Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10171

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
AWB 15/13728, 15/13725
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

beoordeling homoseksuele geaardheid; interne werkinstructie april 2014; uitspraak Afdeling 8 juli 2015.

Zoals de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 28 juli 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:8855), heeft verweerder, onder verwijzing naar zijn interne werkinstructie die geldt sinds april 2014, niet inzichtelijk gemaakt hoe hij aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te verrichten. Daarnaast heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt hoe hij deze naar aanleiding van de verklaringen van verzoeker in de onderhavige zaak heeft verricht. Verweerder heeft met name niet inzichtelijk gemaakt op welke vragen en antwoorden van verzoeker het zwaartepunt ligt en hoe hij de door verzoeker gegeven antwoorden heeft gewaardeerd en onderling gewogen.

Daarnaast heeft verweerder desgevraagd verklaard dat de door hem gestelde vaste uitvoeringspraktijk, dat aan de verklaringen over het bewustwordingsproces een zwaar gewicht toekomt, niet is te herleiden tot de door hem genoemde interne werkinstructie. Ook anderszins heeft verweerder die uitvoeringspraktijk niet nader kunnen onderbouwen.

Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat verweerder ter zitting heeft verklaard naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2170) bezig te zijn met het op schrift stellen van een openbare werkinstructie of beleid over de wijze van beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele geaardheid. Daarom heeft verweerder in een aantal andere zaken de rechtbank, om te kunnen reageren op de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015, om aanhouding verzocht met het oog op dit te verwachten beleid. Verweerder heeft echter niet kunnen concretiseren waarom voor de beoordeling van onderhavige zaak hij de totstandkoming van dit nieuwe beleid niet van betekenis acht.

De beoordeling van het asielrelaas voldoet daarmee in dit geval niet aan de eisen genoemd in rechtsoverwegingen 7.4 en 7.6 van de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de seksuele gerichtheid van verzoeker ongeloofwaardig is, zodat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/13728 (voorlopige voorziening)

AWB 15/13725 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2015 in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] , van Nigeriaanse nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. B. Snoeij, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. L. Mol, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

  2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid zal hij bij terugkeer naar Nigeria gevaar lopen en gevangen gezet worden. De gevangenisstraf voor homoseksualiteit in Nigeria is 14 jaar. Hoewel hij tussen 2000 en 2005 gehuwd was en drie kinderen heeft geadopteerd was dit huwelijk een afspraak tussen hem en zijn ex-echtgenote om zijn geaardheid verborgen te kunnen houden. Tussen 2006 en 2009 heeft verzoeker een relatie gehad met [naam] . In 2009 is [naam] opgepakt in [plaats] door Boko Haram en heeft verteld over zijn seksuele relatie met verzoeker, waarna de Boko Haram op zoek zijn gegaan naar verzoeker. Aangezien hij niet thuis was, is zijn vader opgepakt en nog steeds vermist, waarschijnlijk vermoord. Omdat verzoeker zich niet meer veilig voelde en gediscrimineerd werd als homoseksueel, is hij in 2009 naar Nederland gereisd in bezit van een visum en is sindsdien alhier gebleven.

4. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen omdat zijn gestelde homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig wordt geacht.

5.
Verzoeker voert, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2170), aan dat uit die uitspraak volgt dat verweerder inzichtelijk moet maken op welke wijze hij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid in een concreet geval heeft verricht. Daarbij is van belang dat verweerder, anders dan voor zaken waarin een geloofsovertuiging als asielmotief wordt aangevoerd, voor onderzoek naar een gestelde seksuele geaardheid geen specifieke vragenlijst heeft ontwikkeld, waarin hij categorieën van vragen heeft opgenomen, zoals vragen over de wijze en het moment waarop de vreemdeling tot besef van zijn seksuele gerichtheid is gekomen en wat dat voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst en hoe de ervaringen van de vreemdeling, ook volgens zijn asielrelaas in het algemene beeld passen. Uit de gehoren, het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat verweerder op onvoldoende inzichtelijke wijze duidelijk heeft gemaakt welke vragen niet gesteld hadden mogen worden. Uit het bestreden besluit blijkt niet op welke wijze de uitkomsten van het onderzoek voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid doorgaans wordt uitgevoerd. Nu niet inzichtelijk is geworden op welke vragen en antwoorden in het concrete geval van verzoeker in het licht van zijn asielrelaas het zwaartepunt ligt en hoe verweerder de door hem gegeven antwoorden waardeert en onderling weegt, kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

5.1

Verweerder heeft ter zitting, onder verwijzing naar zijn standpunt zoals dat blijkt uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 juli 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:8855), het standpunt ingenomen dat bij het gehoor van verzoeker gebruik is gemaakt van een interne werkinstructie die geldt sinds april 2014. Deze wordt gebruikt bij aanvragen waarbij homoseksualiteit als asielmotief wordt aangevoerd en vertoont gelijkenis met de gedragslijn die in het geval van een bekering wordt gebruikt. In deze gedragslijn staan relevante aspecten voor de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele geaardheid. De thema’s zijn niet limitatief. Deze werkinstructie is niet openbaar, vanwege de omstandigheid dat asielzoekers hun gehoor zouden kunnen gaan inrichten aan de hand van deze instructie.

