Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10565

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
09/096082-14, t.t.g. 09/777104-15
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal, mishandeling, heling en afpersing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers 09/096082-14 en 09/777226-14 en 09/777104-15 (ttz.gev.)

Datum uitspraak: 3 september 2015

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ,

thans preventief gedetineerd in [X] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen met gesloten deuren van 12 maart 2015, 28 mei 2015 en 20 augustus 2015. Op 12 maart 2015 en 28 mei 2015 vonden pro-forma zittingen plaats ter zake parketnummers 09/777226-14 (op beide data) en 09/096082-14 (op 28 mei 2015). Op 20 augustus 2015 zijn de drie strafzaken inhoudelijk behandeld, gelijktijdig met een (aangehouden) verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. H. Yilmaz-Altindag, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding met parketnummer 09/096082-14 (dagvaarding I)

hij op of omstreeks 01 maart 2014 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2 milkshakes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Dagvaarding met parketnummer 09/777104-15 (dagvaarding II)

hij op of omstreeks 09 juli 2014 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een ipad en.of een laptop en/of een gouden ring en/of een blok tabak en/of 20 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- duwen als gevolg waarvan die [aangever 2] op de grond terecht kwam en/of naar de grond brengen van die [aangever 2] en/of (vervolgens)

- zitten op die [aangever 2] en/of (vervolgens)

- het vasthouden van het hoofd van die [aangever 2] en/of (vervolgens)

- een hand leggen op de mond van die [aangever 2] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Dagvaarding met parketnummer 09/777226-14 (dagvaarding III)

1.

hij op of omstreeks 22 september 2014 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 3] en/of [aangever 4] heeft gedwongen tot de afgifte van in

totaal 10 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het zeggen dat die [aangever 3] en/of [aangever 4] ieder 5 euro moesten betalen, anders zouden zij in elkaar worden geslagen en/of anders zouden zij helemaal dood gemaakt worden;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 21 september 2014 te Alphen aan den Rijn opzettelijk een persoon (te weten [aangever 6] ), (meermalen) heeft getrapt in de knieholte en/of heeft gestompt en/of geslagen in/tegen het gezicht en/of met zijn hoofd tegen een muur heeft geduwd en/of bij de keel heeft gepakt en/of de keel heeft dichtgeknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 15 juli 2014 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (Iphone) en/of een sleutelbos, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het trappen in de rug van die [aangever 7] (waardoor die [aangever 7] in een sloot viel) en/of duwen van die [aangever 7] in een sloot;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 juli 2014 tot en met 1 augustus 2014 te Alphen aan den Rijn, een telefoon (merk Iphone) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die telefoon wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

hij op tijdstippen in de periode van 15 juli tot en met 12 augustus 2014 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 7] heeft gedwongen

tot de afgifte van een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 150 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het zeggen tegen die [aangever 7] dat hij geslagen zou worden als hij geen geld zou geven en/of zeggen dat hij doodgestoken zou worden als hij niet zou betalen;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 29 september 2014 te Alphen aan den Rijn opzettelijk een persoon (te weten [aangever 8] ), (meermalen) heeft gestompt en/of geslagen in het gezicht en/of heeft geslagen met een riem tegen het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 29 september 2014 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aansteker, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 9] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 9] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit bestond(en) uit het tegen een muur zetten van die [aangever 9] en/of het fouilleren van die [aangever 9] en/of doorzoeken van de zakken die

[aangever 9] en/of het geven van een klap in het gezicht van die [aangever 9] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 24 december 2014 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft

weggenomen een grote hoeveelheid sigaretten / rookwaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 10] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 10] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- bij de nek vastpakken en het naar beneden duwen van het hoofd van die [aangever 10] , waardoor zij op de grond terecht is gekomen en/of (vervolgens)

- vast houden van het hoofd van die [aangever 10] en tegen haar zeggen dat zij haar kop moest houden en/of

- die [aangever 10] meermalen slaan en/of schoppen tegen haar hoofd en/of

- tegen die [aangever 10] zeggen 'ik kil je', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3. Overwegingen1

3.1

Inleiding

De rechtbank dient – kort samengevat – te beoordelen of de verdachte in de periode van 1 maart 2014 tot en met 24 december 2014 in Alphen aan den Rijn dan wel Bodegraven een winkeldiefstal, vier diefstallen met geweld (in vereniging), twee afpersingen in vereniging (dan wel een heling) en twee mishandelingen heeft gepleegd. Deze feiten zijn ten laste gelegd bij drie afzonderlijke dagvaardingen, te weten de dagvaardingen met parketnummers 09/096082-14 (een feit), 09/777104-15 (een feit) en 09/777226-14 (zeven feiten) (hierna verder te noemen: dagvaarding I, II en III).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dient te achten dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten en de bij dagvaarding III onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 t/m 7 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Ten aanzien van het bij dagvaarding III onder 3 primair ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken, nu er volgens haar onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling van de verdachte voor dit feit te komen. Verder heeft de officier van justitie ter zake van het bij dagvaarding III onder 7 ten laste gelegde feit betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat tegen het hoofd is geschopt van aangeefster [aangever 10] , zodat de verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken dient te worden.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem bij dagvaarding II ten laste gelegde feit en van de bij dagvaarding III onder 1, 2, 3 primair en 4 t/m 7 ten laste gelegde feiten, vanwege – kort samengevat  het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Indien en voor zover door de raadsvrouw uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zijn ingenomen zullen deze hierna, voor zover relevant, worden besproken.

Ten aanzien van het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit en het bij dagvaarding III onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlasteleggingen

Dagvaarding I

3.4.1

Feit 1: Winkeldiefstal [aangever]

Aan de orde is de vraag of de verdachte zich op 1 maart 2014 in Alphen aan den Rijn schuldig heeft gemaakt aan een diefstal van twee milkshakes van supermarkt [aangever] .

Op grond van de aangifte die is gedaan door/namens supermarkt [aangever]2, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte]3 en de bekennende verklaring van de verdachte bij de politie4 en ter terechtzitting5, is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat de verdachte op 1 maart 2014 in Alphen aan den Rijn twee milkshakes heeft gestolen van [aangever] .

Dit betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit heeft begaan.

Dagvaarding II

3.4.2

Feit 1: Overval woning Weerdestein 18 Alphen aan den Rijn

De rechtbank dient te beoordelen of de verdachte op 9 juli 2014 in Alphen aan den Rijn samen met anderen M. van den Brandt (hierna: aangeefster) in haar woning aan [adres 2] heeft overvallen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder uit de verklaring van aangeefster en de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), leidt de rechtbank het volgende af.

