Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10403

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
C/09/491446 / KG ZA 15/956
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding betreffende een huisartsenmaatschap (van X en Y) die is ontbonden, waarna X naar een andere praktijk is gegaan. X vordert van Y een voorschot op omzetschade, omdat partijen in het maatschapscontract voor deze situatie een verdeling bij helfte zijn overeengekomen, maar er meer patiënten van de voormalige praktijk bij Y zijn achtergebleven. Y voert op diverse onderdelen gemotiveerd verweer. De vordering van X wordt afgewezen, nu de uitkomst van de bodemprocedure niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden voorspeld (voor de beoordeling is nader onderzoek noodzakelijk en daarvoor leent een kort geding zich niet) en X voorts zijn spoedeisend belang bij een onmiddellijke voorziening niet aannemelijk heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2015-0406
AR 2015/1639
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/491446 / KG ZA 15/956

Vonnis in kort geding van 4 september 2015

in de zaak van

[X] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.F. Holsteijn te [woonplaats] ,

tegen:

[Y] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

in persoon verschenen.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [X] ’ en ‘ [Y] ’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties en de nader door [X] overgelegde producties;

- de door [Y] overgelegde producties;

- de op 21 augustus 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij [Y] zich heeft laten bijstaan door mr. R.J. Peet. Beide partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Beide partijen oefenen het beroep van huisarts uit. [X] heeft lange tijd alleen een praktijk gedreven aan de [adres] te [woonplaats] . Op 1 juli 2002 zijn partijen met elkaar een maatschap aangegaan waarin zij gezamenlijk op die locatie een huisartsenpraktijk uitoefenden.

2.2.

In de overeenkomst die partijen in dit kader met elkaar hebben gesloten, staat onder meer vermeld, kort weergegeven, i) dat partijen door het ingaan van de maatschap worden geacht voor een gelijk deel in de maatschapspraktijk gerechtigd te zijn, ii) dat partijen gedurende drie dagen per week de huisartsenpraktijk zullen uitoefenen, in dier voege dat [X] gedurende een halve dag per week administratieve werkzaamheden ten behoeve van de maatschap zal verrichten, waarbij het de intentie van partijen is dat [Y] op een nader vast te stellen tijdstip gedurende vier dagen per week zal praktiseren, terwijl de arbeidsinbreng van [X] op drie dagen per week blijft gehandhaafd, iii) dat de werkzaamheden van partijen in onderling overleg zoveel mogelijk gelijkelijk worden verdeeld, waarbij [X] naar vermogen zal bevorderen dat partijen zo spoedig mogelijk een gelijk aandeel in de praktijk hebben, iv) dat de winsten en verliezen van de maatschap door partijen gelijk zullen worden genoten en gedragen en dat indien de werktijden niet meer gelijk zijn de maatschapswinst in evenredigheid van de arbeidsinbreng wordt verdeeld, v) dat na afloop van ieder boekjaar de boeken worden gesloten en dat indien een partij met de inhoud van de stukken niet akkoord gaat, hij zijn bezwaren binnen een maand na ontvangst van de stukken aan de andere partij kenbaar moet maken, bij gebreke waarvan de stukken worden beschouwd als onherroepelijk door partijen te zijn vastgesteld, vi) dat bij beëindiging anders dan ten gevolge van overlijden bij de scheiding en deling van de tot de maatschapspraktijk behorende patiënten op partijen de verplichting rust met inachtneming van het recht op vrije artsenkeuze een verdeling te treffen conform de eerder genoemde gerechtigdheid.

2.3.

Nadat er sinds 2010 verschil van mening is ontstaan tussen partijen over de manier van werken, in welk kader er overleg en bemiddeling heeft plaatsgevonden, is [X] per 13 oktober 2014 overgestapt naar een andere huisartsenpraktijk in een andere wijk in [woonplaats] . Partijen zijn overeengekomen de maatschap per die datum te ontbinden. [Y] heeft de huidige praktijk voortgezet.

2.4.

Aan de patiënten van de voormalige gezamenlijke praktijk is een brief gezonden, waarin hen is gevraagd een keuze te maken voor een van de beide huisartsen, bij gebreke waarvan zij bij hun huidige huisarts ingeschreven blijven. Dit heeft ertoe geleid dat er thans meer patiënten van de voormalige gezamenlijke praktijk bij [Y] staan ingeschreven dan bij [X] .

3 Het geschil

3.1.

