Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10214

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
C/09/474769
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Vrouw is met de kinderen naar Duitsland vertrokken en woont daar reeds een jaar met de kinderen. De rechtbank oordeelt dat de man niet zijn toestemming voor deze verhuizing heeft verleend. De rechtbank verklaart zich bevoegd ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot de kinderen. De gewone verblijfplaats is op grond van art. 10 Brussel IIbis wel in Duitsland. Daarbij wordt overwogen dat de man geen teruggeleidingsverzoek heeft ingediend. Het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor verhuizing wordt afgewezen. De hoofdverblijfplaats wordt bepaald bij de vrouw. Voorts wordt een zorgregeling van een weekend in de drie weken bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 14-7774

Zaaknummer: C/09/474769

Datum beschikking: 18 augustus 2015

Scheiding van tafel en bed

Beschikking op het op 7 oktober 2014 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.S. Odink te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] , Duitsland,

advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift;

  • -

    het F9-formulier d.d. 22 oktober 2014 met bijlagen van de zijde van de man;

  • -

    het F9-formulier d.d. 16 juli 2015 met bijlage van de zijde van de man.

De minderjarige [de minderjarige 1] heeft zowel schriftelijk als in raadkamer zijn mening kenbaar gemaakt.

Op 21 juli 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en haar advocaat te Duitsland, D.A. Klüsener RA.

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat thans luidt strekt tot scheiding van tafel en bed met nevenvoorzieningen tot:

- primair vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen bij de man, en
subsidiair vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige kinderen van partijen, in die zin dat:

• de minderjarigen eens per twee weken van vrijdag na school tot zondag 14.00 uur bij de man verblijven, waarbij de vrouw kinderen op de vrijdag na school naar de man brengt en de kinderen op de zondag ophaalt;

• de minderjarige [de minderjarige 1] elke week bij de man verblijft, waarbij de vrouw hem op vrijdag om 17.00 uur tot aan de Duits-Nederlandse grens brengt en de man hem op zaterdag na het Jeugdtheater weer naar de Duits-Nederlandse grens brengt, waarna de vrouw hem om 15.15 uur ophaalt, waarbij partijen in onderling overleg bepalen of de minderjarige [de minderjarige 2] ook mee gaat;

• de minderjarigen bij de man verblijven de eerste helft van de zomervakantie en de eerste helft van de kerstvakantie, een en ander jaarlijks om en om roulerend en beginnend met de eerste vakantie na de ten deze te wijzen beschikking.

- toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw verzoekt de rechtbank primair zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van het verzoekschrift van de man, in elk geval waar het betreft diens verzoeken aangaande de ouderlijke verantwoordelijkheid, meer in het bijzonder de verzoeken van de man de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen en, indien de hoofdverblijfplaats bij de vrouw wordt bepaald, een zorgregeling vast te stellen.

De vrouw voert subsidiair – onder referte voor het overige – thans nog verweer tegen de verzochte hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de vrouw, voor het geval de rechtbank zich bevoegd verklaart ten aanzien van de verzoeken over de kinderen, zelfstandig verzoeken ingediend tot:

  • -

    vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen van partijen bij de vrouw met verlening van toestemming aan de vrouw om zich met de minderjarigen blijvend in [plaats] , Duitsland, te vestigen;

  • -

    vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige kinderen van partijen, in die zin dat de minderjarigen bij de man zullen verblijven gedurende een weekend per maand, van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, alsmede gedurende de helft van de Duitse schoolvakanties,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

  • -

    Partijen zijn gehuwd op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] .

  • -

    Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

  • -

    De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw.

  • -

    Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

  • -

    De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw is Burger van de Bondsrepubliek Duitsland.

  • -

    Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

  • -

    Deze rechtbank heeft op 7 november 2014 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende een toevertrouwing van de minderjarigen aan de vrouw en een voorlopige zorgregeling.

Beoordeling

Scheiding van tafel en bed

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Artikel 3 lid 1 aanhef en sub a van de Verordening van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna: Verordening Brussel II-bis) bepaalt – voor zover hier van belang – dat ter zake van scheiding van tafel en bed bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien een van hen daar nog verblijft.

