Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10275

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2015
Datum publicatie
11-09-2015
Zaaknummer
C/09/490114 KG ZA 15/817
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Toewijzing vordering tot nakoming overeenkomst op grond waarvan de man aan zijn ex-partner en zijn kinderen een maandelijkse bijdrage moet betalen . Geen ordemaatregel in afwachting van de door de man gestarte bodemprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/490114 / KG ZA 15/817

Vonnis in kort geding van 3 augustus 2015

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.F.M. van Weegberg te Den Haag,

tegen:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. F. Borger van der Burg-Holstege te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord tevens houdende een eis in reconventie, met producties;

- de op 27 juli 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond. Tijdens deze relatie zijn geboren de thans nog minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , op [geboortedatum 1] , [minderjarige 2] , op [geboortedatum 2] en [minderjarige 3] , op [geboortedatum 3] (hierna: de minderjarigen). De man heeft de minderjarigen erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over hen.

2.2.

Partijen hebben de gevolgen van de beëindiging van hun relatie en samenwoning geregeld in een op 1 juli 2009 door hen ondertekend convenant (hierna: de overeenkomst). Hierin staat onder meer vermeld:

“(…)

Artikel 1 – Alimentatie vrouw

1. Partijen komen overeen dat de vrouw na ondertekening van dit convenant, met ingang van 1 juli 2009, een alimentatie van € 2.000,- bruto per maand ontvangt. Partijen hebben bij de hoogte van deze alimentatieverplichting rekening gehouden met de draagkracht van de man en het feit dat de vrouw geen eigen inkomsten uit arbeid geniet.

2. De in lid 1 genoemde alimentatie zal uiterlijk worden beëindigd op 31 december 2020.

(…)

5. Indien de vrouw een (nieuw) huwelijk of een geregistreerd partnerschap aangaat eindigt met ingang van de dag van sluiting van dat huwelijk of van dat geregistreerd partnerschap de verplichting van de man om alimentatie aan de vrouw te betalen.

6. Vanaf het moment waarop de vrouw met een ander duurzaam zal gaan samenleven als gehuwden of geregistreerde partners, vervalt de alimentatieverplichting niet onmiddellijk, mits de vrouw die samenleving voor of direct na ingang daarvan schriftelijk heeft gemeld aan de man (…). In dat geval wordt de alimentatieplicht van de man gedurende één jaar opgeschort. Wordt aan de hiervoor genoemde voorwaarden niet voldaan, dan geldt bij samenleving als gehuwden of geregistreerde partners het bepaalde in lid 5 van dit artikel onverkort. (…)

7. Zodra het jongste kind van partijen, [minderjarige 3] , de leeftijd van 4 jaren heeft bereikt, verplicht de vrouw zich te gaan solliciteren naar passende betaalde arbeid. Het in lid 1 genoemde bedrag aan alimentatie zal op jaarbasis vanaf het moment waarop zij in dienst treedt bij een werkgever, worden verminderd overeenkomstig de volgende staffel:

(…)

Artikel 2 – Kinderalimentatie/omgangsregeling

(…)

2. De man zal als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen aan de vrouw betalen een bedrag van € 400,- per kind per maand (…)”

2.3.

De man heeft op 13 oktober 2014 een verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank, waarin hij heeft verzocht, kort gezegd, de door hem te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 7 december 2010, althans met ingang van een andere datum, op nihil te stellen, althans een op lager bedrag dan € 2.000,- bruto per maand voor de duur van twee jaren na indiening van het verzoek, dan wel een andere duur. De vrouw heeft in die procedure (hierna: de bodemprocedure) een verweerschrift ingediend. Na verwijzing van de zaak naar de dagvaardingsprocedure staat de zaak thans gepland voor een comparitie van partijen op 15 oktober 2015.

2.4.

