Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10516

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
11-09-2015
Zaaknummer
C/09/491070 / KG ZA 15/914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding over de vraag of dwangsommen zijn verbeurd omdat een partij een vonnis niet voldoende heeft nageleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/491070 / KG ZA 15/914

Vonnis in kort geding van 5 augustus 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,

eiseres,

advocaat mr. F.M. Oudolf te Amsterdam,

tegen:

1 [B] ,

2. [C] ,

beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

gedaagden,

advocaat mr. C.R. Angel te Utrecht.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [A] ’ en ‘ [B] c.s.’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door [B] c.s. overgelegde producties;

- de op 27 juli 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[A] exploiteert een onderneming in de verkoop van tweedehands auto’s aan de [adres 1] te [plaats] , gemeente [gemeente] (hierna: het bedrijfsperceel). [B] c.s. wonen in de naast en achter het bedrijfsperceel gelegen woning aan de [adres 2] te [plaats] , gemeente [gemeente] (hierna: de woning).

2.2.

Zowel in de akte op grond waarvan [B] c.s. de woning in 1982 in eigendom hebben verkregen, als in de akte waarin onder meer de directeur van [A] het bedrijfsperceel in eigendom heeft verkregen, wordt verwezen naar een erfdienstbaarheid die is gevestigd ten gunste van het perceel van [B] c.s. en ten laste van het perceel van [A] . Dit betreft, kort gezegd, een erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de openbare weg (hierna: de erfdienstbaarheid).

2.3.

[B] c.s. hebben in 2014 een kort geding bij deze rechtbank gestart tegen [A] , waarin zij hebben gevorderd, kort gezegd, [A] te veroordelen de erfdienstbaarheid te eerbiedigen en het pad waarop die erfdienstbaarheid rust geheel vrij te maken en te houden van auto’s en overige obstakels, alsmede medewerking te verlenen aan het realiseren van bepaalde voorzieningen. Deze vordering is in eerste instantie in een op 1 juli 2014 gewezen vonnis afgewezen, maar dat vonnis is in hoger beroep vernietigd in een arrest van 26 mei 2015 van het Gerechtshof Den Haag (hierna: het arrest). In het arrest is, voor zover thans relevant, overwogen:

9. Naar het voorlopige oordeel van het hof is voorts onvoldoende aannemelijk geworden dat [B] c.s. geen redelijk belang meer heeft bij uitoefening van de erfdienstbaarheid, dan wel misbruik van recht maakt door zijn recht van erfdienstbaarheid te handhaven. Het hof acht voorshands aannemelijk dat [B] c.s. een redelijk belang heeft om gebruik te kunnen maken van het recht van weg. Weliswaar kan [B] c.s. ook over eigen grond uitwegen naar de openbare weg, maar [B] c.s. heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij (nog steeds) voldoende belang heeft bij de onderhavige erfdienstbaarheid. Omstandigheden als bedoeld in artikel 5:78 BW zijn door [A] niet gesteld. Het hof acht voorshands dan ook onvoldoende aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure tot opheffing van de erfdienstbaarheid zal overgaan op de voet van artikel 5:78 of 79 BW. Dat het belang van [A] zich verzet tegen gebruik van de erfdienstbaarheid, maakt voorts niet dat sprake is van misbruik van recht, ook niet als het belang van [A] bij niet-gebruik zwaarder weegt dan het belang van [B] bij gebruik. Voor misbruik van recht is immers nodig dat tussen beide belangen een zodanige onevenredigheid bestaat, dat [B] c.s. in redelijkheid niet tot uitoefening van zijn recht zou kunnen komen.

10. Al het voorgaande leidt ertoe dat voorshands dient te worden uitgegaan van het (voort)bestaan van de erfdienstbaarheid ten gunste van het perceel van [B] c.s.

(…)

Vervolgens is, voor zover thans relevant, [A] veroordeeld tot:

”eerbiediging van het recht van erfdienstbaarheid van [B] c.s., derhalve tot het geheel vrij maken en houden van het pad waarop de erfdienstbaarheid rust van auto’s en overige obstakels die een ongehinderde doorgang belemmeren, alsmede te dulden dat [B] c.s. een garagedeur plaatst en over de strook waarop de erfdienstbaarheid rust, een toegangspad aanlegt tot aan de openbare weg, zulks binnen 48 uur na betekening van dit arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat [A] in gebreke blijft met de naleving van deze veroordeling, met een maximum van € 100.000,-”

2.4.

Tussen partijen, althans tussen de eigenaren van het lijdende erf (de directeur van [A] en zijn partner) en [B] c.s., is een bodemprocedure aanhangig, waarin eerstgenoemden opheffing van de erfdienstbaarheid vorderen. In deze procedure zal (waarschijnlijk) op 28 augustus 2015 een (tussen- dan wel eind)vonnis gewezen worden.

2.5.

[B] c.s. hebben op 1 juni 2015, kort gezegd, het arrest aan [A] laten betekenen en bevel aan haar laten doen om binnen 48 uur aan de inhoud van die titel te voldoen, met aanzegging van de in het arrest bepaalde dwangsom bij niet voldoening.

2.6.

[B] c.s. hebben in een op 10 juni 2015 uitgebracht exploot aan [A] laten aanzeggen dat zij hebben geconstateerd dat [A] niet aan de hiervoor genoemde veroordeling en het bevel hebben voldaan, zodat zij aan dwangsommen heeft verbeurd: “periode van 3 juni en 7 juni 2015 oftewel in totaal €.10.000,00”, waarbij zij [A] bevelen dit bedrag (vermeerderd met kosten) binnen twee dagen te betalen.

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert – zakelijk weergegeven – [B] c.s. te verbieden het arrest ten uitvoer te doen leggen ter zake van de door hen gestelde op 3 en/of 7 juni 2015 verbeurde dwangsommen van (elk) € 5.000,-, met veroordeling van [B] in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voert [A] – samengevat – het volgende aan. Daags na betekening van het vonnis heeft zij het hek bij de deur in de schutting verwijderd en het pad vrijgemaakt tot aan de openbare weg door de auto’s aan de zijkant van het bedrijfsperceel te parkeren. Het kon niet worden voorkomen dat derden, zoals klanten of leveranciers, korte tijd auto’s op het pad parkeerden, maar zodra een medewerker van [A] dit in de gaten had, heeft hij ervoor gezorgd dat deze werden verplaatst. Verder is de op 12 juni 2015 geplaatste gele streep met de letters NP zeer effectief gebleken. [A] heeft dan ook alles gedaan wat in haar macht ligt om aan het vonnis te voldoen, zodat zij geen dwangsommen aan [B] c.s. is verschuldigd.

3.3.

[B] c.s. voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

In dit kort geding draait het om de vraag of [A] dwangsommen heeft verbeurd omdat zij het arrest niet of onvoldoende zou hebben nageleefd. [B] c.s. stellen zich op het standpunt dat dit het geval is geweest in de periode vanaf 3 juni 2015 (naar de voorzieningenrechter begrijpt tot 12 juni 2015), maar de dwangsommen waar zij aanspraak op maken zijn beperkt tot twee dagen, te weten 5 en 7 juni 2015, ten aanzien waarvan ook foto’s in het geding zijn gebracht.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat na betekening van het arrest het volgende is geschied. [A] heeft de dag daarna het hek bij de deur van de schutting verwijderd en zijn auto’s zodanig geparkeerd dat deze in een rij aan de zijkanten van het pad staan, waardoor er een pad is ontstaan dat breed genoeg is voor gebruikmaking hiervan door [B] c.s. In de periode tot 12 juni 2015 hebben daarna gedurende ongeveer een week met enige regelmaat nog auto’s op het pad geparkeerd gestaan. Vanaf 12 juni 2015 is dit (nagenoeg) niet meer het geval vanwege een door [A] getrokken gele streep met de letters NP. Beoordeeld dient te worden of het voorgaande betekent dat [A] de veroordeling in het arrest, inhoudende dat zij het pad waarop de erfdienstbaarheid rust geheel vrij dient te maken en houden van auto’s en overige obstakels die een ongehinderde doorgang belemmeren, niet heeft nageleefd op 5 en 7 juni 2015.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat de beoordeling beperkt is tot de toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend arrest verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Het moet daarbij gaan om handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat die, mede gelet op de gronden waarop de veroordeling werd uitgesproken, inbreuk maken op het arrest. De omstandigheid dat de veroordeling in dit geval is versterkt met een dwangsom, dwingt tot een beperkte uitleg van de veroordeling. Verder heeft te gelden dat de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer dient te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

4.4.