Verweerder heeft uiteengezet dat verzoeker is gehoord aan de hand van de volgende negen thema’s:

1) Privéleven, familie en religie. Het gaat om de eigen ervaringen van betrokkene en het bewustwordingsproces.

2) Relaties, zowel de huidige als de vorige relaties.

3) Familie en vrienden. Het gaat om hun reactie op het coming-out van betrokkene.

4) Homoseksuele contacten in het land van herkomst.

5) Contact met en kennis van belangenorganisaties in het land van herkomst.

6) Contacten met homoseksuelen in Nederland.

7) Kennis van de Nederlandse situatie met betrekking tot homoseksuelen.

8) Discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst.

9) Toekomst; de door de vreemdeling verwachte gevolgen bij terugkeer naar het land van herkomst.

Voorts heeft verweerder gesteld dat het vaste uitvoeringspraktijk is dat aan de verklaringen van de vreemdeling over zijn bewustwordingsproces een zwaar gewicht toekomt.

5.2

In de uitspraak van 8 juli 2015 heeft de Afdeling, – voor zover van belang – het volgende overwogen:

Beoordeling van een seksuele gerichtheid

7. De door het Hof geformuleerde grenzen scheppen een algemeen kader waarbinnen de staatssecretaris de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid in een concreet geval mag verrichten. Teneinde de bestuursrechter in staat te stellen de zorgvuldigheid en motivering van besluiten, als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, te toetsen in het licht van deze grenzen, moet de staatssecretaris evenwel inzichtelijk maken op welke wijze hij die beoordeling daadwerkelijk in een concrete zaak heeft verricht. Hierbij is met name van belang het soort vragen dat de staatssecretaris heeft gesteld en de wijze waarop hij de antwoorden op die vragen onderling heeft gewogen. Het gaat er hierbij niet alleen om dat de staatssecretaris inzichtelijk maakt wat hij niet doet bij het onderzoek naar de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid, maar ook hoe hij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid met inachtneming van artikel 4 van Richtlijn 2004/83 wél heeft ingericht.
(…)
7.2 Anders dan voor zaken waarin een geloofsovertuiging als asielmotief wordt aangevoerd, heeft de staatssecretaris voor het onderzoek naar een gestelde seksuele gerichtheid geen specifiek op die asielzoekers toegespitste vragenlijst ontwikkeld waarin hij categorieën van vragen heeft opgenomen, zoals vragen over de wijze en het moment waarop een vreemdeling tot besef van zijn seksuele gerichtheid is gekomen en wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van een vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in dat algemene beeld passen. De door de staatssecretaris te verrichten onderzoeken naar beide asielmotieven vertonen echter, gelet op de aard van die asielmotieven en gezien de moeilijkheden die een vreemdeling kan ondervinden een dergelijk asielmotief te bewijzen, gelijkenissen. Zie voor de inrichting van het onderzoek naar een gestelde geloofsovertuiging de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013 in zaak nr. 201109256/1/V2.

7.3

De staatssecretaris heeft ter zitting desgevraagd slechts kunnen toelichten welke vragen in de gehoren niet mogen worden gesteld. Hoewel daartoe door de Afdeling in de gelegenheid gesteld, heeft hij niet inzichtelijk gemaakt welke soort vragen hij wél stelt tijdens de gehoren en of die vragen al dan niet in samenwerking met een belangen-organisatie, zoals de Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit (COC), tot stand zijn gekomen. Hoewel de staatssecretaris blijkens de nadere gehoren in de voorliggende zaken wel vragen stelt aangaande de gestelde seksuele gerichtheid, is niet gebleken dat die vragen voortkomen uit een vastgelegde, op de aard van het asielrelaas toegespitste, onderzoekssystematiek.

7.4.

De staatssecretaris heeft evenmin kunnen verduidelijken hoe hij vervolgens aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid, pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de asielrelazen van de vreemdelingen in deze zaken heeft verricht.
(…)
7.6. Uit het vorenstaande volgt dat de staatssecretaris niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke vragen en antwoorden, in het concrete geval in het licht van het asielrelaas van de desbetreffende vreemdeling, het zwaartepunt ligt en hoe de staatssecretaris de door een vreemdeling gegeven antwoorden waardeert en onderling weegt (vergelijk het arrest van het Hof van 22 november 2012 in zaak C-277/11, M.M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2012:744, en de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2015 in zaak nr. 201501145/1/V2, www.raadvanstate.nl, en zie in dat kader ook de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2014 in zaak nr. 201401627/1/V2).

