Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10251

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 9478
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:1521, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser is een navorderingsaanslag IB/PVV 2007 opgelegd in verband met de betaling van een afkoopsom. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag tijdig is opgelegd nu de navorderingstermijn moet worden verlengd met het namens eiser verzochte en op grond van de beconregeling verleende uitstel. De omstandigheid dat eiser met het uitstelverzoek niet bekend was, doet hier niet aan af. De afkoopsom is, ondanks het feit dat eiser deze aan een charitatieve instelling heeft laten uitbetalen, door eiser genoten. De navorderingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. De opgelegde boete van € 4.000 is passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1884
FutD 2015-2175
NTFR 2015/2492
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/9478

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.L.M. van der Sande),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (de navorderingsaanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 139.455 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 103.869. Tevens is bij afzonderlijke beschikkingen een boete van € 4.000 opgelegd en is heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag en de boetebeschikking alsmede de heffingsrentebeschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door [persoon A], kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon B] en [persoon C].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was tot 2001 als zelfstandig belastingadviseur werkzaam. In 2001 heeft eiser zijn onderneming overgedragen aan een derde partij welke per 1 januari 2005 is gefuseerd met [X] B.V. ([X BV]). [X BV] verzorgt de aangifte vennootschapsbelasting voor [Y] B.V., van welke vennootschap eiser directeur-grootaandeelhouder is. Voor het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting wordt jaarlijks gebruik gemaakt van de Uitstelregeling belastingconsulenten (Becon-regeling).

2. Eiser heeft [X BV] verzocht om uitstel voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor jaar 2005 aan te vragen. [X BV] heeft eiser vervolgens jaarlijks aangemeld voor de Becon-regeling. Voor de aangifte IB/PVV 2007 heeft verweerder op verzoek van [X BV] uitstel verleend tot 1 mei 2009.

3. Eiser was van 1 oktober 2004 tot en met 16 januari 2007 bestuurder van de stichting [stichting] (de stichting). Voor zijn werkzaamheden kreeg hij een vergoeding die werd belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Eiser heeft op 16 januari 2007 met [Z] B.V. (Z. B.V.) een overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat eiser terugtreedt als bestuurder van de stichting en dat Z. B.V. aan eiser een vergoeding betaalt van € 100.000 als afkoopsom (de afkoopsom). De betaling van de afkoopsom geschiedt op de rekening van de Stichting [K] (Stichting K).

4. Eiser heeft op 15 maart 2008 zijn aangifte IB/PVV 2007 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.817 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 103.869. De afkoopsom is niet in de aangifte opgenomen. Verweerder heeft de aanslag IB/PVV 2007 met dagtekening 26 februari 2010 conform de herziene aangifte opgelegd.

5. Naar aanleiding van een bij Z. B.V. ingesteld boekenonderzoek is, met dagtekening 21 januari 2014, ter zake van de afkoopsom de navorderingsaanslag opgelegd, waarbij verweerder de afkoopsom heeft belast als resultaat uit overige werkzaamheden en rekening heeft gehouden met de maximale giftenaftrek.

Geschil
6. In geschil is of de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd. Zo ja, dan is in geschil of de afkoopsom behoort tot eisers belastbare inkomen uit werk en woning. Eiser beantwoordt deze vragen ontkennend en verweerder bevestigend.

7. Eiser stelt primair dat de navorderingsaanslag buiten de wettelijke termijn is opgelegd aangezien hem niet kenbaar was dat uitstel voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2007 was verleend. Hij was niet op de hoogte van een aanvraag voor uitstel door [X BV] en heeft daarvoor geen toestemming gegeven. Subsidiair stelt hij dat de afkoopsom niet als onderdeel van zijn belastbare inkomen dient te worden aangemerkt aangezien de werkzaamheden voor de stichting liefdadigheidswerk betroffen en de afkoopsom door Z. B.V. aan een ideële stichting is uitbetaald. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag alsmede van de boetebeschikking en de heffingsrentebeschikking.

8. Verweerder stelt dat de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd aangezien Becon-uitstel is gevraagd en verleend. Bij gebruik van de Becon-regeling mag er volgens verweerder vanuit worden gegaan dat uitstel is gevraagd in opdracht van de betreffende belastingplichtige. De afkoopsom is volgens verweerder door eiser genoten en vervolgens geschonken aan de Stichting K. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Navorderingstermijn

9. Volgens artikel 16, derde lid, van de AWR vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd.

10. De rechtbank is van oordeel dat er rechtsgeldig uitstel voor het doen van de aangifte IB/PVV 2007 is verleend. Verweerder mocht erop vertrouwen dat [X BV] bevoegd was voor eiser op grond van de Becon-regeling uitstel aan te vragen. Eiser heeft [X BV] voor het jaar 2005 gemachtigd uitstel aan te vragen en er werd ook jaarlijks voor de aangifte vennootschapsbelasting van [Y] B.V. gebruik gemaakt van de Becon-regeling. Dat [X BV] eiser - in afwijking van diens bedoeling - ook voor de inkomstenbelasting jaarlijks in de Becon-regeling heeft opgenomen, dient aan eiser te worden toegerekend. Als voormalig belastingadviseur mocht eiser immers met de werking van de Becon-regeling bekend verondersteld worden. Dat het uitstel niet aan eiser kenbaar is gemaakt, doet aan het voorgaande niet af.

11. Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de navorderingstermijn met het verleende uitstel is verlengd, zodat de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd. De omstandigheid dat eiser van het uitstel geen gebruik heeft gemaakt, maakt dit niet anders. Het beroep treft in zoverre geen doel.

Belastbaarheid afkoopsom

12. Uit de overeenkomst van 16 januari 2007 blijkt dat aan eiser een afkoopsom is toegekend in verband met de beëindiging van zijn bestuursfunctie bij de stichting. Hij heeft de afkoopsom vervolgens laten uitbetalen aan Stichting K. Hiermee heeft eiser beschikt over de afkoopsom, die daarmee door hem is genoten. Verweerder heeft de afkoopsom dan ook terecht in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden. Dat de afkoopsom is betaald door Z. B.V. en niet door de stichting doet daar niet aan af, evenmin als eisers overige stellingen.

Boete

13. Met betrekking tot de hoogte van de opgelegde vergrijpboete zijn door eiser geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het aan grove schuld van eiser is te wijten dat de afkoopsom niet in de aangifte is opgenomen. Gelet op de omstandigheid dat eiser voorheen als belastingadviseur werkzaam is geweest, had hij kunnen weten dat hij de afkoopsom in zijn aangifte IB/PVV diende te vermelden. De boete is verminderd tot een bedrag van € 4.000. De rechtbank is van oordeel dat deze boete passend en geboden is.

Heffingsrente

14. Tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft eiser geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de heffingsrentebeschikking in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht is gegeven dan wel dat de rentebedragen in strijd met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen zijn vastgesteld.

15. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, voorzitter, mr. T.A. de Hek, en mr. S.E. Postema, leden, in aanwezigheid van mr. E.J.P. Nevens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.