Op 9 juli 2014 omstreeks 00.20 uur zijn (in ieder geval) drie personen de woning van aangeefster aan [adres 2] in Alphen aan den Rijn binnengedrongen. Een van hen ging als eerste naar binnen en bracht aangeefster naar de grond. Hij ging daarbij min of meer bovenop haar zitten, hield haar hoofd aan beide kanten vast, legde zijn hand op haar mond en zei dat ze stil moest zijn. De anderen liepen de kamer in en/of gingen naar boven. Ongeveer tien minuten later gingen ze weer weg. De mannen hebben een witte iPad, een zwarte Acer laptop, een blok tabak en 20 euro (uit de portemonnee van aangeefster) weggenomen. Ook was er een gouden ring weggenomen.6

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij samen met de verdachte, [medeverdachte 3] en een jongen genaamd [X] het plan had opgevat aangeefster te overvallen. Daarbij heeft de verdachte op enig moment de leiding genomen en werd er een taakverdeling afgesproken. [X] zou de vrouw vasthouden en zorgen dat ze niets kon doen en [medeverdachte 3] , de verdachte en hijzelf zouden het huis doorzoeken. In de nacht van 9 juli 2014 klopte verdachte, [medeverdachte 3] of [X] op de deur van de woning en [X] ging als eerste naar binnen. [medeverdachte 2] ging als laatste naar binnen en hij zag de vrouw liggen op de grond. [medeverdachte 3] had tabak, de verdachte een laptop en een iPad en hijzelf had 20 euro weggenomen.7

Volgens [medeverdachte 3] waren ze op een dag met [medeverdachte 2] , de verdachte en [X] samen toen [medeverdachte 2] opeens met een verhaal kwam dat [A] de code wist van een kastje aan de buitenmuur van een woning van een vrouw. Ze hebben toen met z’n vieren een plan gemaakt om te kijken hoe ze naar binnen zouden gaan. Het plan was eerst om via de code het huis binnen te komen. Toen dat mislukte was het de verdachte, die een nieuw plan maakte. Verdachte bepaalde wie wat ging doen. Hij zei dat [X] ging aankloppen en dat [X] de vrouw, als ze de deur open deed, op de grond zou leggen en vast zou houden. Dit gebeurde en hij, [medeverdachte 2] en de verdachte renden de woning in. De verdachte had een laptop en een iPad gevonden, hijzelf een pot tabak en filter sigaretten en [medeverdachte 2] had 25 euro weggenomen. Op enig moment zei de verdachte dat het klaar was en toen gingen ze weg. Volgens [medeverdachte 3] hebben ze de tabak met z’n allen opgerookt en is het geld van de iPad onder hen vieren verdeeld. Verdachte probeerde de laptop uit, maar deze deed het niet en toen brak de verdachte hem in tweeën en gooide hem weg.8

De verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen, althans heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de woningoverval. Door de raadsvrouw is betoogd dat de verklaringen van aangeefster en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op details tegenstrijdig zijn en daarom niet kunnen dienen voor het bewijs.

De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. De verklaring van aangeefster wordt in grote lijnen ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Het gegeven dat de verklaringen op enkele details van elkaar verschillen, bijvoorbeeld of er werd aangeklopt of aangebeld en hoeveel daders er waren, drie of vier, maakt naar het oordeel van de rechtbank de verklaringen niet minder geloofwaardig noch onbetrouwbaar. Het is immers goed mogelijk dat aangeefster, die na het opendoen van de deur door [X] meteen naar de grond is gewerkt, niet heeft kunnen zien dat er nog een vierde dader ( [medeverdachte 2] ) haar woning is binnengegaan. De rechtbank heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. De verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn consistent en komen op belangrijke punten met elkaar overeen. Daarnaast belasten beiden zichzelf, waarmee de rechtbank evenmin reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen. De verklaringen zijn zodoende bruikbaar voor het bewijs.

Op grond van genoemde bewijsmiddelen is komen vast te staan dat bij de verdachte en zijn mededaders sprake is geweest van een gezamenlijk plan tot het overvallen van de woning van aangeefster. Aan dit plan is vervolgens door hen ook gezamenlijk uitvoering gegeven, waarna de buit onder hen is verdeeld.

De rechtbank acht op grond hiervan wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan.

Dagvaarding III

3.4.3

Feit 1: Afpersing [aangever 3] en [aangever 4]

Ten aanzien van de vraag of de verdachte op 22 september 2014 in Alphen aan den Rijn samen met anderen [aangever 3] (hierna: [aangever 3] ) en [aangever 4] (hierna: [aangever 4] ) heeft afgeperst overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van [aangever 3] en [aangever 4] (hierna ook: aangevers) kan worden afgeleid dat zij op genoemde dag en plaats ieder vijf euro hebben betaald, kennelijk als vergoeding voor een taser die in beslag was genomen door de politie. Beiden verklaren voorts dat zij dit geld aan een voor hen onbekende jongen, naar later blijkt [B] , hebben betaald. De verklaring van [B] klopt op dit punt niet met de verklaring van aangevers. De betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit volgt uitsluitend uit de verklaring van [B] , welke verklaring niet wordt ondersteund door de overige verklaringen uit het dossier. De rechtbank ziet aldus in de verklaringen onvoldoende bewijs dat de verdachte wezenlijk heeft bijgedragen aan de afpersing van aangevers en is van oordeel dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van die afpersing.

Dit betekent dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van het bij dagvaarding III onder 1 ten laste gelegde feit.

3.4.4

Feit 2: Mishandeling [aangever 6]

Aan de orde is de vraag of de verdachte zich op 21 september 2014 in Alphen aan den Rijn schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [aangever 6] (hierna: aangever).

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de aangifte9, de aanvullende verklaring van aangever10 en de verklaringen van getuigen [getuige]11 (hierna: [getuige] ) en [B]12 (hierna: [B] ), komen vast te staan dat de verdachte aangever op 21 september 2014 in het [X] heeft mishandeld en dat [getuige] en [B] dit hebben gezien en gehoord.