De man is vanaf maart 2015 gestopt met de betaling van voormelde bijdrage voor de vrouw. Hij betaalt wel nog voormelde bijdrage voor de minderjarigen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – de man te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst inzake de partneralimentatie en de kinderalimentatie en daarbij te bepalen dat de man vooralsnog, met ingang van 1 juli 2009, als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, althans een andere datum, € 2.000,- per maand dient te betalen, althans een ander bedrag, en als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen € 400,- per maand per kind, althans een ander bedrag, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van de man in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De man is ten onrechte gestopt met de betaling van de door partijen overeengekomen bijdrage voor de vrouw. Hij voert weliswaar diverse redenen aan op grond waarvan de bijdrage volgens hem moet worden verlaagd, maar of dat gegronde redenen zijn – hetgeen de vrouw betwist – moet en zal in de bodemprocedure worden beoordeeld. Tot die tijd dient de man de overeenkomst na te komen. De vrouw verkeert thans in grote financiële problemen. Zij kan, met slechts haar eigen inkomen van thans € 500,- netto per maand, haar vaste lasten niet voldoen, zodat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen.

3.3.

De man voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

in reconventie

3.4.

De man vordert – zakelijk weergegeven – de betaling van de door hem te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw voorlopig op nihil te stellen dan wel op een lager bedrag dan € 2.000,- met ingang van 7 december 2010 (volgens de aangekondigde eis in reconventie) dan wel met ingang van datum in het heden gelegen (zo begrijpt de voorzieningenrechter de afsluitende opmerking van de man in zijn pleitnota), met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.

3.5.

Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Er zijn diverse redenen op grond waarvan de overeenkomst gewijzigd dient te worden; naar analogie van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, op grond van de overeenkomst zelf en op grond van de redelijkheid en billijkheid. De door de man te betalen bijdrage aan de vrouw dient op grond daarvan op nihil te worden gesteld dan wel te worden verlaagd. De man wijst hierbij op diverse omstandigheden, te weten dat de vrouw de in de overeenkomst opgenomen sollicitatieplicht niet is nagekomen (hetgeen ook wanprestatie oplevert) waardoor zij thans niet in staat is om in eigen levensonderhoud te voorzien zoals wel de bedoeling was van partijen. Voorts stelt de man dat hij de overeengekomen bijdrage niet meer kan betalen, nu zijn inkomen sinds het uiteengaan van partijen drastisch is gedaald. Verder heeft de vrouw een nieuwe partner met wie zij duurzaam is gaan samenleven als ware zij gehuwd en is er thans geen lotsverbondenheid meer tussen partijen. Ook heeft hij bij het aangaan van de overeenkomst gedwaald ten aanzien van (de duur van) zijn verplichtingen jegens de vrouw, aldus de man.

3.6.

De vrouw voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

4.1.

Gezien de nauwe samenhang tussen de over en weer ingestelde vorderingen, zal de voorzieningenrechter deze tezamen behandelen.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Vaststaat dat de overeenkomst thans nog tussen partijen van kracht is – deze is immers niet op enigerlei wijze beëindigd – zodat de man zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst in beginsel dient na te komen. De man meent weliswaar dat er redenen zijn op grond waarvan de overeenkomst gewijzigd dient te worden, maar dat maakt het vorenstaande niet anders. Dat ligt immers in de bodemprocedure aan de rechtbank voor en daarover is thans nog niet beslist.

4.3.

Volgens de man dient er echter een voorlopige voorziening te worden getroffen, inhoudende dat de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage reeds thans op een lager bedrag wordt gesteld, vooruitlopend op de beslissing in de bodemprocedure. Of er aanleiding is voor het treffen van een dergelijke spoedvoorziening hangt onder meer af van de voorlopige merites van de zaak. De voorzieningenrechter overweegt daaromtrent dat in de bodemprocedure diverse juridische en feitelijke geschilpunten tussen partijen ter beoordeling voorliggen. Dit betreft onder meer de uitleg van de overeenkomst en de bedoeling van partijen bij het sluiten van de overeenkomst. Verder is de behoefte van de vrouw tussen partijen in geschil, waarbij de in de overeenkomst opgenomen sollicitatieplicht een rol speelt, alsmede de draagkracht van de man, die zelfstandig ondernemer is. Voorts is aan de orde of de vrouw al dan niet samenwoont met haar nieuwe partner als waren zij gehuwd en is de vraag of de man ten tijde van de overeenkomst heeft gedwaald, een en ander zoals volgens de man het geval is, maar hetgeen door de vrouw wordt betwist. Voor de beoordeling hiervan is niet alleen een nader onderzoek naar de feiten noodzakelijk, waar dit kort geding zich niet voor leent, maar daarnaast speelt ook uitleg en de redelijkheid en billijkheid een rol, waarbij verschillende uitkomsten mogelijk en denkbaar zijn. Gelet hierop kan in dit geding niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid worden voorspeld wat de uitkomst van de bodemprocedure zal zijn.

