Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10402

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
C/09/495432 / KG ZA 15/1338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Collectieve actie politie. Geen verbod op collectieve actie politie door staken bijstand aan gerechtsdeurwaarders. De inbreuk op fundamentele rechten en de aanzienlijke schade waar de actie van de politie toe kan leiden is op dit moment niet zodanig dat het noopt tot het oordeel dat de actie een zodanige inbreuk maakt op de in artikel G ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat beperking van de uitoefening van het stakingsrecht maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0833
JAR 2015/241
AR 2015/1626
JAR 2015/241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/495432 / KG ZA 15/1338

Vonnis in kort geding van 3 september 2015

in de zaak van

1 de Staat der Nederlanden(de Minister van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

2. de rechtspersoon naar publiekrecht

de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders,

zetelend te Utrecht,

eisers,

advocaat mr. M.B. de Witte-van den Haak te Den Haag,

tegen:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Algemeen Christelijke Politiebond,

zetelend te Leusden,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Nederlandse Politiebond,

zetelend te Woerden,

3. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Vereniging van Middelbare en Hogere Politie Ambtenaren,

zetelend te Amsterdam,

4. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Algemene Nederlandse Politie Vereniging,

zetelend te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. A.W.H. Joosten te Utrecht.

Partijen worden hierna respectievelijk ook aangeduid als ‘de Staat’, ‘de KBvG’ en ‘de politiebonden’.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de concept-dagvaarding, met tien producties;

- de op de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

Op basis van concept-dagvaardingen van de Staat en de KBvG zijn de politiebonden vrijwillig verschenen op de zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 2 september te 14.00 uur. De zaak is op die datum behandeld en ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Begin 2015 heeft overleg plaatsgehad over de totstandkoming van een nieuwe CAO voor de politie. De voorgaande CAO is per 31 december 2014 geëxpireerd. De politiebonden hebben dit overleg begin maart 2015 opgeschort – omdat zij vonden dat de standpunten van partijen in het overleg te ver uiteenliepen – en zijn overgegaan tot het voeren van acties.

2.2.

Op 10 juli 2015 is een onderhandelaarsakkoord gesloten met betrekking tot een centraal loonakkoord. Naar verwachting zal voor de sector politie op grond hiervan per 1 september 2015 een salarisverhoging van 1,25% tot stand komen en per 1 januari 2016 een salaris verhoging van 3%. Hierdoor zullen tezamen met de reeds afgesproken salarisverhoging van 0,8% per 1 januari 2016 de salarissen van politiemedewerkers per 1 januari 2016 met 5,05% stijgen. Daarnaast is sprake van een eenmalige uitkering van € 500,-- per 1 september 2015.

2.3.

Op 31 augustus 2015 is een achterbanraadpleging door de centrales die het onderhandelaarsakkoord hadden getekend positief afgerond. Op 3 september 2015 zullen de in het akkoord opgenomen wijzigingen worden bekrachtigd door de Pensioenkamer.

2.4.

Op 27 juli 2015 hebben de politiebonden de minister van justitie een “estafette actie geen inzet bij zogenaamde “prioriteit 3” meldingen” aangezegd. Deze actie is op 3 augustus 2015 begonnen met één dag in de week en bouwt iedere week op in dagen.

2.5.

Op 18 augustus 2015 hebben de politiebonden de minister van Veiligheid en Justitie aangezegd dat zij politiemedewerkers, werkzaam bij de afdeling AVIM hebben opgeroepen om per 27 augustus 2015 niet langer meewerken aan de procedure die leidt tot uitzetting van illegale vreemdelingen. Ook is aangezegd dat de politiebonden de collega’s die werkzaam zijn bij de afdelingen Korpscheftaken (voorheen Bijzondere Wetten) hebben opgeroepen om met ingang van 20 augustus 2015 de behandeling van nieuwe aanvragen voor verloven voor de schietsport, jachtakten, beveiligingspassen, etc. uit te stellen.