Volgens de aangever was hij met [getuige] en later de verdachte en [B] op 21 september 2014 bij de Shelter in het [X] in Alphen aan den Rijn. begon de verdachte tegen aangever over een meisje genaamd [C] (de vriendin van [B] ) en vroeg hem of hij daar contact mee had gehad. Hierop zei aangever dat hij nergens van af wist. De verdachte sloeg aangever toen met zijn rechtervuist. Daarna trapte hij hem hard in zijn knieholte. Hierna moest aangever meelopen naar achter de shelter. [getuige] probeerde er tussen te komen, maar de verdachte zei dat hij ook zijn botten zou breken als hij niet weg zou gaan. Achter de shelter sloeg de verdachte meermalen met zijn vlakke hand tegen het gezicht van aangever en ook duwde/sloeg hij een aantal malen het hoofd van aangever tegen de achterwand van de shelter. Volgens aangever deed dit pijn. Ook pakte de verdachte aangever bij zijn keel en kneep hij zijn keel dicht. Dit duurde twee seconden. Aangever voelde dat hij geen lucht kreeg, sloeg op de armen van de verdachte en kon daarna wegkomen. Door de mishandeling heeft aangever blauwe plekken en een blauwe wang.

[getuige] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte aangever verschillende keren in zijn gezicht heeft geslagen en hard heeft getrapt in zijn knieholte en dat hij de aangever bij zijn keel heeft gegrepen. Hij heeft de aangever horen kreunen van de pijn. [getuige] heeft geprobeerd tussen beide te komen, maar is weggelopen toen de verdachte dreigde zijn hand in stukken te zullen breken.

[B] heeft verklaard dat de verdachte een reden zocht om ruzie te zoeken met de aangever. Ook hij heeft gezien dat de aangever meerdere malen hard werd geschopt en geslagen door de verdachte en dat hij heeft gezien dat de aangever tranen in zijn ogen had.

De verdachte heeft het feit ontkend en de vader van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte op genoemde dag ziek thuis was.

De rechtbank overweegt dat op basis van de hiervoor genoemde verklaringen en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de verdachte op 21 september 2014 de hele dag ziek thuis was.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het bij dagvaarding III onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.4.5

Feiten 3 en 4: diefstal met geweld/heling en afpersing [aangever 7]

3.4.5.1 Feit 3: diefstal met geweld of heling telefoon

Beoordeeld dient te worden of de verdachte zich op 15 juli 2014 in Alphen aan den Rijn (samen met anderen) schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld van een telefoon en/of een sleutelbos van [aangever 7] (hierna: aangever) (onder feit 3 primair ten laste gelegd), dan wel of de verdachte in de periode van 15 juli 2014 tot en met 1 augustus 2014 die telefoon heeft geheeld (onder feit 3 subsidiair ten laste gelegd).

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Op 15 juli 2014 was aangever samen met [A] (hierna: [A] ) in het [X] in Alphen aan den Rijn. [A] vroeg aan aangever of hij mocht bellen met zijn telefoon. Hierop gaf aangever zijn telefoon, een witte iPhone, aan aangever. Nadat hij zijn telefoon had gegeven zei [A] dat aangever de telefoon niet meer terug kreeg. Even later haalde [A] de telefoon uit zijn broekzak en gaf deze aan de verdachte. De verdachte reed vervolgens met de telefoon van aangever op een scooter weg.13

Enkele dagen hierna belde de verdachte aan bij het huis van [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) omdat hij [medeverdachte 3] op kwam halen. Hierbij zag de moeder van [medeverdachte 3] dat de telefoon van de verdachte ging en dat dit een witte iPhone was met een grote barst. Gevraagd naar wat de verdachte met de telefoon van aangever moest (moeder had op 14 juli 2014 gezien dat aangever zijn witte iPhone liet vallen en dat er een grote barst in zat) zei de verdachte eerst dat de telefoon van hem was. Toen de moeder van [medeverdachte 3] zei dat dat niet waar was zei de verdachte dat aangever hem nog geld verschuldigd was.14

Volgens [A] was de verdachte nadat wat er in het [X] was gebeurd in het bezit van de telefoon van aangever. Hij heeft de telefoon van aangever op 10 september 2014 nog bij de verdachte thuis gezien.15 Ook [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij weet dat de verdachte de witte iPhone van aangever gebruikt.16

De verdachte heeft verklaard dat hij er niet bij was in het [X] en dat de aangever en de medeverdachten liegen.

De rechtbank is van oordeel dat in het dossier onvoldoende bewijs aanwezig is om tot de conclusie te komen dat de verdachte op 15 juli 2014 een telefoon en/of sleutelbos van aangever heeft weggenomen. Op basis van voormelde aangifte en verklaringen staat wel vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling van de telefoon van aangever, nu hij deze in de ten laste gelegde periode in zijn bezit heeft gehad, terwijl hij wist dat deze van aangever was en van misdrijf afkomstig was. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de verdachte van het bij dagvaarding III onder drie primair ten laste gelegde feit zal vrijspreken en hem voor het bij dagvaarding III onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit zal veroordelen.

3.4.5.2 Feit 4: afpersing [aangever 7]

Ten aanzien van de vraag of de verdachte samen met anderen aangever in de periode 15 juli tot en met 12 augustus 2014 in Alphen aan den Rijn heeft afgeperst overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verklaring van aangever blijkt dat de verdachte in de periode van 15 juli tot 12 augustus 2014 samen met [A] en [medeverdachte 3] meermalen bij het huis van aangever in Alphen aan den Rijn is geweest om geld te vragen. Ze bedreigden hem daarbij met de dood. Vooral de verdachte deed het woord. Hij zei dan dingen als: “geef 200 euro, anders steek ik je dood”. In genoemde periode heeft aangever de jongens ongeveer 150 euro betaald.17

[A] en [medeverdachte 3] zijn als verdachten gehoord en hebben het volgende verklaard. Volgens [A] kwamen anderen aan de deur bij aangever om geld te eisen, heeft [medeverdachte 3] meerdere keren geld gekregen van aangever en was de verdachte daarbij. [A] is zelf ook een keer samen met de verdachte bij aangever aan de deur geweest en de verdachte vroeg meerdere keren om geld.18 [medeverdachte 3] heeft verklaard dat aangever de jongen is die wordt afgeperst. De eerste keer vroeg de verdachte 300 euro aan aangever en als hij dit niet zou geven dan zou hij klappen krijgen.19

Uit het dossier blijkt verder dat de verdachte op 12 augustus 2014 aan de deur is geweest bij aangever, omdat hij nog geld zou krijgen van aangever. Zo heeft de moeder van aangever de verdachte op die datum aan haar deur gezien en zei de verdachte dat hij nog 850 euro kreeg van aangever. Ook heeft de moeder van aangever opgemerkt dat zij de laatste tijd geld miste uit haar portemonnee.20

Volgens de verdachte is hij op 12 augustus 2014 (met zijn vader) aan de deur geweest bij aangever, omdat hij nog geld van hem kreeg, maar heeft hij aangever niet afgeperst. Hij is ook een keer alleen aan de deur geweest.21

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank in het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om tot het oordeel te komen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode en daarna samen met anderen meerdere keren bij het huis van aangever in Alphen aan den Rijn is langs gegaan om hem te vragen om geld, waarbij (door hem) ook is gedreigd met slaan en doodsteken als aangever dat geld niet zou betalen.