[X] vordert [Y] te veroordelen tegen deugdelijk bewijs van kwijting aan hem te betalen een bedrag van € 63.966,-, met veroordeling van [Y] in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Daartoe voert [X] – samengevat – het volgende aan. Hij is na ontbinding van de maatschapsovereenkomst sterk onderbedeeld en [Y] is fors overbedeeld. Hij heeft recht op financiële compensatie daarvoor, nu partijen in het maatschapscontract zijn overeengekomen dat zij bij scheiding en deling een verdeling zullen treffen conform hun gerechtigdheid in de maatschapspraktijk, zijnde voor gelijke delen. Van een tegenvordering van [Y] is geen sprake. Het is niet zo dat [Y] voor de ontbinding van de overeenkomst meer werk heeft verricht dan [X] en bovendien kan [Y] haar bezwaren in dit kader thans niet meer aanvoeren. [X] vordert in dit geding eenmaal de jaarlijkse omzetschade, die hij berekent op € 63.966,-. Dit betreft een voorschot op een bedrag van vier keer de jaarlijkse omzetschade, waar [X] in een bodemprocedure aanspraak op maakt.

3.3.

[Y] voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1.

Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is – hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen –, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [Y] gemotiveerd en op diverse onderdelen verweer heeft gevoerd tegen de vordering van [X] . Zij betwist dat [X] een vordering op haar heeft, stellende dat i) er in 2013 al een patiëntenverdeling heeft plaatsgevonden, ii) [X] al ruimschoots is gecompenseerd voor een verschil in patiëntenaantal nu zij de afgelopen jaren aantoonbaar een grotere inbreng heeft gehad in de maatschap maar de winstverdeling gelijk is gebleven en iii) [X] er zelf voor heeft gekozen om zijn praktijk in een geheel andere wijk te gaan uitoefenen – ondanks herhaalde verzoeken van [Y] om zijn praktijk voor zichzelf op dezelfde locatie uit te blijven oefenen – zodat het aan hemzelf te wijten is dat veel patiënten ervoor hebben gekozen om hem niet te volgen naar zijn nieuwe locatie. Voorts heeft [Y] subsidiair, als zij al gehouden zou zijn een bedrag wegens overbedeling te betalen, de hoogte van het gevorderde bedrag betwist. Daartoe heeft zij naar voren gebracht dat zij beduidend minder is overbedeeld dan [X] stelt, dat er tegenover de gerealiseerde omzet werkzaamheden staan, die alleen zij verricht, en dat zij kosten maakt om die omzet te realiseren.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat, ook indien de reactie van [X] op voormelde verweren van [Y] in aanmerking wordt genomen, niet valt uit te sluiten dat in een bodemprocedure een of meerdere van deze verweren zullen slagen. [X] heeft in ieder geval erkend dat ook rekening gehouden moet worden met aan de omzet gerelateerde kosten van [Y] en [Y] heeft ook andere punten naar voren gebracht – zoals dat er ook patiënten naar andere praktijken zijn vertrokken – die zodanig aannemelijk zijn dat op grond daarvan de rekensom van [X] niet zonder meer kan worden gevolgd. Maar ook aan de andere, meer primaire verweren van [Y] zouden in een bodemprocedure gevolgen kunnen worden verbonden die ertoe kunnen leiden dat de vordering van [X] slechts ten dele of mogelijk zelfs in het geheel niet voor toewijzing vatbaar is. Om dit op zijn merites te kunnen beoordelen is echter een nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden nodig en daarvoor leent een kort geding zich niet. Het vorenstaande in aanmerking nemende is, kan niet vooruitgelopen worden op de uitkomst van een bodemprocedure, nu deze op dit moment nog niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden voorspeld.

4.4.

Daar komt nog bij dat [X] ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Tegenover de gemotiveerde stellingen van [Y] ten aanzien van de hoogte van het maandelijkse inkomen van [X] , gebaseerd op zijn eigen omzet- en kostencijfers, en de bedragen die [X] de afgelopen jaren heeft ontvangen vanwege de verkoop van zijn praktijkpand en zijn aandeel in het maatschapskapitaal, heeft [X] volstaan met slechts te stellen dat zijn inkomsten zijn teruggelopen, dat hij geen arbeidsongeschiktheidsuitkering meer ontvangt en dat hij thans zijn reserves moet aanspreken, die ergens anders voor zijn bestemd. Dit maakt echter nog niet zonder meer dat hij zich in een financieel nijpende situatie bevindt, zoals hij stelt, en een nadere onderbouwing en concretisering van zijn financiële situatie ontbreekt. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat [X] (financieel) niet in staat is om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten.

4.5.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de vordering in dit geding niet voor toewijzing vatbaar is. Al hetgeen partijen naar voren hebben gebracht over hetgeen naar hun beleving voorafgaand aan de ontbinding van de maatschapsovereenkomst is geschied, in hoeverre dat aan de andere partij kan worden verweten en waartoe dat heeft geleid, kan gezien het vorenstaande onbesproken blijven.

4.6.

[X] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [X] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [Y] begroot op € 1.692,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 876,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2015.

ts