2.6.

Op 27 augustus 2015 hebben de politiebonden de minister van Veiligheid en Justitie een uitbreiding van de onder 2.4 bedoelde actie – hier aangeduid als “Geen spoed, geen politie” – aangezegd. Deze uitbreiding van de actie (die hierna wordt aangeduid als: ‘de actie’) bestaat uit het per 31 augustus 2015 stopzetten van politieassistentie aan deurwaarders. De aanzegging houdt onder meer in:

Update:

Genoemde actie (de onder 2.4 bedoelde actie, toevoeging voorzieningenrechter) wordt per 31 augustus 2015 uitgebreid met het stopzetten van de politieassistentie aan deurwaarders. De gezamenlijke politiebonden roepen alle politiemedewerkers die belast zijn met de begeleiding van deurwaarders, op om dit tijdens de actiedagen niet meer te doen. De actie ‘Geen spoed, geen politie’ kent een opbouw waarbij iedere week met één dag wordt uitgebreid. Concreet betekent dit dat in week 36 slechts nog politiebegeleiding zal plaatsvinden op zaterdag en zondag en in week 37 alleen op zondag. Vanaf week 38 zal er in het geheel geen assistentie aan deurwaarders meer verleend worden. Uiteraard kunnen deurwaarders een beroep blijven doen op politie-inzet op het moment dat zich een calamiteit voordoet. Voor dergelijke meldingen blijft de politie beschikbaar.”

2.7.

Op 28 augustus 2015 hebben de Staat en de KBvG de politiebonden gesommeerd deze aangekondigde uitbreiding van de actie te annuleren. Daarbij heeft de Staat te kennen gegeven dat hij openstaat voor het bespreken van een alternatief voor de actie en de suggestie gedaan om daar op 31 augustus 2015 over te spreken.

2.8.

Op 31 augustus 2015 hebben de politiebonden kenbaar gemaakt dat zij geen gehoor geven aan de sommatie.

3 Het geschil

3.1

De Staat en de KBvG vorderen – zakelijk weergegeven – de politiebonden uitvoerbaar bij voorraad en op straffe van een dwangsom van € 25.000,= te bevelen:

  1. de oproep tot het voeren van actie, inhoudende het stopzetten van politieassistentie aan gerechtsdeurwaarders als omschreven in de aanzegging van 27 augustus 2015 en hun medewerking aan het voeren van deze actie en hun bijdrage daaraan in wat voor vorm dan ook, te beëindigen;

  2. met onmiddellijke ingang, doch uiterlijk binnen twee uur na de uitspraak aan haar leden, danwel de betrokken politieambtenaren bekend te maken dat de aangekondigde of reeds aangevangen actie onrechtmatig is en/of dat het haar leden, dan wel de betrokken politieambtenaren niet is toegestaan op enigerlei wijze de acties doorgang te laten vinden en/of dat de aankondigde of reeds aangevangen acties onmiddellijk dienen te worden beëindigd en ook beëindigd dienen te blijven;

3.2.

De Staat en de KBvG stellen – samengevat – dat de aangekondigde actie, die de uitvoering van de wettelijke taak van de gerechtsdeurwaarder in essentiële mate onmogelijk maakt, de grenzen van het recht op collectieve actie (ver) overschrijdt en onrechtmatig is jegens de Staat en de KBvG.

3.3.

De politiebonden voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het stakingsrecht wordt beheerst door artikel 6, aanhef en onder 4, Europees Sociaal Handvest (ESH) dat rechtstreekse werking heeft in Nederland. “Teneinde de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen” erkent deze bepaling het recht “van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten”.

4.2.