Voorts vloeit uit de genoemde bewijsmiddelen voort dat bij de verdachte en zijn mededaders een zodanig bewuste en nauwe samenwerking bestond die was gericht op de afpersing in vereniging van aangever, dat de verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van die afpersing.

De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van aangever dat hij (tenminste) een bedrag van 150 euro heeft betaald aan genoemde jongens aangezien dit steun vindt in de verklaring van [A] dat [medeverdachte 3] meerdere keren geld had gekregen van aangever en dat de verdachte daarbij was, en in de verklaring van de moeder van aangever dat zij de laatste tijd geld uit haar portemonnee miste.

De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding III onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.4.6

Feit 5: Mishandeling [aangever 8]

Aan de orde is de vraag of de verdachte op 29 september 2014 in Alphen aan den Rijn [aangever 8] (hierna: aangever) heeft mishandeld.

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier een verklaring bevindt van aangever dat hij op 29 september 2014 in het [X] in Alphen aan den Rijn onder de blauwe overkapping een jongen en een meisje zag zitten. Hij scheen daarop met een lampje in hun richting. De jongen  naar later bleek de verdachte  was daar niet van gediend en vloog hem bijna direct aan en ging met hem vechten. Hij kreeg gelijk een paar klappen van de verdachte. De verdachte bleef agressief en hij wilde vijf euro hebben omdat zijn sokken vies waren. Aangever gaf hem dit niet en daarom werd de verdachte nog kwader en ging hem opnieuw te lijf. Hij wilde de politie bellen, maar de verdachte belette dat. De verdachte belde daarop zijn vader en die kwam samen met zijn broer ter plekke. Van de broer kreeg aangever direct ook een paar klappen. Ook was hij door de verdachte geslagen met een riem. Door de klappen van de verdachte had hij veel pijn (vooral op zijn hoofd) en een blauw oog.22

Verder bevindt zich in het dossier een verklaring van [B] (hierna: [B] ). [B] heeft verklaard dat op de bewuste avond een jongen bij de shelter aankwam en dat deze jongen met een lampje in de richting van de verdachte scheen. De verdachte vond dit niet leuk en hij zag dat de verdachte de jongen vijf keer met zijn riem sloeg. De jongen wilde er vandoor gaan, maar de verdachte ging achter de jongen aan en sloeg hem heel vaak met zijn vuist. Hij gaf hem wel twintig slagen, de meeste op zijn gezicht. Hij hoorde dat de verdachte wilde dat de jongen vijf euro zou betalen omdat zijn sokken vies waren geworden. Omdat die jongen die vijf euro niet betaalde werd hij helemaal in elkaar geslagen. De jongen wilde de politie bellen, maar de verdachte zorgde ervoor dat hij dat niet deed. Hij hoorde dat de jongen [aangever 8] heet. De verdachte had zelf zijn vader gebeld, die daarop kwam en de verdachte meenam. Ook was de broer van de verdachte meegekomen. Toen de broer van de verdachte [aangever 8] een paar stompen gaf deed de vader van verdachte niets. Het klopt niet dat [aangever 8] de verdachte heeft mishandeld. Die [aangever 8] heeft zich alleen verdedigd.23

Volgens de vriendin van de verdachte, [D] , kwam er een jongen in de shelter. Deze jongen scheen met een lampje en de verdachte werd boos, hij was chagrijnig. De verdachte zei tegen de jongen niet doen en gaf hem een duw. Verder heeft zij niets gezien.

Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat alleen het gevecht is gebeurd en dat hij niet met een riem had geslagen. Ter terechtzitting verklaarde de verdachte dat hij in de shelter op een bankje zat met zijn vriendin op zijn schoot, dat die jongen met een lampje in hun richting had geschenen24, hem aangevallen had en dat hij zich toen slechts heeft verdedigd.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van genoemde aangifte, de verklaring van aangever, de verklaring van [B] , alsmede de verklaring van [D] en de verdachte zelf dat hij op 29 september 2014 in het [X] aanwezig was en met de aangever heeft gevochten, voldoende is komen vast te staan dat de verdachte aangever heeft mishandeld doordat hij hem meermalen in zijn gezicht heeft geslagen/gestompt en met een riem tegen zijn lichaam heeft geslagen.

Uit genoemde verklaringen kan voorts worden afgeleid dat de aanleiding voor de mishandeling was dat aangever met een lampje in de richting van de verdachte en zijn vriendin scheen en dat de verdachte aangever toen een duw heeft gegeven. Gelet hierop vindt de rechtbank niet aannemelijk dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijk wederrechtelijke aanval van aangever, zodat een eventueel ter terechtzitting door de verdachte gedaan beroep op noodweer (exces) faalt.

Het verweer van de raadsvrouw dat sprake is van gekunstelde en ongeloofwaardige verklaringen acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Dit verweer slaagt derhalve niet.

Het voorgaande houdt in dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het bij dagvaarding III onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.4.7

Feit 6: Diefstal met geweld [aangever 9]

Op grond van de aangifte van [aangever 9]25 (hierna: [aangever 9] ), de verklaring van [B]26 en de verklaring van de verdachte bij de politie27 en ter terechtzitting28, acht de rechtbank voorts wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 29 september 2014 in Alphen aan den Rijn met geweld spullen van [aangever 9] heeft gestolen, doordat hij hem tegen de muur heeft gezet, heeft gefouilleerd, zijn zakken heeft doorzocht, en een aansteker van hem heeft weggenomen.

Dat het volgens de verdachte een grapje was en dat hij de spullen inclusief aansteker na enige tijd (volgens [aangever 9] na tien minuten) weer heeft teruggegeven, maakt dit niet anders, nu hij zich in die periode als heer en meester over de aansteker heeft gedragen en de keuze heeft kunnen maken om die aansteker terug te geven of niet.