Nu de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten zich in [plaats] bevond en de man zijn gewone verblijfplaats nog steeds in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot scheiding van tafel en bed rechtsmacht toe.

De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot scheiding van tafel en bed toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft de rechtbank de bevoegdheid het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).

Nu naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam is gebleken dat partijen thans redelijkerwijs niet in staat zijn een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen, zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek tot scheiding van tafel en bed met nevenvoorzieningen.

Aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan.

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot scheiding van tafel en bed als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Huurrecht

Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan de man en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.

Het verzochte kan als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

Bevoegdheid en toepasselijk recht ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot de kinderen

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter met betrekking tot de verzoeken van de man de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen, alsmede een zorgregeling vast te stellen, geen rechtsmacht toekomt. Zij voert daartoe het volgende aan. Ingevolge artikel 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis is de gewone verblijfplaats van het kind op het tijdstip dat de procedure bij het gerecht van een lidstaat aanhangig wordt gemaakt, bepalend voor de bevoegdheid van de rechter. Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen sinds 12 juli 2014 in Duitsland is, terwijl de man eerst op 3 oktober 2014 een verzoek heeft ingediend, is de Duitse rechter in deze bevoegd, aldus de vrouw.

De man stelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt met betrekking tot zijn verzoeken, nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in Nederland was gelegen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8 lid 1 van de Verordening Brussel II-bis zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Ingevolge het tweede lid van dat artikel geldt het bepaalde in lid 1 onder voorbehoud van de artikelen 9, 10 en 12. De verordening gaat uit van het zogenoemde ‘perpetuatio fori’-beginsel, ingevolge welk beginsel voor de bevoegdheid van de rechter beslissend is het tijdstip waarop in eerste aanleg zijn tussenkomst wordt ingeroepen. Een latere wijziging in de omstandigheden die de bevoegdheid bepalen kan aan die eenmaal bestaande bevoegdheid geen afbreuk meer doen. Anders gezegd: een verandering van de gewone verblijfplaats van het kind die na het aanhangig maken van een zaak intreedt, heeft geen gevolg voor de bevoegdheid van het gerecht van de eerdere gewone verblijfplaats.

Tussen partijen staat vast dat de vrouw op 12 juli 2014 met de minderjarigen de echtelijke woning te [plaats] heeft verlaten en dat zij sindsdien met de minderjarigen in Duitsland woonachtig is. Het geschilpunt tussen partijen is of door deze verhuizing de gewone verblijfplaats van de minderjarigen is gewijzigd. De rechtbank zal daarom allereerst moeten beoordelen of sprake is van ongeoorloofde overbrenging of het ongeoorloofd niet doen terugkeren van de minderjarigen, in welk geval de verblijfplaats immers geacht wordt niet te zijn gewijzigd.

Van ongeoorloofde overbrenging of het ongeoorloofd niet doen terugkeren is ingevolge artikel 2 lid 11 Verordening Brussel II-bis sprake wanneer dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had en indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of het niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Zij twisten over de vraag of de man de vrouw toestemming heeft verleend met de minderjarigen naar Duitsland te verhuizen. De man heeft ter zitting aangevoerd dat hij zich, toen de vrouw omstreeks april/mei 2014 aan hem mededeelde dat zij met de minderjarigen naar Duitsland wilde verhuizen, voor een voldongen feit geplaatst voelde. De vrouw kon in het huis van haar ouders gaan wonen en zij had daar ook al werk en een school voor de minderjarigen geregeld. Voorts had de vrouw de verhuizing naar Duitsland reeds met de minderjarigen besproken. De man stelt zijn paraaf onder bijlage 2 van het ouderschapsplan te hebben gezet om te bewerkstelligen dat de minderjarige [de minderjarige 1] in ieder geval tot maart 2015 zou deelnemen aan het [plaats] Jeugdtheater. Hij is geen teruggeleidingsprocedure gestart, omdat hij niet wilde dat de situatie zou escaleren met als mogelijk gevolg dat hij de minderjarigen helemaal niet meer zou zien.

De vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat partijen onderling niet communiceerden. Zij kon slechts aan de man mededelen wat zij ging doen, enige reactie of actie van de zijde van de man bleef uit. Twee weken voor vertrek is op initiatief van het schoolmaatschappelijk werk nog met een familietherapeut gesproken over de verhuizing naar Duitsland. Volgens de vrouw moest zij met de kinderen uit de echtelijke woning vertrekken vanwege de nachtmerries die de minderjarige [de minderjarige 2] had. Een woning vinden in of in de buurt van [plaats] bleek niet mogelijk te zijn. De woning van haar ouders in Duitsland zou in de zomervakantie van 2014 vrij komen en rond 8 juni 2014 kreeg zij een baan in Duitsland aangeboden. De school van de minderjarigen in Duitsland kon snel worden geregeld. Uit alles was voor de man duidelijk dat zij met de minderjarigen in Duitsland zou gaan wonen. Volgens de vrouw blijkt uit het feit dat de man geen stappen heeft ondernomen om te verhinderen dat zij met de kinderen in Duitsland zou gaan wonen dat hij feitelijk instemde met de verhuizing en heeft hij die instemming nog eens onderstreept door de bijlage bij het ouderschapsplan te ondertekenen. Vervolgens heeft hij helpen verhuizen en heeft hij omgang met de kinderen in Duitsland gehad. Ook hieruit blijkt zijn feitelijke instemming, aldus de vrouw.

De rechtbank overweegt het volgende.

In het door de vrouw opgestelde (concept-)ouderschapsplan is in artikel 2 opgenomen dat de man toestemming geeft aan de vrouw om zich samen met de kinderen in Duitsland te vestigen, dat de kinderen dus na de echtscheiding hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw en op haar adres in Duitsland ingeschreven staan. Vast staat dat de man steeds heeft geweigerd dit plan te ondertekenen.

Bijlage 1 bij het ouderschapsplan heeft als kop 'Zorg/contactregeling voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] '. Als eerste is daarin vastgelegd dat de ouders overeenkomen dat [de minderjarige 1] tot maart 2015 deelneemt aan het [plaats] Jeugd Theater, waarvan de repetities iedere zaterdag zijn. Partijen hebben daarin verder afgesproken:

- dat [de minderjarige 1] ieder weekend bij de man is, tenzij het voor hem te zwaar wordt of er in Duitsland tegelijk met het theater in Nederland schoolactiviteiten zijn;

- dat [de minderjarige 2] zal om de week bij de man verblijft;

- dat de man het ene weekend de kinderen bij de grens ophaalt en de vrouw het andere weekend met de kinderen naar Nederland reist en in Nederland blijft tot ze met de kinderen terugreist naar Duitsland.

Verder is een regeling voor de verdeling van de vakanties en de feestdagen overeengekomen. De man heeft bijlage 1 (met zijn paraaf) ondertekend.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande, de overgelegde stukken daarbij in aanmerking nemende, niet kan worden afgeleid dat de man toestemming heeft gegeven voor het vertrek van de minderjarigen naar Duitsland. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw met de man over haar voornemen heeft overlegd of een voorstel voor dit vertrek aan de – mede met het gezag belaste – man heeft voorgelegd waarop hij nog invloed kon uitoefenen. Zij heeft uit de, in haar ogen, niet-coöperatieve en passieve houding van de man ook niet zonder meer mogen concluderen dat zij zijn toestemming had om met de minderjarigen naar Duitsland te verhuizen, en heeft dit kennelijk ook niet gedaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in het (later ingetrokken) echtscheidingsverzoek d.d. 10 juli 2014 van de zijde van de vrouw ook om vervangende toestemming is verzocht om met de minderjarigen naar Duitsland te verhuizen. Dit verzoek was, zo heeft de vrouw gesteld, zekerheidshalve gedaan omdat de man het ouderschapsplan niet had getekend. Wat daarvan zij, hieruit blijkt voldoende dat de vrouw zelf op dat moment ook niet overtuigd was van de instemming van de man met haar verhuizing. Het enige dat tussen het moment van indiening van dit verzoek en de verhuizing van de vrouw veranderd is, is dat de man op 11 juli 2014 (althans dat verklaart de vrouw) de bijlage bij het ouderschapsplan heeft ondertekend. Vervolgens is zij op 12 juli 2014 naar Duitsland vertrokken. Anders dan de vrouw kennelijk meent, is de rechtbank van oordeel dat zij uit het enkele ondertekenen door de man van de bijlage bij het ouderschapsplan niet heeft mogen afleiden dat de man nu wel toestemming voor de verhuizing naar Duitsland gaf. De man weigerde immers nog steeds het ouderschapsplan zelf, waarin het ging om de toestemming voor de verhuizing, te tekenen. Weliswaar heeft de vrouw nog gesteld dat de man op 11 juli 2014 tegen de kinderen heeft gezegd dat zij mochten verhuizen en dat hij op 12 juli 2014 heeft helpen verhuizen, maar deze stellingen zijn gemotiveerd door de man bestreden en niet komen vast te staan. Ook uit het feit dat de man na de verhuizing van de vrouw omgang met de kinderen in Duitsland heeft gehad kan niet worden afgeleid dat hij (stilzwijgend) met de verhuizing heeft ingestemd. Op dat moment had de vrouw hem immers, door te verhuizen, al voor een voldongen feit geplaatst.