7.7.

Wegens het ontbreken van een beleidsregel of een vaste gedragslijn van de staatssecretaris over de wijze waarop hij een gestelde seksuele gerichtheid onderzoekt en beoordeelt, terwijl dat onderzoek en die beoordeling binnen het Nederlandse bestuursrechtelijke stelsel in eerste instantie aan hem is, is het voor de bestuursrechter thans niet mogelijk effectief te toetsen hoe de staatssecretaris in een concreet geval dat onderzoek en die beoordeling verricht en aldus een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit neemt over de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid als asielmotief. Het is binnen dit stelsel niet aan de bestuursrechter, maar aan de staatssecretaris om hieraan in de vormgeving en uitvoering van het vreemdelingenbeleid nader invulling te geven.

5.3

Daargelaten het antwoord op de vraag of verweerder met de ter zitting gegeven uiteenzetting over de door hem gevolgde interne werkinstructie tegemoetkomt aan de bezwaren van de Afdeling zoals genoemd in rechtsoverweging 7.3 van de uitspraak van 8 juli 2015, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter, zoals de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats eerder heeft overwogen in de door verweerder genoemde uitspraak van 28 juli 2015, niet inzichtelijk gemaakt hoe hij aan de hand van de uitkomsten van zijn onderzoek de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde homoseksuele gerichtheid in het algemeen pleegt te verrichten en hoe hij deze naar aanleiding van de verklaringen van verzoeker in de onderhavige zaak heeft verricht. Verweerder heeft met name niet inzichtelijk gemaakt op welke vragen en antwoorden van verzoeker het zwaartepunt ligt en hoe hij de door verzoeker gegeven antwoorden heeft gewaardeerd en onderling gewogen.
Uit het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen blijkt dat verweerder weliswaar uitgebreid is ingegaan op de door hem als tegenstrijdig, ongerijmd en summier beoordeelde verklaringen van verzoeker, maar uit de besluitvorming blijkt niet hoe deze zijn gewogen. Voorts blijkt niet hoe de antwoorden op de vragen onderling zijn gewogen. In het voornemen heeft verweerder weliswaar het standpunt ingenomen dat verzoekers vage en niet geconcretiseerde verklaringen omtrent de bewustwording en acceptatie van zijn gestelde geaardheid in grote mate afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van zijn relaas, en ter zitting dat het vaste uitvoeringspraktijk is dat aan de verklaringen over het bewustwordingsproces een zwaar gewicht wordt toegekend, maar uit het bestreden besluit blijkt niet hoe de weging van de verklaringen van verzoeker over dit thema ten opzichte van de verklaringen van verzoeker over de overige thema’s van de interne werkinstructie heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft verweerder desgevraagd verklaard dat de door hem gestelde vaste uitvoeringspraktijk, dat aan de verklaringen over het bewustwordingsproces een zwaar gewicht toekomt, niet is te herleiden tot de door hem genoemde interne werkinstructie. Ook anderszins heeft verweerder die uitvoeringspraktijk niet nader kunnen onderbouwen.
Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat verweerder ter zitting heeft verklaard naar aanleiding van de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 bezig te zijn met het op schrift stellen van een openbare werkinstructie of beleid over de wijze van beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele geaardheid. Daarom heeft verweerder in een aantal andere zaken de rechtbank, om te kunnen reageren op de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015, om aanhouding verzocht met het oog op dit te verwachten beleid. Verweerder heeft echter niet kunnen concretiseren waarom voor de beoordeling van onderhavige zaak hij de totstandkoming van dit nieuwe beleid niet van betekenis acht.

5.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordeling van het asielrelaas in dit geval niet voldoet aan de eisen genoemd in rechtsoverwegingen 7.4 en 7.6 van de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015. Het standpunt van verweerder dat sprake is van een evident ongeloofwaardig relaas, leidt niet tot het oordeel dat de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 geen gevolgen heeft, nu uit die uitspraak niet volgt dat het daarin neergelegde oordeel niet van toepassing is op een asielrelaas betreffende homoseksuele gerichtheid dat evident ongeloofwaardig is bevonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de seksuele gerichtheid van verzoeker ongeloofwaardig is, zodat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 Awb.

5.5

Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de aard van het motiveringsgebrek en gelet op de aard van de procedure (de Algemene Asielprocedure), geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen als bedoeld in artikel 8:51a Awb.

7. Nu in de hoofdzaak is beslist, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.

8. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 980,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 490,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze

uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van verzoeker met

inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 980,- te

betalen in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 490,- in

verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.