Als een collectieve actie in beginsel wordt gedekt door het bepaalde in artikel 6, aanhef en onder 4, ESH, dan moet zij, ondanks de met haar beoogde en op de koop toe te nemen schadelijke gevolgen voor werkgever (de Staat) en derden (zoals de KBvG), in beginsel worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht. Alleen langs de weg van artikel G ESH, overeenkomstig hetgeen op dat punt is aanvaard in de rechtspraak van de Hoge Raad, kan tot het oordeel worden gekomen dat een actie onrechtmatig is jegens de werkgever of derden. Deze in de rechtspraak ontwikkelde vereisten komen erop neer dat moet kunnen worden vastgesteld dat de staking, gelet op de zorgvuldigheid die krachtens art. 6:162 van het Burgerlijk Wetboek in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen ten aanzien van de persoon en de goederen van anderen, in zodanige mate inbreuk maakt op de in artikel G ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn. Onbeperkte uitoefening van het grondrecht is dan jegens allen die daarvan schade ondervinden, onrechtmatig, ook jegens de werkgever. Of dat het geval is, is een vraag van proportionaliteit die slechts kan worden beslist door — met inachtneming van alle in het debat van partijen betrokken, voor het gegeven geval kenmerkende omstandigheden in onderling verband en samenhang — de bij de uitoefening van het grondrecht betrokken belangen af te wegen tegen die waarop inbreuk wordt gemaakt. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de aard en duur van de actie, de verhouding tussen de actie en het daarmee nagestreefde doel, de daardoor veroorzaakte schade aan de belangen van de werkgever of derden, en de aard van die belangen en die schade. In dit verband kan ook (onder omstandigheden zelfs beslissende) betekenis toekomen aan het antwoord op de vraag of de voor stakingsacties geldende procedurele ‘spelregels’ zijn nageleefd. Daargelaten of een scherpe scheiding mogelijk is tussen ‘essentiële’ en ‘niet essentiële’ diensten, geldt verder als uitgangspunt in de rechtspraak dat naarmate een dienst essentiëler is, eerder plaats zal zijn voor beperkingen als bedoeld in artikel G ESH.

4.3.

Partijen nemen tot uitgangspunt dat de actie valt onder het bereik van artikel 6, aanhef en lid 4, ESH. Daarmee is de vraag die moet worden beantwoord of – zoals de Staat en de KBvG vorderen – de uitoefening van het recht op collectief optreden van de politie dient te worden beperkt door de actie te verbieden. Het ligt op de weg van de werkgever (de Staat) of de derde die eist dat de uitoefening van het recht op collectieve actie in het concrete geval wordt beperkt (de KBvG), om aannemelijk te maken dat deze beperking aan het recht op collectieve actie maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is en dus naar de maatstaf van art. G ESH gerechtvaardigd is.

4.4.

De Staat en de KBvG geven te kennen dat zij zich bewust zijn van de binnen het hiervoor weergegeven toetsingskader bestaande ruime mogelijkheden die werknemers, ook in de publieke sector en ook bij de politie, hebben om door middel van enige vorm van collectieve actie hun eisen in CAO-onderhandelingen kracht bij te zetten. Zij onderkennen ook dat overlast inherent is aan het collectieve actierecht en tot op zekere hoogte dient te worden geduld door de werkgever en de samenleving die daar last van heeft, maar betogen dat beperking van de uitoefening van het recht op collectieve actie in dit concrete geval – door het verbieden van de actie – maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk is.

4.5.

De politiebonden voeren onweersproken aan dat zij door de aard van de aan de politie toevertrouwde taken en de daarmee gediende zwaarwegende maatschappelijke belangen van openbare orde en veiligheid beperkt zijn in de keuze van de middelen om door middel van collectieve actie hun doel te bereiken. De politiebonden hebben dit tot uiting laten komen in de door hen gekozen inrichting van de actie, die geen betrekking heeft op bijstand aan gerechtsdeurwaarders in geval van calamiteiten. Het is niet de bedoeling van de politiebonden dat de veiligheid in het geding komt door de actie. Dat maakt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de actie als zodanig veiligheidsrisico’s zal opleveren voor de gerechtsdeurwaarders die – naar niet in geschil is – bij de uitvoering van hun werkzaamheden regelmatig worden geconfronteerd met agressie en geweld. De Staat en de KBvG hebben de door hen uitgesproken veronderstelling dat de actie zal leiden tot meer agressie en geweld niet gesubstantieerd.