Gezien de tekst, het doel en de strekking van de veroordeling wordt deze niet reeds overtreden doordat er op enig moment een auto of obstakel op het pad staat. Het hof heeft in het dictum van zijn arrest de veroordeling zoals door [B] c.s. gevorderd in die zin beperkt, dat het moet gaan om auto’s of obstakels op het pad, die een ongehinderde doorgang belemmeren. Dit is ook verklaarbaar gezien het doel van de veroordeling, te weten dat [B] c.s. vanuit hun terrein over het pad de openbare weg kunnen bereiken. Een belemmering van slechts korte duur kan voorts redelijkerwijs niet als een inbreuk op het arrest worden aangemerkt. Dit komt immers ook op de openbare weg met enige regelmaat voor.

4.5.

Wat betreft de handelingen van [A] stellen [B] c.s. dat in ieder geval op 5 juni 2015 continu sprake was van op het pad geparkeerde auto’s, hetgeen [A] volgens hen niet kan zijn ontgaan en had moeten voorkomen. Aan de hand van de overgelegde foto’s kan dit door de voorzieningenrechter echter niet worden vastgesteld. Er zijn foto’s overgelegd die volgens het bijgevoegde overzicht zouden zijn gemaakt op 5 juni 2015 om 12.29 uur, 12.39 uur, 17.00 uur, 17.01 uur en 21.35 uur en op 7 juni om 14.02 uur. Weliswaar staan op al deze foto’s auto’s op het pad, maar geen enkele op het pad geparkeerde auto komt op 5 juni 2015 op alle foto’s voor. Evenmin kan worden vastgesteld dat een ongehinderde doorgang op deze momenten niet mogelijk was. In ieder geval is doorgang te voet of per fiets nog mogelijk en op de meeste foto’s lijkt ook een doorgang met een auto nog tot de mogelijkheden te behoren. Dat kan vanwege de hoek van waaruit de foto is genomen echter niet met zekerheid worden vastgesteld.

4.6.

[A] heeft voorts nader toegelicht dat de op het pad geparkeerde auto’s niet van haarzelf waren, maar dat het ging om auto’s van derden, zoals klanten en leveranciers. Zij stelt dat haar medewerker dit zoveel mogelijk in de gaten heeft proberen te houden en zodra hij hiervan kennis nam, ervoor heeft gezorgd dat de betreffende auto werd verplaatst. Daaraan heeft zij toegevoegd dat het wel enige tijd kost om een situatie die al jarenlang voortduurt te wijzigen en dat een medewerker die alleen aan het werk is, het terrein niet continu in de gaten kan houden. Deze toelichting van [A] komt de voorzieningenrechter niet onaannemelijk voor. Dat is van belang nu een belemmering die buiten de macht van [A] ontstaat en enige tijd voortduurt, niet aan haar kan worden tegengeworpen, indien het onredelijk zou zijn meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan zij heeft betracht. Gezien voormelde aannemelijke toelichting gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit dat dat het geval is. Overigens had het naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in aanmerking nemende hetgeen [A] direct na het vonnis aan acties heeft ondernomen om aan het vonnis te voldoen zoals vermeld onder 4.1, op de weg van [B] c.s. gelegen om, indien zij meende dat daarna desondanks nog sprake was van onacceptabele belemmeringen, [A] daarvan in kennis te stellen en haar in de gelegenheid te stellen hier wijziging in te brengen. Daargelaten de uitkomst van de gevoerde en van wellicht nog te voeren procedures, blijft een goede communicatie immers onontbeerlijk om op een prettige manier naast elkaar te kunnen wonen en ondernemen.

4.7.

Het vorenstaande in aanmerking nemende, kan niet worden vastgesteld dat [A] het arrest onvoldoende heeft nageleefd en daarom dwangsommen heeft verbeurd. De vordering van [A] is gelet op het vorenstaande voor toewijzing vatbaar als na te melden.

4.8.

[B] c.s. zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt [B] c.s. het arrest van 26 mei 2015 van het Gerechtshof Den Haag ten uitvoer te doen leggen door dwangsommen te innen over de dagen 5 en 7 juni 2015 vanwege de niet nakoming van de in dat arrest opgenomen veroordeling;

5.2.

veroordeelt [B] c.s. in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [A] begroot op € 1.510,10, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 613,-- aan griffierecht en € 81,10 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2015.

ts