rekening moet worden gehouden met relevante landeninformatie en de door verzoeker afgelegde verklaringen en overgelegde documenten, waaronder informatie dat de asielzoeker eerder vervolgd is of vervolgd zou kunnen worden. Eiser acht artikel 4, vierde lid, van de Definitierichtlijn zeer relevant omdat daarin is bepaald dat eerdere vervolging een duidelijke aanwijzing is dat iemand gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op het lijden van ernstige schade. Volgens eiser is ontegenzeggelijk sprake geweest van een eerdere vervolging gezien de gepleegde aanslag. Het lijkt eiser, aangezien verweerder de persoonlijke achtergrond en de gerichte aanval op zijn leven geloofwaardig acht, in combinatie met hetgeen uit algemene bron bekend is over de kwetsbaarheid van mensen zoals hij, dat verweerder in redelijkheid niet kan tegenwerpen dat het niet zeker is wat de reden is voor de vervolging. Eiser meent dat verweerder hem het voordeel van de twijfel had moeten geven. Het is algemeen bekend dat in Pakistan islamitische terroristen actief zijn die in toenemende mate andersdenkenden gericht aanvallen. Eiser behoort naar zijn mening tot meerdere groepen die in Pakistan voor hun leven hebben te vrezen. Allereerst omdat hij agnost is en als afvallige wordt beschouwd. Daarnaast het feit dat hij is getrouwd met een Ahmadi vrouw en verder het punt dat hij zich regelmatig kritisch heeft uitgelaten over het moslimgeloof.

14. Eiser merkt voorts op dat verweerder Ahmadi in zijn beleid aanmerkt als kwetsbare minderheidsgroep, waarvan niet wordt verwacht dat zij bescherming kunnen krijgen. Eiser is getrouwd met een Ahmadi en zelf openlijk afvallig en zou op één hoop kunnen worden gegooid met de Ahmadi. Verder merkt eiser op dat het gaat om de vraag of hij effectieve bescherming kan krijgen. Eiser wijst in dit verband op artikel 7 van de Definitierichtlijn en de paragrafen 97-100 van het UNHCR Handbook. Volgens eiser is duidelijk dat in Pakistan geen effectieve bescherming kan worden verkregen. Dat staat op meerdere plaatsen in het ambtsbericht omschreven. Zo wijst eiser op pagina 13 waarin wordt gesproken over discriminatie van en bedreigingen en geweld tegen religieuze minderheden waar de Pakistaanse autoriteiten over het algemeen niet in staat waren om hiertegen bescherming te bieden. Op pagina 16 van het ambtsbericht staat dat de overheid voornamelijk via politie en justitie toezicht houdt op de naleving van mensenrechten in Pakistan en dat politie en Justitie echter zeer ineffectief zijn.

15. Ter zitting heeft eiser uiteengezet dat toetsing die door verweerder is verricht, in strijd is met zijn eigen beleid inzake de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals neergelegd in werkinstructie 2014/10.

Beoordeling

16. De vraag of verweerder de door eiser gestelde telefonische dreigtelefoontjes ongeloofwaardig kon achten, is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant, nu eiser in een zelf opgestelde verklaring heeft aangegeven dat deze anonieme dreigtelefoontjes niet in verband staan met de aanslag die voor hem de directe aanleiding is geweest om het land van herkomst te verlaten.

17. Ofschoon de rechtbank – ook nadat eiser hierover is bevraagd ter zitting – vraagtekens plaatst bij de verklaringen van eiser over wanneer, op welke wijze en door wie aangifte is gedaan van de aanslag, omdat die verklaringen steeds wijzigen en sommige ervan niet sporen met de stukken die eiser heeft overgelegd, gaat de rechtbank in het navolgende ervan uit dat de aanslag en de aangifte inderdaad hebben plaatsgevonden, nu dit tussen partijen niet in geschil is en de onjuistheid van dit uitgangspunt niet is gebleken. Gelet op het bestreden besluit en hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd, spitst het geschil zich toe op de vraag of het incident van 6 januari 2014 is te relateren aan één van de in het Vluchtelingenverdrag genoemde vervolgingsgronden en de vraag of eiser effectieve bescherming kan krijgen van de Pakistaanse autoriteiten.

18. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 11 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AS8539) volgt dat, als een vreemdeling niet in staat is zijn relaas met bewijsmateriaal te staven, hij ter onderbouwing van de geloofwaardigheid daarvan veelal slechts kan terugvallen op eigen vermoedens en door hem weergegeven verklaringen van derden, welke derden veelal niet als objectieve bron kunnen worden aangemerkt. Het is vervolgens aan verweerder om het realiteitsgehalte van de door een vreemdeling geuite vermoedens en verklaringen te beoordelen in het licht van hetgeen deze overigens heeft verklaard en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbare situatie.