4.6.

De Staat en de KBvG benadrukken de wettelijk geregelde bijzondere taak van de gerechtsdeurwaarder in het Nederlandse rechtsbestel. Zij betogen dat de actie inbreuk maakt op het recht van eenieder die een rechterlijk vonnis of beschikking heeft verkregen dit ten uitvoer te laten leggen en wijzen erop dat het tenuitvoerleggen van gerechtelijke uitspraken het logische sluitstuk is van een procedure als niet vrijwillig aan de veroordeling wordt voldaan; de gerechtsdeurwaarder is – zoals het kabinet ook heeft verwoord in het kabinetsstandpunt over het advies van de Commissie evaluatie KBvG van 3 november 2009 (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 123 VI, nr. 64, p 2) – een onmisbare schakel in het rechtsbestel, die zorgt voor de verwezenlijking van het recht. De actie maakt volgens de Staat en de KBvG inbreuk op rechten van fundamentele aard, aangezien het beschikken van een deugdelijke werkend stelsel van tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken en beschikkingen, als sluitstuk van een civielrechtelijke rechtsgang binnen de reikwijdte van artikel 6 EVRM valt.

4.7.

De politiebonden onderschrijven het voorgaande. Daarmee is niet in geschil dat de actie inbreuk maakt op rechten van fundamentele aard. De politiebonden wijzen er echter op dat het systeem als zodanig niet wordt aangetast door de actie, die slechts een deel van de taakuitoefening van de gerechtsdeurwaarder raakt.

4.8.

De actie raakt de taakuitoefening van de gerechtsdeurwaarder waarbij politiebijstand wordt verleend, te weten bij die ontruimingen, beslagen op roerend goed en gijzelingen die politiebijstand behoeven. Zoals hiervoor aan de orde is geweest, verleent de politie tijdens de actie onverminderd bijstand aan gerechtsdeurwaarders in geval van calamiteiten. Daarmee is het concrete gevolg van de actie voor de gerechtsdeurwaarders dat zij bij ontruimingen, beslagen op roerend goed en gijzelingen de plaats niet kunnen betreden die zij voor de tenuitvoerlegging van hun taak moeten betreden, indien die plaats is gesloten of de opening daarvan geweigerd wordt. De politie levert namelijk gedurende de actie geen bijstand op grond van artikel 444 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin is bepaald dat opening van de deuren in zo’n geval geschiedt in tegenwoordigheid van de burgemeester, die zich – zoals in de praktijk steeds gebeurt – kan doen vertegenwoordigen door een politieambtenaar die tevens hulpofficier van justitie is. Daarmee zal – naar niet in geschil – de actie ertoe leiden dat gedurende de actieperiode niet alle ontruimingen, beslagen op roerende goederen en gijzelingen geëffectueerd zullen kunnen worden.

4.9.

Niet ter discussie staat dat de actie niet alleen inbreuk maakt op rechten van fundamentele aard, omdat de gerechtsdeurwaarder wordt beperkt in zijn taak die strekt tot verwezenlijking van het recht, maar ook tot schade leidt, niet alleen bij de schuldeisers, maar ook bij andere betrokkenen zoals de door de Staat en de KBvG genoemde verhuizers en slotenmakers die betrokken zijn bij ontruimingen en inbeslagname van roerende goederen. De Staat en de KBvG betogen dat die schade aanzienlijk is, gegeven het feit dat per jaar zo’n 13.000 ontruimingen met politiebegeleiding plaatsvinden en dat zo’n 100.000 beslagen op roerende goederen worden gelegd, terwijl in ernstige gevallen ook gijzeling aangewezen kan zijn. Zij uiten daarnaast de vrees dat de gerechtsdeurwaarders vaker voor een dichte deur zullen komen te staan, als bekend wordt dat de politie geen bijstand verleent en de gerechtsdeurwaarder dus niet kan binnentreden bij een dichte deur. Dat zal er in hun optiek toe leiden dat een relatief groter aantal ontruimingen en inbeslagnemingen van roerende goederen niet zal kunnen worden uitgevoerd. De KBvG zegt over signalen te beschikken dat dit nu al – na een paar dagen actie – aan de orde is.