Nu de overbrenging is geschied in strijd met het mede aan de man toekomende gezagsrecht en het gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging daadwerkelijk door de man werd uitgeoefend, is hier sprake van ongeoorloofde overbrenging als bedoeld in artikel 2 sub 11 van de Verordening Brussel II-bis.

Krachtens artikel 10 Verordening Brussel II-bis blijft de Nederlandse rechter in geval van ongeoorloofde overbrenging van een minderjarige bevoegd te beslissen op de door partijen gedane verzoeken, totdat de minderjarige een gewone verblijfplaats in een andere lidstaat heeft verkregen en voldaan is aan de voorwaarden vermeld in dit artikel onder sub a of sub b van dat artikel. Nu aan geen van deze voorwaarden was voldaan op het moment van indiening van het verzoek, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

Naar het oordeel van de rechtbank is de gewone verblijfplaats van de minderjarigen thans op grond van artikel 10, aanhef en onder b, Verordening Brussel II-bis overigens wel in Duitsland. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de man, die meteen na 12 juli 2014 op de hoogte was van de verblijfplaats van de minderjarigen, gedurende al die tijd geen teruggeleidingsverzoek heeft gedaan. De reden die de man daarvoor heeft aangegeven – hij wilde geen escalatie veroorzaken – is op zichzelf goed te begrijpen, maar dat neemt niet weg dat de feitelijke situatie nu zo is dat de kinderen inmiddels meer dan een jaar in Duitsland hebben verbleven en geacht moeten worden daar te zijn geworteld. Deze verandering van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen heeft echter geen gevolg voor de bevoegdheid van deze rechtbank als het gerecht van de eerdere gewone verblijfplaats.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is, zal de rechtbank op de door partijen gedane verzoeken ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Verhuizing en hoofdverblijfplaats

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar in Duitsland dient te worden bepaald. Zij voert daartoe aan dat dit in het belang van de minderjarigen is. Bovendien, zo stelt de vrouw, heeft zij betere mogelijkheden om de minderjarigen te verzorgen dan de man. Zij werkt niet fulltime en kan de minderjarigen na school opvangen. De vrouw ziet geen mogelijkheden te verhuizen naar of dichter in de buurt van Nederland. Vooral de minderjarige [de minderjarige 2] is thans goed geïntegreerd in Duitsland en ook de minderjarige [de minderjarige 1] zou het fijner hebben in Duitsland. In verband daarmee heeft de vrouw verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van de minderjarigen van [plaats] naar [plaats] in Duitsland.

De man stelt zich op het standpunt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem dient te worden bepaald. Ter zitting heeft hij aangevoerd dat de minderjarigen weer terug naar hun vertrouwde omgeving kunnen. Voorts is hij in staat de zorg te bieden die de minderjarigen nodig hebben. De man acht de verhuizing naar Duitsland niet in het belang van de minderjarigen, omdat dit ten koste gaat van de band die hij met hen heeft. Er is volgens hem, als de kinderen in Duitsland wonen, geen sprake meer van gelijkwaardig ouderschap. Bovendien is er volgens de man geen noodzaak tot verhuizing. Indien de vrouw dichterbij zou wonen, bij voorkeur in de omgeving van [plaats] , dan heeft hij er geen bezwaar tegen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw, aldus de man. In dat geval zou volgens de man ook gelijkwaardig ouderschap mogelijk zijn.

De rechtbank ziet aanleiding eerst het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor verhuizing te bespreken.

Vervangende toestemming tot verhuizing

De rechtbank dient een beslissing te nemen die haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie (zie uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:BC5901) volgt dat hieruit niet mag worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechtbank zal bij haar beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.

In het onderhavige geschil dienen de navolgende omstandigheden en belangen te worden meegewogen:

  • -

    het recht en belang van de vrouw om te verhuizen en in vrijheid haar leven (opnieuw) in te richten;

  • -

    de noodzaak voor de vrouw om te verhuizen;

  • -

    de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

  • -

    de door de moeder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige te verzachten en/of te compenseren;

  • -

    de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

  • -

    de rechten van de man en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

  • -

    de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

  • -

    de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de man voor en na de verhuizing;

  • -

    de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin zij zijn geworteld in hun omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;

  • -

    de (extra) kosten van de omgangscontacten na de verhuizing.

Bij die belangenafweging neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Vooropgesteld dient te worden dat de moeder in beginsel het recht heeft haar leven (opnieuw) in te richten. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank niettemin van oordeel dat het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor haar verhuizing dient te worden afgewezen. De noodzaak voor de vrouw te verhuizen naar een andere woning was in 2014 aanwezig, nu zij vanwege scheidingsproblematiek de echtelijke woning moest verlaten. De rechtbank acht echter geen noodzaak voor de vrouw aanwezig om naar [plaats] in Duitsland te verhuizen, althans de vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij genoodzaakt was of is daarnaartoe te verhuizen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij heeft geprobeerd in [plaats] een andere woning te vinden, of in ieder geval zodanig in de buurt van [plaats] dat nog goed contact van de minderjarigen met de vader zou kunnen plaatsvinden. De rechtbank begrijpt de wens van de vrouw haar leven ergens anders (opnieuw) te beginnen, maar gelet op het feit dat partijen samen twee kinderen hebben, mocht van de vrouw een grotere inzet en moeite worden verwacht in [plaats] , dan wel in de omgeving daarvan, een andere woning te vinden, teneinde de veranderingen voor de minderjarigen zo beperkt mogelijk te houden. De vrouw heeft ook op geen enkele wijze reëel overleg met de man gevoerd over haar voorgenomen verhuizing, zoals hiervoor reeds is overwogen. Door verhuizing naar Duitsland wordt het contact tussen de man en de minderjarigen bovendien vergaand ingeperkt. Ook zijn door de vrouw geen alternatieven en maatregelen geboden om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen (en de man) in tijd en/of financieel te verzachten en/of te compenseren. Voorts hebben partijen beiden ter zitting aangegeven dat er thans geen communicatie en overleg is, hetgeen het risico op nog verdere inperking van het contact tussen de kinderen en hun vader verhoogt. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing afwijzen.

Hoofdverblijf

Hiervoor is vastgesteld dat het vertrek van de vrouw met de minderjarigen naar Duitsland ongeoorloofd was (namelijk zonder toestemming van de andere ouder met gezag en zonder vervangende toestemming van de rechtbank). Dit betekent niet dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag bij wie van de ouders de minderjarigen hun hoofdverblijf moeten hebben, er niet van uitgaat dat de vrouw in dat geval met de minderjarigen in Duitsland zou (ver)blijven. De vrouw heeft immers te kennen gegeven dat zij daarvoor kiest en – als hierboven overwogen – de man heeft ervoor gekozen hiertegen geen stappen te ondernemen. De rechtbank zal dus hieronder beslissen of de kinderen bij hun vader in [plaats] of bij hun moeder in Duitsland moeten wonen.


De rechtbank is van oordeel dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw dient te zijn. De minderjarigen wonen nu al meer dan een jaar bij de vrouw. Niet is gebleken dat het bij de vrouw niet goed gaat met de minderjarigen. Bovendien is niet gebleken dat de vrouw tekort schiet in de opvoeding van de minderjarigen. De rechtbank acht het daarnaast van belang dat de huidige regelmaat blijft bestaan in de leefomgeving van de minderjarigen, opdat er voor hen rust en stabiliteit is en blijft. Dit zou worden doorkruist indien de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen wordt gewijzigd, te meer nu zij, vanwege de grote afstand, dan juist het geregelde contact met hun moeder moeten missen, bij wie zij nu al geruime tijd wonen. De rechtbank zegt hiermee niet dat de man niet de dagelijkse zorg voor de minderjarigen op zich zou kunnen nemen. In hetgeen de man heeft aangevoerd, ziet de rechtbank echter onvoldoende aanleiding nu (nog) tot een verandering te beslissen. De rechtbank neemt bij dit alles nog in aanmerking dat de minderjarige [de minderjarige 1] zowel schriftelijk als in raadkamer heeft aangegeven bij de vrouw in Duitsland te willen blijven wonen. Gelet hierop zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw bepalen.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

De man verzoekt thans om een zorgregeling waarbij de minderjarigen een weekend in de twee weken bij hem verblijven, alsmede de helft van de schoolvakanties. Volgens hem komt een dergelijke regeling het dichtst in de buurt van gelijkwaardig ouderschap. Een zorgregeling van een weekend in de maand is te weinig. Hij krijgt dan niets van de kinderen mee.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat een zorgregeling waarbij de minderjarigen bij de man zullen verblijven gedurende een weekend per maand, alsmede gedurende de helft van de Duitse schoolvakanties, het meest in het belang van de minderjarigen is. Volgens de vrouw is de door de man voorgestelde zorgregeling te belastend voor de minderjarigen. Zij hebben in het weekend ook hun rust nodig. Daarbij komt dat [de minderjarige 1] inmiddels deelneemt aan een jeugdtheater in zijn huidige woonplaats en niet langer wenst deel te nemen aan het jeugdtheater in [plaats] . Zij stelt voor dat de man bijvoorbeeld een weekend in de twee weken in Duitsland verblijft. De kinderen kunnen hem dan ook hun leven in Duitsland laten zien.

De rechtbank is van oordeel dat een zorgregeling waarbij de minderjarigen een weekend per drie weken bij de man verblijven het meest in hun belang is. Een zorgregeling van een weekend per twee weken is, mede gelet op de afstand tussen de woonplaats van de man en de woonplaats van de minderjarigen, te belastend voor de minderjarigen en een weekend per maand acht de rechtbank te weinig om de band die de man en de minderjarigen hebben te behouden. Ook hierbij heeft de rechtbank de wens van de minderjarige [de minderjarige 1] laten meewegen. Partijen kunnen in onderling overleg en in overleg met de minderjarigen de zorgregeling eventueel uitbreiden. Voorts geeft de rechtbank de man in overweging om een enkele maal bij gelegenheid bij de minderjarigen in Duitsland te verblijven, zodat hij hun leven, zoals school en vrienden, van dichtbij meemaakt.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt uit de scheiding van tafel en bed tussen: [de man] , en [de vrouw] , gehuwd op [datum huwelijk] in de gemeente [plaats] ;

*

bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in het huwelijksgoederenregister de huurder zal zijn van de woonruimte te [adres] , en verklaart deze voorziening uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de minderjarigen:

  • -

    [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , en

  • -

    [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

*

bepaalt dat de minderjarigen bij de man zullen zijn:

  • -

    een weekend in de drie weken, waarbij de vrouw de minderjarigen op de vrijdag na school bij de Duits-Nederlandse grens brengt, alwaar de man hen ophaalt, en de man de minderjarigen op de zondag om 18.00 uur bij de Duits-Nederlandse grens brengt, alwaar de vrouw hen ophaalt;

  • -

    de helft van de (Duitse) schoolvakanties,

en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, N.B. Verkleij en H. Dragtsma, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. I. van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2015.