4.4.

Bij de vraag of er een voorlopige voorziening dient te worden getroffen dienen voorts de belangen van partijen te worden afgewogen. Voldoende aannemelijk is dat de gevolgen van het achterwege blijven van de betaling door de man van de overeengekomen bijdrage aan de vrouw, die volgens haar onweersproken stelling thans een eigen inkomen heeft van € 500,- per maand, zeer ingrijpend voor haar zijn, hetgeen de man ook niet heeft betwist. De man heeft daartegenover gesteld onvoldoende draagkracht te hebben om in de toekomst de overeengekomen bijdrage aan de vrouw te blijven betalen – uit de door de man overgelegde draagkrachtberekening volgt een draagkracht voor betaling van een bijdrage aan de vrouw van € 555,- per maand (naast betaling van de bijdrage voor de minderjarigen) – en hij stelt dat dit op den duur zal leiden tot een faillissement. De man heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat doorbetaling van de overeengekomen bijdragen gedurende de nog relatief korte periode tot de uitkomst van de bodemprocedure bekend is – welke procedure zich zoals vermeld onder 2.3 al in een gevorderd stadium bevindt – tot nijpende financiële problemen aan zijn zijde zal leiden.

4.5.

Het vorenstaande in aanmerking nemende is de door de man gevorderde voorziening om de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage voorlopig op een lager bedrag vast te stellen niet voor toewijzing vatbaar. De door de vrouw gevorderde voorziening tot nakoming van de overeenkomst is wel voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om thans een voorziening te treffen voor de periode in het verleden, te weten vanaf 2009 zoals door de vrouw is gevorderd, mede omdat in de bodemprocedure ook is gevorderd om terugwerkende kracht aan de wijziging van de alimentatie te verbinden. De voorzieningenrechter zal als ordemaatregel bepalen dat de man de overeenkomst dient na te komen, inhoudende dat hij voorlopig weer, met ingang van de maand augustus 2015, een bedrag van € 2.000,- voor het levensonderhoud van de vrouw en een bedrag van € 400,- per maand per kind in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw dient te betalen, waarbij hij de bijdrage voor augustus 2015 binnen een week na de datum van dit vonnis aan de vrouw dient te betalen. De voorzieningenrechter wijst er ten overvloede op dat dit een voorlopige ordemaatregel betreft die geen nadeel kan toebrengen aan het bodemgeschil, zodat niet uitgesloten kan worden dat de vrouw een bedrag aan de man zal moeten terugbetalen.

4.6.

Nu de vrouw, gezien het dictum als hierna vermeld, dit vonnis kan executeren en op die wijze de voorlopig vastgestelde bijdragen bij de man kan innen, ziet de voorzieningenrechter reeds hierom geen aanleiding voor toewijzing van de gevorderde dwangsom.

4.7.

In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij (zowel in conventie als in reconventie) de eigen proceskosten draagt. In het door de vrouw gestelde ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

5.1.

veroordeelt de man tot nakoming van de overeenkomst, inhoudende dat hij voorlopig met ingang van de maand augustus 2015 een bedrag van € 2.000,- voor het levensonderhoud van de vrouw en een bedrag van € 400,- per maand per kind in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw dient te betalen, bij vooruitbetaling te voldoen, waarbij hij de bijdragen voor de maand augustus 2015, voor zover hij deze nog niet heeft betaald, binnen een week na de datum van dit vonnis aan de vrouw dient te betalen;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

5.5.

wijst het gevorderde af;

5.6.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2015.

ts