De rechtbank acht de verdachte dan ook schuldig aan het bij dagvaarding III onder 6 ten laste gelegde feit.

3.4.8

Feit 7: Overval [aangever 10]

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, meer in het bijzonder uit de aangifte van [aangever 10]29 (hierna: aangeefster) en de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 3]30 en [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] )31 en [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), leidt de rechtbank het volgende af.

Op 24 december 2014 omstreeks 07.20 uur heeft de verdachte samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de [aangever 10] in Bodegraven overvallen. Deze overval hadden zij van te voren met elkaar gepland. Zo was onder andere de plaats delict voor-verkend en waren er big shopper tassen gekocht om de buit in te vervoeren. Voorafgaand aan de overval hadden de verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] een duidelijke taakverdeling afgesproken. De verdachte zou de eigenaresse van de tabakswinkel (aangeefster) vastpakken en in bedwang houden en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zouden de sigaretten (en eventueel geld) pakken. Bij de overval is door hen aan deze taakverdeling uitvoering gegeven. Daarbij heeft verdachte aangeefster bij haar nek vastgepakt en naar beneden geduwd, waardoor zij op de grond terecht kwam. Aangeefster begon hierop te gillen, waarop verdachte tegen haar zei dat ze haar kop moest houden en haar klappen gaf op haar (achter)hoofd. Ook zei verdachte tegen aangeefster "ik kil je". Intussen stopten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de sigaretten in de bigshopper tassen. Nadat de big shopper tassen waren gevuld zijn ze met z’n drieën de winkel uit gevlucht. Bij de overval is een grote hoeveelheid sigaretten (en aanstekers) buit gemaakt. Deze buit is na de overval ergens in de bosjes verstopt en verdachten hebben zich daarbij omgekleed. Later op de dag heeft [medeverdachte 4] (samen met de verdachte ) de verstopte big shopper tassen met de buit opgehaald, waarna de buit onder de verdachte, [medeverdachte 4] en (via [A] ) [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] is verdeeld.

Dat de verdachte op het tijdstip van de overval thuis was en lag te slapen, zoals door hem en zijn vader, moeder en broer is verklaard, acht de rechtbank niet aannemelijk. Zo blijkt uit het dossier dat een verbalisant in burger omstreeks 08.00 uur op het treinstation in Bodegraven aangesproken werd door een jongen (die vroeg of de trein naar Alphen ging), welke jongen hij later herkende als de verdachte.32 Voorts is de verdachte op de bewuste dag omstreeks 08.36 uur samen met [medeverdachte 3] door de politie gecontroleerd op het treinstation in Alphen aan den Rijn. De verdachte verklaarde daarbij dat hij uit Bodegraven kwam, tijdelijk uit zijn jeugddetentie was geschorst en dat hij bij vrienden was geweest.33 Daarnaast verklaren twee medeverdachte over de aanwezigheid van de verdachte op het station in Alphen aan den Rijn. De rechtbank heeft aldus geen twijfel dat de verdachte op de dag van de overval, na het plegen van de overval, met de trein vanuit Bodegraven naar Alphen aan den Rijn is gereisd. Dit betekent dat hij die ochtend niet rond 08.00 uur thuis geweest kan zijn. De rechtbank acht de verklaringen van de verdachte en zijn familie op dit punt dan ook onbetrouwbaar en zal deze als ongeloofwaardig terzijde schuiven.

Dit betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het bij dagvaarding III onder 7 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht aldus ten aanzien van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

Dagvaarding met parketnummer 09/096082-14 (dagvaarding I)

hij op 1 maart 2014 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2 milkshakes, toebehorende aan [aangever] .

Dagvaarding met parketnummer 09/777104-15 (dagvaarding II)

hij op 9 juli 2014 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een iPad en een laptop en een gouden ring en een blok tabak en 20 euro, toebehorende aan [aangever 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het

- duwen als gevolg waarvan die [aangever 2] op de grond terecht kwam en naar de grond brengen van die [aangever 2] en

- zitten op die [aangever 2] en

- het vasthouden van het hoofd van die [aangever 2] en

- een hand leggen op de mond van die [aangever 2] .

Dagvaarding met parketnummer 09/777226-14 (dagvaarding III)

2.

hij op 21 september 2014 te Alphen aan den Rijn opzettelijk een persoon, te weten [aangever 6] , (meermalen) heeft getrapt in de knieholte en heeft gestompt en geslagen in/tegen het gezicht en met zijn hoofd tegen een muur heeft geduwd en bij de keel heeft gepakt en de keel heeft dichtgeknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

3. subsidiair

hij in de periode van 15 juli 2014 tot en met 12 augustus 2014 te Alphen aan den Rijn, een telefoon (merk iPhone) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die telefoon wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

4.

hij in de periode van 15 juli tot en met 1 augustus 2014 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 7] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (in totaal ongeveer 150 euro), toebehorende aan [aangever 7] , welke bedreiging met geweld bestond uit het zeggen tegen die [aangever 7] dat hij geslagen zou worden als hij geen geld zou geven en zeggen dat hij doodgestoken zou worden als hij niet zou betalen.

5.

hij op 29 september 2014 te Alphen aan den Rijn opzettelijk een persoon, te weten [aangever 8] , meermalen heeft gestompt en geslagen in het gezicht en heeft geslagen met een riem tegen het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

6.

hij op 29 september 2014 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aansteker, toebehorende aan [aangever 9] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [aangever 9] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld bestond uit het tegen een muur zetten van die [aangever 9] en het fouilleren van die [aangever 9] en doorzoeken van de zakken van die [aangever 9] .

7.

hij op 24 december 2014 te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid sigaretten / rookwaar, toebehorende aan [aangever 10] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 10] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het:

- bij de nek vastpakken en het naar beneden duwen van het hoofd van die [aangever 10] , waardoor zij op de grond terecht is gekomen en

- vast houden van het hoofd van die [aangever 10] en tegen haar zeggen dat zij haar kop moest houden en

- die [aangever 10] meermalen slaan tegen haar hoofd en

- tegen die [aangever 10] zeggen 'ik kil je'.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de bij dagvaarding I, II en III onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 t/m 7 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 273 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte, in geval van strafoplegging, geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel dient te worden opgelegd. De raadsvrouw heeft betoogd dat deze maatregel een ultimum remedium is. Slechts indien er geen enkele twijfel over kan bestaan dat onvoorwaardelijke oplegging van de PIJ-maatregel de ontwikkeling van de verdachte op de meest gunstige wijze zal bevorderen, terwijl er geen minder ingrijpende alternatieven bestaan om die ontwikkeling te bevorderen, mag men tot oplegging van de maatregel overgaan.

Zij heeft de rechtbank verzocht het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) te volgen en aan de verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van tien maanden schuldig gemaakt aan acht ernstige strafbare feiten, veelal met een gewelddadig karakter. Zo heeft hij twee keer samen met anderen op brute wijze oudere (kwetsbare) vrouwen in hun winkel respectievelijk woning overvallen en van hen goederen weggenomen. Ook heeft hij op zeer intimiderende en soms vernederende wijze buurt-/schoolgenoten mishandeld, samen met anderen een van hen afgeperst en op gewelddadige wijze spullen van anderen afgepakt. Verder heeft de verdachte een winkeldiefstal begaan.

Door aldus te handelen heeft de verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en eigendommen van anderen. Met zijn handelswijze heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers.
Uit de ter terechtzitting voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring van [aangever 10] d.d. 7 mei 2015 is onder andere gebleken dat zij door de overval op haar winkel zeer angstig en wantrouwend is geworden. Zij heeft enige tijd niet alleen in haar huis durven te verblijven en heeft zich genoodzaakt gevoeld de openingstijden van haar winkel aan te passen, waardoor zij nu een minder hoge omzet heeft.

Het is daarbij een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van geweldsdelicten daarvan nog gedurende lange tijd de (psychisch) nadelige effecten kunnen ondervinden. Daarnaast worden door dergelijke ernstige feiten de algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot.
De rechtbank rekent dit alles de verdachte ernstig aan.

Uit een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 augustus 2015 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport betreffende het psychologisch onderzoek d.d. 5 januari 2015 van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte verbaal op zwakbegaafd niveau en performaal op gemiddeld niveau functioneert en dat bij hem sprake is van een ziekelijke stoornis in de geestvermogens, in de zin van een oppositioneel opstandige gedragsstoornis. Deze stoornis leidt er toe dat de verdachte zich sneller aangevallen voelt, vaker in ruzies belandt en de schuld van eigen fouten of wangedrag bij anderen neerlegt. Een behandeling gericht op het omgaan met vermeende uitdagingen en de eigen emotieregulatie acht de psycholoog daarom wenselijk, maar nu zowel de verdachte als de ouders de problematiek van de verdachte niet erkennen, acht de psycholoog dit niet haalbaar.

Uit de rapporten van het psychologisch onderzoek d.d. 1 april 2015 door dr. [Y] (klinisch psycholoog) en het psychiatrisch onderzoek d.d. 2 april 2015 door drs. [Z] (kinder- en jeugdpsychiater) komt naar voren dat de verdachte zich arrogant gedraagt, uiterst zelfbepalend is en een houding heeft die weinig passend is bij zijn jeugdige leeftijd. De verdachte, gesteund door met name zijn vader, ontkent problemen en wijt deze aan de buitenwereld. Er is geen probleembesef bij hem en de verdachte leert door de houding van zijn vader (en moeder) geen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag. Nu de verdachte niet, althans beperkt heeft meegewerkt aan genoemde onderzoeken hebben de psycholoog en de psychiater een plaatsing op de observatie afdeling van [A] geadviseerd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport d.d. 11 augustus 2015, van [A] (GZ-psycholoog) en [B] (psychiater), waaruit blijkt dat de verdachte op 29 mei 2015 voor de duur van zeven weken ter klinische observatie is opgenomen op de observatieafdeling van [A] (hierna: [A] rapport). De verdachte heeft (beperkt) aan het onderzoek meegewerkt.

Uit het rapport komt  kort samengevat  naar voren dat de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een gedragsstoornis beginnend in de kinderleeftijd en dat er vermoedens zijn van een leerstoornis. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met narcistische en antisociale trekken. Het vermoeden bestaat dat dit ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten ook zo was. Nu de verdachte niet heeft willen praten over zijn betrokkenheid/aandeel in de ten laste gelegde feiten kan deze conclusie echter niet getrokken worden. Dit betekent dat genoemde rapporteurs geen uitspraak kunnen doen over de vraag of de ten laste gelegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Een en ander betekent ook dat de rapporteurs het risico op nieuwe agressieve incidenten (recidive) hoog inschatten.

De rapporteurs vinden behandeling van verdachte in een gesloten setting noodzakelijk, maar kunnen geen eenduidige uitspraak doen, zeker op het eerder mislukken van ambulante behandeling en begeleiding. Behandeling in een ambulant traject, bijvoorbeeld binnen een gedragsbeïnvloedende maatregel of middels elektronisch toezicht wordt ontoereikend geacht, omdat er geen sprake is van enig ziekte-inzicht bij verdachte, noch bij zijn ouders, vooral vanwege de zeer afwerende houding die zij allen hebben ten aanzien van hulpverlening. Voor de rapporteurs is duidelijk dat behandeling nu nodig is en dat bij een vertraagde inzet van behandeling het voor de verdachte te laat kan zijn. Zij kunnen echter geen uitspraak doen over de vraag of dat in een strafrechtelijk of in een civiel kader moet gebeuren. De rapporteurs geven daarbij aan dat weliswaar een gesloten plaatsing in het civiele kader wenselijker lijkt om verharding bij de verdachte te voorkomen, maar dat de vraag is of daar de voor de verdachte noodzakelijke behandeling geboden kan worden en of de verdachte thans al niet te zeer een antisociale ontwikkeling doormaakt en voldoende te hanteren is binnen een civielrechtelijke groep. Daarbij geldt volgens hen dat de factoren ‘psychopathologie en disfunctioneren’, ‘behandelmogelijkheden’ en ‘noodzaak gedwongen kader’ pleiten voor oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Voordelen daarvan zijn dat recidive wordt voorkomen, dat er structuur en scholing is en dat de beperkingen in de opvoedvaardigheden van thuis naar de achtergrond worden gedrukt. Aan de andere kant pleiten de factoren ‘ontwikkelingsmogelijkheden’, ‘sociaal netwerk’ en ‘geen alternatief meer’ voor oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Daarbij geldt echter dat ambulante behandeling van de verdachte eigenlijk een gepasseerd station is, gelet op de afwerende houding van de ouders tegenover hulpverlening.