19. Eiser heeft veel van zijn verklaringen onderbouwd met stukken, zodat verweerder geloofwaardig acht dat de aanslag van 6 januari 2014 op eiser persoonlijk gericht was. Verweerder gelooft dat eiser sinds 1998 agnost is, dat hij met een Ahmadi is getrouwd, en dat hij hoog opgeleid is en een hoge maatschappelijke positie heeft. Verweerder heeft niet betwist dat, zoals eiser stelt, de intelligentsia in Pakistan risico loopt slachtoffer te worden religieus gemotiveerd geweld. Verder heeft verweerder zich niet uitgelaten over de geloofwaardigheid van de verklaring van eiser dat zijn vriend, [persoon 1] , op

3 november 2013 ondanks bescherming van twee agenten op straat is vermoord, dat eiser door vrienden werd gewaarschuwd dat hij zijn gedachten niet in het openbaar moest uitspreken en dat eiser in december 2013 het idee had dat hij op straat werd achtervolgd. Indien uitgegaan moet worden van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over zijn vriend, betekent dit dat iemand uit eisers maatschappelijke groep (hoogopgeleiden) en directe omgeving is vermoord. Verweerder heeft voorts niet bestreden dat veel hoogopgeleiden en andersdenkenden Pakistan het doelwit zijn van de fanatieke religieuze beweging, zoals eiser heeft verklaard (onder meer nader gehoor pagina 8 onderaan).

20. Bovendien is verweerder bekend met de inhoud van het thematisch ambtsbericht over de positie van Ahmadi’s en Christenen in Pakistan van november 2014 (hierna: het ambtsbericht). Hieruit blijkt dat de politieke situatie in Pakistan de afgelopen jaren weinig stabiel was en mede werd gekenmerkt door voortdurend terroristisch en sektarisch geweld. Volgens het ambtsbericht heeft Pakistan te maken met islamitisch fundamentalisme en terrorisme en is de afgelopen jaren de invloed van extremistische religieuze groeperingen toegenomen. Hierdoor is ook de omvang van het sektarisch geweld verder toegenomen en het aantal terroristische (zelfmoord) aanslagen sterk gestegen (pagina 7). Voorts blijkt dat in Pakistan verschillende radicale religieuze groeperingen actief zijn die door middel van het plegen van terroristische aanslagen proberen hun doelen te bereiken. Sommige van deze groeperingen zijn betrokken bij sektarisch geweld, vooral gericht tegen sjiieten (bijvoorbeeld hazara’s) maar ook tegen gematigde soennieten (waaronder barelvi’s en soefi’s), Ahmadi’s, christenen, hindoes en sikhs. Andere groeperingen richten zich hoofdzakelijk op het plegen van aanslagen op burgers en vertegenwoordigers en symbolen van de Pakistaanse staat en van westerse landen. Een duidelijk onderscheid tussen sektarisch geweld enerzijds en terrorisme anderzijds is niet te maken, aldus het ambtsbericht (pagina 9).

21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanslag op eiser geen aanknopingspunten heeft met één van de vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom eiser niet is gevolgd in zijn vermoeden – als onderdeel van zijn asielrelaas – dat de aanslag op hem verband hield met één of meer van de door hem naar voren gebrachte omstandigheden die hem persoonlijk betreffen, zijnde dat hij agnost is, met een Ahmadi is gehuwd, dat hij hoog opgeleid is en een hoge maatschappelijke positie heeft. De enkele overweging van verweerder dat niet is gebleken dat eiser in verband daarmee eerder problemen heeft ondervonden, is daartoe onvoldoende. Verweerder dient nader te motiveren waarom eiser, in samenhang met de wel geloofwaardig geachte relevante elementen en hetgeen verweerder over de situatie in Pakistan uit andere bronnen bekend is, op dit punt niet het voordeel van de twijfel wordt gegund. Te meer nu verweerder wel aannemelijk acht dat sprake is geweest van een op eiser gerichte actie en hij aannemelijk acht dat eiser bij terugkeer naar Pakistan een zelfde aanslag zou kunnen meemaken. Onduidelijk is waarom verweerder uit de gepleegde aanslag wel afleidt dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst wederom slachtoffer zou kunnen worden van een op zijn persoon gerichte aanslag, maar eiser niet volgt in de reden of redenen waarvan eiser vermoedt dat die aan die aanslag ten grondslag zouden kunnen hebben gelegen.

22. Gegeven deze beoordeling zal verweerder zich in het nieuw te nemen besluit op de aanvraag wellicht opnieuw dienen uit te laten over de vraag of eiser van de Pakistaanse overheid voldoende bescherming kan krijgen. De rechtbank is van oordeel dat de motivering die verweerder in het bestreden besluit op dat punt heeft gegeven eveneens tekort schiet. De rechtbank overweegt daartoe dat, hoewel uit eisers verklaringen en de door hem overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de Pakistaanse autoriteiten in zijn geval bereid zijn om onderzoek te doen naar de aanslag en mogelijk bereid zijn om hem te laten beschermen door twee bodyguards, verweerder die mate van bescherming die voor eiser mogelijk lijkt zoveel als mogelijk zal moeten afzetten tegen de reden(en) waarom en door wie een aanslag op eiser is gepleegd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder ter zitting (nog) niet kon aangeven of hij de mate van bescherming voldoende zou hebben geacht als de aanslag op eiser verband zou houden met één van de gronden genoemd in het Vluchtelingenverdrag. Aldus zal verweerder zich moeten uitlaten over de effectiviteit van die bescherming in het licht van het risico op herhaling. Verweerder zal daarbij de stukken en de schriftelijke verklaring moeten betrekken die eiser heeft ingebracht met betrekking tot andere Pakistaanse burgers, zoals zakenlieden en hoogleraren, die zijn gedood, terwijl sommigen van hen politiebescherming hadden (bijlage 1 bij de zienswijze van 17 april 2015).

23. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigd het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van een – aanvullend – beroepschrift; 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 490.-; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, vastgesteld op € 980.-.

Aldus gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. A.A.M.J. Smulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

3 september 2015.

griffier rechter

Afschriften verzonden:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.