Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10309

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
C/09/484147 / HA ZA 15-278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Groepsaansprakelijkheid 6:166 BW; materiële en immateriële schadevergoeding na mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/484147 / HA ZA 15-278

Vonnis van 26 augustus 2015 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. O. Arslan te Den Haag,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. W. Knoester te Den Haag.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 20 mei 2015;

  • -

    het B-8 formulier zijdens eiser d.d. 28 juli 2015, met bijlagen;

  • -

    de brief zijdens gedaagden d.d. 30 juli 2015, met bijlagen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 augustus 2015.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 18 juni 2013 is tegen [eiser] fysiek geweld gebruikt door een aantal personen.

2.2.

Aansluitend aan dit geweld is op de spoedeisende hulp bij [eiser] een schouderluxatie geconstateerd.

2.3.

[eiser] heeft aangifte gedaan van het geweld. Gedaagden zijn naar aanleiding van deze aangifte aangehouden als verdachten.

2.4.

De officier van justitie heeft [gedaagde 1] bij brief van 14 november 2013 bericht hem onder voorwaarden niet te zullen vervolgen, “(…) op grond van het feit dat jouw aandeel in het gebeuren van betrekkelijk geringe aard/omvang is geweest (…)”.

2.5.

Gedaagden [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben ieder ingestemd met een door het openbaar ministerie voorgestelde taakstraf-transactie in verband met openlijke geweldpleging, onder de voorwaarde van vergoeding van toegebrachte schade ad € 167,-.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – te verklaren voor recht dat gedaagden onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld, met veroordeling in de schade nader op te maken bij staat.

3.2.

Gedaagden voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Aansprakelijkheid

4.1.

Gedaagden erkennen deel te hebben uitgemaakt van de groep personen die [eiser] op de bewuste avond heeft ontmoet. Zij betwisten echter persoonlijk geweld tegen [eiser] te hebben gebruikt en stellen dat niet is voldaan aan de criteria van artikel 6:166 BW (groepsaansprakelijkheid).

4.2.

Artikel 6:166 BW, eerste lid, bepaalt dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.

4.3.

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben tegenover het openbaar ministerie ingestemd met een transactie terzake overtreding van artikel 141 Wetboek van Strafrecht. Daarmee hebben zij tegenover het openbaar ministerie erkend met anderen geweld jegens [eiser] te hebben gebruikt. Wanneer daarvan sprake is, is voldaan aan de criteria voor groepsaansprakelijkheid. De stellingen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in deze procedure komen feitelijk neer op een ontkenning van hetgeen zij tegenover het openbaar ministerie hebben erkend. Zij hebben hun stellingen dienaangaande echter op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat zij onvoldoende gemotiveerd hebben betwist in groepsverband te hebben bijgedragen aan het jegens [eiser] gebruikte geweld en dat zij derhalve persoonlijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden schade.

4.4.

Ten aanzien van [gedaagde 1] is de rechtbank van oordeel dat [eiser] met zijn verwijzing naar de hiervoor onder 2.4 genoemde brief voldoende heeft gesteld dat ook [gedaagde 1] een aandeel in de openlijke geweldpleging heeft gehad, zodanig dat sprake is van groepsaansprakelijkheid jegens [eiser] . Uit de brief blijkt immers dat de reden van het voorwaardelijke sepot is gelegen in de omstandigheid dat de officier het aandeel van [gedaagde 1] “betrekkelijk gering” acht, en niet dat [gedaagde 1] geen enkele betrokkenheid bij de geweldpleging zou hebben gehad. Als verdachte wordt [gedaagde 1] geacht over het volledige politiedossier te kunnen beschikken, terwijl dat van [eiser] als slachtoffer niet verwacht kan worden. Het had daarom op de weg van [gedaagde 1] gelegen om in het kader van zijn verweer met overlegging van de relevante processen-verbaal aan te geven waarom hij ten onrechte als verdachte is aangemerkt. Nu hij dat heeft nagelaten en zijn blote ontkenning ook niet nader heeft onderbouwd, gaat de rechtbank ook ten aanzien van [gedaagde 1] er vanuit dat hij tenminste een passieve bijdrage heeft geleverd aan het geweld dat in groepsverband heeft plaatsgevonden en dat hij derhalve aansprakelijk voor de door [eiser] dientengevolge geleden schade.

4.5.

Voor zover gedaagden een beroep doen op (gedeeltelijke) eigen schuld van [eiser] , gaat de rechtbank daaraan voorbij nu [eiser] de door gedaagden geschetste feitelijke gang van zaken heeft betwist en gedaagden deze op geen enkele wijze nader hebben onderbouwd.

Schade

4.6.

De rechtbank zal in het navolgende de schade van [eiser] begroten op grond van artikel 612 Rv, op basis van de door hem gestelde en ter zitting besproken schadeposten, nu gesteld noch gebleken is dat geen sprake is van een eindtoestand. [eiser] heeft zijn schade als volgt begroot:

Smartengeld: PM;

Ziekenhuiskosten € 633,56;

Ziekenhuiskosten € 94,39;

Verhuiskosten: PM;

Ambulancekosten € 464,98;

Taxikosten (vervoer ziekenhuis): € 67,-;

Gederfde inkomsten Sprangk € 12.511,44 (van 1 augustus 2014 tot en met juli 2015).

4.7.