4.10.

De politiebonden voeren aan dat de Staat en de KBvG de schade die de actie onmiskenbaar berokkent alleen in algemene termen hebben gesteld en niet nader inzichtelijk hebben gemaakt. De voorzieningenrechter onderschrijft dit. Los van de genoemde aantallen is de schade op geen enkele manier gekwantificeerd. Verder is bijvoorbeeld niet in geschil dat te ontruimen woningen in vele gevallen al blijken te zijn verlaten, hoewel dit vaak pas kan worden vastgesteld wanneer het pand eenmaal is betreden. Onduidelijk is in welk aantal (of percentage) van het door de Staat en de KBvG genoemde aantal beslagen op roerende goederen politiebijstand nodig is en of en in hoeverre die bijstand benodigd is voor het binnentreden. De daardoor ontstane schade wordt bovendien gemitigeerd door het gegeven dat, volgens de mededeling van de politiebonden tijdens de behandeling ter zitting, politieambtenaren in schrijnende gevallen – bijvoorbeeld de incasso van alimentatievorderingen – de actie even zullen staken. De Staat en de KBvG wijzen erop dat beslag op roerende goederen vaak met (hevige) emoties gepaard gaat. De actie raakt het politieoptreden bij calamiteiten echter niet. Deze kanttekeningen bij de gestelde schade nemen niet weg dat ook tussen partijen vaststaat dat de actie aanzienlijke schade kan berokkenen, zowel economisch als anderszins.

4.11.

De inbreuk op fundamentele rechten en de aanzienlijke schade waar de actie toe kan leiden is op dit moment niet zodanig dat het noopt tot het oordeel dat de actie een zodanige inbreuk maakt op de in artikel G ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat beperking van de uitoefening van het stakingsrecht maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk is.

4.12.

Het voorgaande geldt ook als in aanmerking wordt genomen dat de actie vier dagen tevoren, alleen aan de Staat en voor onbepaalde tijd is aangezegd. De Staat en de KBvG wijzen er terecht op dat vanwege de onbepaalde duur van de aanzegging niet te voorspellen is wanneer de gerechtsdeurwaarders weer wel op politiebijstand kunnen rekenen en dat onduidelijk is hoe lang de schade doorloopt. De onzekerheid die inherent is aan de aanzegging van een actie van onbepaalde duur legt bij deze stand van zaken onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het stakingsrecht van de politie. Dat geldt ook voor wat de Staat en de KBvG naar voren brengen over de ontwikkelingen die zich inmiddels in de onderhandelingen hebben voorgedaan; die nemen het recht van de politiebonden om hun eisen kracht bij te zetten door collectieve actie niet weg en wegen daar bij deze stand van zaken niet tegen op.

4.13.

De slotsom van het voorgaande is dat op dit moment, in de gegeven omstandigheden maatschappelijk bezien geen dringende noodzaak bestaat om de uitoefening van het recht op collectieve actie door de politiebonden te beperken. Daarmee is de actie niet onrechtmatig jegens de Staat en de KBvG en is er geen grond om deze te verbieden. Hierbij wordt aangetekend dat deze de afweging mogelijk anders kan uitvallen naarmate de actie langer voortduurt.

4.14.

De vorderingen worden dan ook afgewezen, met veroordeling van de Staat en de KBvG in de kosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt de Staat en de KBvG in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de politiebonden begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2015.

hvd