Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10278

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
15/8288
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

regulier, Turkije, arbeid als zelfstandige, inreisverbod, hoorplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/8288

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. K. Bruin.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 april 2015 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 25 juni 2015. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig M. Ates, tolk in de Turkse taal, en de heer en mevrouw [naam 2] , de zakenpartners van eiser.

Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van de uitspraak eenmaal verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Turkse nationaliteit.

Eiser verblijft sinds onbekende datum in Nederland en heeft sinds 1998 zonder resultaat meerdere vreemdelingrechtelijke procedures gevoerd.

2. Op 6 november 2014 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige bij Amin supermarkt’. Bij de aanvraag heeft eiser de volgende stukken overgelegd:

- een ondernemingsplan ‘Amin Supermarkt’ van 27 oktober 2014 opgesteld door

[naam 1] (eiser);

- een onvolledig uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

3. Bij brief van 27 januari 2015 heeft verweerder gesteld voornemens te zijn eiser een inreisverbod op te leggen voor de duur van twee jaren. Hiertegen heeft eiser op 10 februari 2015 een zienswijze ingediend.

4. Bij besluit van 6 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren en de aanvraag afgewezen. Verweerder stelt dat het ondernemingsplan in algemene bewoordingen is opgesteld, onvolledig is en niet met (objectief verifieerbare) bewijsstukken is onderbouwd, zoals omschreven in het aanvraagformulier en in hoofdstuk B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Hierdoor kan de minister van Economische Zaken (EZ) niet beoordelen of de door eiser te verrichten arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang dient. Omdat de vennootschap onder firma ‘Amin Supermarkt’ de voortzetting betreft van de op 29 september 2011 gestarte eenmanszaak ‘Amin Supermarkt’ wordt van eiser verlangd dat hij van beide ondernemingen stukken kan overleggen.

5. Ter onderbouwing van zijn bezwaar gericht tegen de afwijzing van de aanvraag heeft eiser geen aanvullende stukken overgelegd.

6. Verweerder heeft in het bestreden besluit – kort samengevat – overwogen dat eiser het opgelegde inreisverbod niet heeft betwist en dat de aanvraag op juiste gronden is afgewezen. Immers, ook in bezwaar heeft eiser geen volledig met stukken onderbouwd ondernemingsplan overgelegd, zodat er evenmin in bezwaar aanleiding bestaat om de aanvraag voor advies aan de minister van EZ voor te leggen. Daarom heeft verweerder ook van het horen van eiser afgezien.

7. Eiser heeft – kort samengevat – in beroep aangevoerd dat het inreisverbod in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: de standstill-bepaling), en dat hij onrechte niet in bezwaar is gehoord.

Verder is hem in bezwaar geen redelijke termijn gegund voor het overleggen van aanvullende stukken. Met zijn onderneming wordt wel degelijk een wezenlijk Nederlands belang gediend. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser in beroep aanvullende stukken overgelegd. Eiser verzoekt ter voorkoming van een nieuwe procedure om toepassing van de bestuurlijke lus.

De rechtbank overweegt als volgt.

8. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van verweerder een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Volgens paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 dient een vreemdeling voor de beoordeling van de adviesaanvraag bij het ministerie van EZ onder meer een volledig en met stukken onderbouwd ondernemingsplan over te leggen. Het ondernemingsplan dient informatie te bevatten over persoonlijke gegevens van de ondernemer, over het product of de dienst, een marktanalyse toegespitst op het eigen product of dienst, organisatie, balans, omzet- en liquiditeitsprognose inclusief berekeningen, specificatie en begroting arbeidscreatie en investeringen. Voorts dient de vreemdeling financiële gegevens, zoals omzetgegevens, jaarrekeningen, belastinggegevens, loonstaten en loonaangiften over te leggen. Financiële bewijsstukken moeten zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser zowel in de aanvraag- als in de bezwaarfase geen volledig met objectieve stukken onderbouwd ondernemingsplan heeft overgelegd, als bedoeld in paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het overgelegde ondernemingsplan summier is en niet is onderbouwd met objectief verifieerbare stukken. Gelet op het aanvraagformulier, voornoemde paragraaf van de Vc 2000, en het primaire besluit, had het eiser al geruime tijd genoegzaam duidelijk kunnen zijn welke stukken ontbreken. De stelling van eiser dat hij onvoldoende tijd heeft gekregen om stukken over te leggen, wordt dan ook niet gevolgd. Eiser heeft niet betoogd dat hij daarover niet redelijkerwijs de beschikking kon krijgen. Eiser had de aanvullende stukken gelet op artikel 4:2, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 3.102, eerste lid van het Vb 2000 reeds in de aanvraagfase, doch uiterlijk in de bezwaarfase moeten verstrekken. Dat de aanvullende stukken als gevolg van een slechte communicatie tussen eiser en zijn vorige gemachtigde pas in beroep zijn overgelegd, komt voor rekening en risico van eiser. De door eiser eerst in beroep overgelegde stukken kunnen dan ook niet in de beoordeling worden betrokken.

10. Op grond van het voorgaande heeft verweerder de aanvraag van eiser terecht gelet op paragraaf B6/4.5 van de Vc 2000 niet voor advies aan het ministerie van EZ voorgelegd. Verweerder heeft de aanvraag van eiser derhalve terecht afgewezen nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem beoogde arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang dient.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte van het horen van eiser in bezwaar afgezien. Er was immers op voorhand redelijkerwijs geen twijfel dat de bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit, nu eiser ook in bezwaar de ontbrekende stukken niet heeft overgelegd.

12. De rechtbank is voorts van oordeel dat het aan eiser opgelegde inreisverbod niet in strijd is met de standstill-bepaling en overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft eiser bij de in het verleden ingediende aanvragen eerder de aanzegging gedaan Nederland te verlaten. In zowel de vorige procedures als in onderhavige procedure is vast komen te staan dat eiser niet in aanmerking komt voor de door hem gevraagde vergunning. Dit betekent dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en op hem de rechtsplicht rust Nederland te verlaten. De standstill-bepaling is, gezien eisers illegale status, niet op hem van toepassing. De standstill-bepaling ziet immers niet op vreemdelingen die illegaal in Nederland verblijven en daarmee niet op inreisverboden.

13. De stelling van eiser, dat verweerder hem in het kader van het inreisverbod ten onrechte niet heeft gehoord, slaagt evenmin. Verweerder heeft immers in het voornemen van 27 januari 2015 nadrukkelijk vermeld dat eiser omstandigheden kan aanvoeren waarom hem geen inreisverbod kan worden opgelegd of waarom het inreisverbod moet worden bekort. Eiser heeft hierop bij zienswijze van 10 februari 2015 gereageerd. Verweerder heeft in het primaire besluit gemotiveerd overwogen waarom de door eiser aangevoerde redenen geen aanleiding geven om af te zien van het voorgenomen inreisverbod. De door verweerder gehanteerde werkwijze is geheel in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraak van 10 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8933).

14. Gezien het voorgaande is het beroep ongegrond.

15. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.