Plaatsing in een civiel kader lijkt wenselijker om verharding te voorkomen, waarbij wordt opgemerkt dat niet duidelijk is of de verdachte in een dergelijke instelling de juiste behandeling kan krijgen en dat het nog maar de vraag is of de verdachte niet nu al te zeer een antisociale ontwikkeling doormaakt dat hij in een civiel kader niet meer te hanteren is en zal weglopen.

Concluderend is volgens de rapporteurs sprake van ernstige problematiek bij de verdachte, waardoor de noodzaak bestaat de verdachte in een gesloten kader te plaatsen, in welke vorm dan ook. Volgens de rapporteurs dienen de ouders daarbij betrokken worden. Gelet op de jonge leeftijd van de verdachte wordt nader onderzoek eveneens nodig geacht.

Uit het rapport van de Raad d.d. 18 augustus 2015 blijkt dat de Raad zich grote zorgen maakt omtrent de (morele) ontwikkeling van de verdachte. De delicten waar de jeugdige verdachte van wordt verdacht zijn naar hun aard en omvang zwaar en zeer zorgelijk te noemen. De Raad acht intensieve behandeling in het kader van een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel geïndiceerd om de ontwikkeling van de verdachte ten goede te keren en daarom de beste manier is om recidive te voorkomen. Daarbij acht de Raad plaatsing in een drie milieus voorziening noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de verdachte toekomt aan de voor hem noodzakelijke behandeling.

Geadviseerd wordt daarom primair aan de verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen onder de gebruikelijke algemene voorwaarden en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling (te weten een drie milieus setting), dat hij daar verblijft zolang Jeugdbescherming west dat nodig acht, dat hij wordt verplicht zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling door die zorginstelling en/of Jeugdbescherming west worden gegeven en dat hij wordt verplicht mee te werken aan de noodzakelijke hulpverlening, ook na zijn opname.

Subsidiair, in het geval de verdachte onvoldoende aan de hulpverlening meewerkt, adviseert de Raad oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Daarbij bestaat volgens de Raad echter het risico dat de thans nog jonge verdachte zal verharden.

Uit de ter terechtzitting door de heer [X] , jeugdreclasseringswerker bij de stichting Jeugdbescherming afgelegde verklaring volgt dat de Jeugdbescherming een civielrechtelijke aanpak alleen vruchtbaar acht indien de verdachte uit huis wordt geplaatst in een maximaal gesloten setting omdat verdachte en zijn ouders zeer veel weerstand tegen een uithuisplaatsing hebben. Als voordeel van een civielrechtelijke aanpak boven een strafrechtelijke aanpak ziet de Jeugdbescherming dat het klimaat in een instelling voor gesloten jeugdzorg vriendelijker is dan in een justitiële jeugdinstelling. Een nadeel van een civielrechtelijke aanpak is dat in de huidige situatie de daarvoor noodzakelijke samenwerking met en medewerking van de ouders van verdachte ontbreekt en dat een civielrechtelijke aanpak meer gericht is op behandeling van de verdachte dan op het voorkomen van recidive, hetgeen in een justitiële jeugdinrichting wel het geval is. Het recidive-risico blijft daarbij hoog en wordt uitsluitend verkleind doordat verdachte uit zijn huiselijk milieu wordt gehaald. Voorts is de problematiek van de verdachte zodanig ernstig dat het maar de vraag is of hij in een driemilieussetting zal worden geaccepteerd. Door de driemilieuvoorziening in Alphen aan den Rijn is de verdachte afgewezen omdat zijn casus te zwaar werd bevonden.

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht door de rapporten betreffende het psychologische en psychiatrische onderzoek en de observatie van de verdachte, de onderzoeken van Raad, en door hetgeen namens de Raad en de Jeugdbescherming ter terechtzitting is verklaard. De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemde rapporten ten aanzien van de bij de verdachte vastgestelde stoornissen, maakt deze tot de hare en overweegt verder als volgt.

Beslist dient te worden met welke reactie recht wordt gedaan aan de vele ernstige geweldsdelicten die de jeugdige verdachte heeft gepleegd, waarbij de belangen van de verdachte het beste zijn gediend, maar waarbij ook rekening dient te worden gehouden met het belang van de (beveiliging van de) maatschappij in het algemeen en de slachtoffers in het bijzonder.

De rechtbank stelt vast dat bij de verdachte sprake is van ernstige gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met narcistische en antisociale trekken en dat hij hierdoor op meerdere terreinen (waaronder school) disfunctioneert en inmiddels is vastgelopen. Er is sprake van ernstige geweldsdelicten, hoge kans op recidive van geweldsdelicten en ernstig gevaar voor anderen alsook gevaar voor verder criminele ontsporing. De ontwikkelingsmogelijkheden van verdachte zijn beperkt en er zijn vraagtekens te plaatsen bij de mate van zijn leerbaarheid op dit gebied. Verder ontbreekt het verdachte aan de aanwezigheid van een steunend netwerk en zijn ouders niet bereid of gemotiveerd zich in te zetten voor hulpverlening en behandeling.

Hoewel de verdachte nog jong is en hem nog niet eerder een strafrechtelijke maatregel is opgelegd is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie, gecombineerd met oplegging van de PIJ-maatregel, zoals ook door de officier van justitie is geëist, een passende straf is. Naast de ernst en het aantal van de door verdachte gepleegde delicten en de korte tijdspanne waarin dit is gebeurd, speelt daarbij een belangrijke rol dat in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel het recidive-risico onvoldoende wordt ingeperkt. Gelet op de rapportages en hetgeen ter zitting is verklaard en gelet op de eerder mislukte behandelingen in het civiele kader is bovendien niet te verwachten dat verdachte en zijn ouders aan behandelingen in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel hun medewerking zullen verlenen. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de verdachte, terwijl hij nota bene net één maand daaraan voorafgaand onder voorwaarden was geschorst uit de voorlopige hechtenis, eind vorig jaar een gewelddadige winkeloverval heeft gepleegd, waarbij hij ook nog eens zelf het voortouw in de geweldsacties heeft genomen. Dit toont aan dat een voorwaardelijk kader verdachte niet kan motiveren tot een gedragsverandering en de ouders onmachtig zijn de verdachte hierin te begeleiden. De kans op een succesvolle ambulante behandeling is derhalve nagenoeg nihil, terwijl het daarnaast de vraag is of er wel daadwerkelijk ‘open’ instellingen zijn die de problematiek van de verdachte aankunnen. Voorts staat vast dat in een civiele jeugdinstelling onvoldoende aandacht is voor het terugdringen van het recidiverisico. Een langdurige behandeling in een justitiële instelling is daarom het meest aangewezen voor behandeling van de verdachte. Daarbij wordt de kans op recidive verminderd en wordt aan de verdachte de beste kans geboden om beter in de samenleving terug te keren.

De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor oplegging van een PIJ-maatregel aan de verdachte is voldaan. Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en de Raad in de rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond en dat daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank overweegt verder dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verlenging van de PIJ-maatregel is in dit geval mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

De rechtbank adviseert de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen ten uitvoer te leggen in een inrichting die aansluit bij de persoonlijkheid van de verdachte.

7 De vordering van de benadeelde partij

[aangever 10] heeft zich ter zake van het bij dagvaarding III onder 7 ten laste gelegde feit als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 2.495,75. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 495,75, bestaande uit reiskosten € 12,-, medische kosten € 29,75 en eigen risico inboedelverzekering € 454,-, en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 2.000,-.

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel hoofdelijk dient te worden toegewezen. Daarnaast heeft zij gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu zij vrijspraak heeft bepleit van het bij dagvaarding III onder 7 ten laste gelegde feit de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze ziet op de materiële schade ad € 495,75, is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding III onder 7 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van

€ 2.000,-, als vergoeding voor de immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar en ziet geen aanleiding dit bedrag te matigen.

De rechtbank zal de vordering dan ook geheel en hoofdelijk toewijzen, waarbij geldt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente hoofdelijk toewijzen over het materiële schadebedrag vanaf 24 maart 2015 (de datum van de vordering) en over het immateriële schadebedrag vanaf 3 september 2015 (de datum van de uitspraak) tot aan de dag van algehele voldoening.

De verdachte wordt tevens hoofdelijk veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding III onder 7 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.495,75, vermeerderd met de wettelijke rente over het materiële schadebedrag ad € 495,75 vanaf 24 maart 2015 (de datum van de vordering) en over het immateriële schadebedrag ad € 2.000,- vanaf 3 september 2015 (de datum van de uitspraak) tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 10] .

Indien en voor zover noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt zal  onder handhaving van voormelde verplichting  vervangende jeugddetentie worden toegepast voor de duur van 10 dagen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77s, 77v, 77gg, 300, 310, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding III onder 1 en onder 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding I, II en III onder 2, 3 subsidiair en 4 t/m 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Dagvaarding I

ten aanzien van feit 1:

diefstal;

Dagvaarding II

ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Dagvaarding III

ten aanzien van feit 2:

mishandeling;

ten aanzien van feit 3, subsidiair:

heling;

ten aanzien van feit 4:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:

mishandeling;

ten aanzien van feit 6:

diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

ten aanzien van feit 7:

diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 273 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt daarnaast aan de verdachte op de maatregel van:

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 10] hoofdelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 2.495,75, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 495,75 vanaf 24 maart 2015 en over een bedrag van € 2.000,- vanaf 3 september 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan de verdachte op de hoofdelijke verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.495,75, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van

€ 495,75 vanaf 24 maart 2015 en over een bedrag van € 2.000,- vanaf 3 september 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 10] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis gewezen door

mr. H.M. Boone, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.F. Baaij, kinderrechter,

en mr. M. Kramer, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. K.K. Paap, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven – delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij de dossiers met de nummers PL1630-2014030851 (blz. 1-123); PV 2014145581 (blz. 1-220); PL1500-2014186117 (blz. 1-95); PL1500- 2014239938 (blz. 1-123) en PL1500-014333753 (blz. 1-860).

2 PL1630-2014030851: proces-verbaal aangifte [aangever] , blz. 114-115; bijlage weggenomen goederen, blz. 116; landelijk aangifteformulier winkeldiefstal, blz. 117-119.

3 PL1630-2014030851: proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte] , blz. 57-59.

4 PL1630-2014030851: proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 68-70.

5 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2015.

6 PV 2014145581: proces-verbaal aangifte [aangever 2] , blz. 18-19; proces-verbaal verhoor aangeefster, blz. 24-25; 27.

7 PV 2014145581: proces-verbaal verhoor verdachte [aangever 7] , blz. 82-90.

8 PV 2014145581: proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , blz. 113-119.

9 PL1500 2014239938: proces-verbaal aangifte [aangever 6] , blz. 71-73.

10 PL1500 2014239938: proces-verbaal verhoor aangever [aangever 6] , blz. 74-76.

11 PL1500 2014239938: proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , blz. 77-79.

12 PL1500 2014239938: proces-verbaal verhoor getuige [B] , blz. 108-110.

13 PL1500-2014186117: proces-verbaal aangifte [aangever 7] , blz. 82-84.

14 PL1500-2014186117: proces-verbaal verhoor getuige [A] , blz. 93-95.

15 PL1500-2014186117: proces-verbaal verhoor verachte [medeverdachte 6] , blz. 25-27.

16 PL1500-2014186117: proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , blz. 65-68.

17 PL1500-2014186117: proces-verbaal aangifte [aangever 7] , blz. 82-84.

18 PL1500-2014186117: proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 6] , blz. 19-20; 25-27.

19 PL1500-2014186117: proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , blz. 65-68.

20 PL1500-2014186117: proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , blz. 88-91.

21 PL1500-2014186117: proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 42-44

22 PL1500 2014239938: proces-verbaal aangifte [aangever 8] , blz. 111-112; proces-verbaal van bevindingen, blz. 80-81.

23 PL1500 2014239938: proces-verbaal verhoor verdachte [B] , blz. 46-50; 108-110.

24 Verklaring van de verdachte, afgelegd, ter terechtzitting van 20 augustus 2015.

25 PL1500 2014239938: proces-verbaal aangifte [aangever 9] , blz. 120-121.

26 PL1500 2014239938: proces-verbaal verhoor verdachte [B] , blz. 46-50.

27 PL1500 2014239938: proces-verbaal verhoor verdachte, blz. 27-29.

28 Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2015.

29 PL1500-014333753: proces-verbaal aangifte [aangever 10] , blz. 42-45.

30 PL1500-014333753: proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , blz. 224-226.

31 PL1500-014333753: proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 4] , blz. 326-327.

32 PL1500-014333753: proces-verbaal van bevindingen, blz. 105-106; 368.

33 PL1500-014333753: proces-verbaal van bevindingen, blz. 108-111.