De rechtbank houdt geen rekening met de gestelde gederfde inkomsten. [eiser] heeft, toen hij zijn leertraject bij Sprangk niet heeft afgemaakt, een uitkering ontvangen die hoger is dan de vergoeding die hij van Sprangk zou hebben ontvangen. Dat [eiser] na afronding van het traject bij Sprangk elders een veel hoger inkomen zou hebben genoten, is in het kader van de gemotiveerde betwisting onvoldoende feitelijk onderbouwd, terwijl hij daartoe expliciet in de gelegenheid is gesteld. De rechtbank heeft in dit verband voorafgaand aan de comparitie stukken opgevraagd en het onderwerp is ter zitting uitgebreid besproken. Desondanks heeft [eiser] geen nadere informatie verstrekt. De rechtbank komt derhalve niet toe aan bewijslevering.

4.8.

De rechtbank houdt evenmin rekening met verhuiskosten, nu [eiser] in het licht van de gemotiveerde betwisting onvoldoende heeft gesteld om te komen tot vaststelling van een causaal verband tussen deze – overigens ongespecificeerde – kosten en het tegen hem gebruikte geweld. Dat [eiser] – zoals hij stelt – door het hem aangedane geweld psychische problemen heeft gekregen, dan wel dat deze hierdoor zijn verergerd, verklaart op zich niet waarom [eiser] genoodzaakt was te verhuizen.

4.9.

Niet betwist is dat de kosten van de ambulance en het ziekenhuis verband houden met het letsel. De rechtbank zal deze toewijzen voor zover het de zuivere notabedragen betreft en met uitzondering van de nota die betrekking heeft op het consult waarop [eiser] niet is verschenen. Die laatste kosten hadden – evenals de aanmaningskosten en gevorderde rente – niet gemaakt hoeven worden en komen gelet op de schadebeperkingsplicht van [eiser] niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal derhalve toewijzen het notabedrag van het ziekenhuis ad € 532,57 en het notabedrag van de ambulancemaatschappij ad € 464,98.

4.10.

De rechtbank gaat – gelet op het navolgende – voorbij aan hetgeen gedaagden naar voren hebben gebracht ten aanzien van de authenticiteit van de door [eiser] overgelegde taxibonnen. Vast staat dat [eiser] een geluxeerde schouder had. Niet betwist is dat [eiser] de dag nadat het geweld had plaatsgevonden is teruggekeerd naar het ziekenhuis in verband met pijnklachten. Dat hij onder die omstandigheden gebruik heeft gemaakt van een taxi acht de rechtbank niet onredelijk. Bovendien komt de hoogte van de taxibon die ziet op 19 juni 2013, namelijk een bedrag ad € 21,60, de rechtbank niet onredelijk voor zodat deze vordering tot zover toewijsbaar is.

Voor zover [eiser] hogere taxikosten heeft gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak om gebruik te maken van een taxi niet is komen vast te staan, zodat de rechtbank aan die kosten voorbij gaat.

4.11.

[eiser] heeft gesteld dat zijn jas ten gevolge van het hem toegebrachte geweld is gescheurd. Gedaagden hebben dit betwist en nu [eiser] voorafgaand aan de zitting door de rechtbank is verzocht deze schade nader te onderbouwen en [eiser] dat heeft nagelaten, gaat de rechtbank aan deze post voorbij.

4.12.

De rechtbank zal het hierna te vermelden bedrag toewijzen aan immateriële schadevergoeding. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is betwist dat [eiser] na 18 juni 2013 gedurende een jaar nog drie keer opnieuw een geluxeerde schouder heeft gehad en dat aannemelijk is dat de noodzaak om zijn schouder te ontzien, hem nog steeds belemmert bij het sporten op intensieve wijze zoals hij deed voorafgaand aan de geweldpleging. Voorts blijkt uit de notities van de huisarts dat [eiser] door het hem aangedane geweld last heeft gehad van angsten, waarvoor hem psychologische hulp is aangeboden. Tenslotte neemt de rechtbank in haar overweging mee dat de schade het gevolg is van opzettelijke mishandeling. De rechtbank acht een bedrag ad € 1.000,- aan immateriële schadevergoeding passend bij hetgeen gelet hierop gebruikelijk is naar de huidige Nederlandse maatstaven.

4.13.

Nu [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ieder reeds een bedrag ad € 167,- aan schadevergoeding hebben betaald, zal de rechtbank dit bedrag in mindering brengen op het totale toe te wijzen bedrag. De rechtbank zal derhalve toewijzen een bedrag ad afgerond € 1.685,00.

4.14.

De vordering zag op verwijzing naar de schadestaatprocedure en derhalve is geen wettelijke rente gevorderd. Nu de rechtbank de schade thans begroot, zal worden bepaald dat de toegewezen schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente per datum dagvaarding.

4.15.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 300,30

- griffierecht € 78,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.282,30

4.16.

Voor de door [eiser] gevorderde veroordeling van gedaagden in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

4.17.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 1.685,00, te vermeerderen met de wettelijke rente per 25 februari 2015;

4.18.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zijn bevrijd, om voor de proceskosten van [eiser] te betalen ten eerste aan de griffier van deze rechtbank na ontvangst van een nota een bedrag ad € 300,30 voor deurwaarderskosten (inclusief BTW), en ten tweede aan [eiser] een totaalbedrag ad € 982,00 voor betaald griffierecht en forfaitair salaris advocaat;

4.19.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.20.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2015.1

1 type: coll: