Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10161

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 9393
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet verzekerd voor de AKW op grond van ontbreken verblijfstitel. Het beroep van eiseres op het Ruiz Zambrano-arrest slaagt niet, nu door haar niet aannemelijk is gemaakt dat ontzegging van het verblijf hier in Nederland tot gevolg zou hebben dat haar kind, dat burger is van de Europese Unie, feitelijk zou worden verplicht om met eiseres het grondgebied van Nederland en de Europese Unie te verlaten. Dat de dagelijkse zorg voor het kind van eiseres bij haar berust en niet bij de vader, die ook geen contact met het kind onderhoudt, maakt niet dat sprake is van een Zambrano-situatie. Hierin zijn immers geen objectieve beletselen gelegen voor de vader om voor zijn kind te zorgen. Ook het beroep op het arrest Alokpa slaagt niet, omdat dat arrest wordt beheerst door artikel 21 van het VWEU waarin het recht op vrij verkeer en verblijf is neergelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 6
Algemene Kinderbijslagwet 6
Vreemdelingenwet 2000 8
Algemene Kinderbijslagwet 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/9393

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 augustus 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Sprakel),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: mr. G.J. Oudenes).

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist dat eiseres met ingang van het eerste kwartaal 2014 geen recht heeft op uitkering ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Bij besluit van 3 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2015.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door [vertegenwoordiger] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft de [X] nationaliteit en verblijft bij haar tante in [plaats 1] . Eiseres heeft geen verblijfsvergunning en heeft op 16 april 2014 een aanvraag ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ter verkrijging van een verblijfsvergunning. Deze aanvraag is op [datum 1] afgewezen. Op

28 november 2013 heeft eiseres kinderbijslag aangevraagd voor haar zoon [naam 1] , geboren in [plaats 2] op [geboortedatum] . [naam 1] heeft door erkenning op [datum 2] van zijn vader, [naam 2] , die de Nederlandse nationaliteit bezit, de Nederlandse nationaliteit gekregen.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres met ingang van het eerste kwartaal 2014 kinderbijslag voor [naam 1] geweigerd op de grond dat eiseres in Nederland geen verblijfsrecht heeft. Hangende de bezwaarprocedure heeft verweerder in overleg met de IND omtrent eiseres een verblijfsrechtelijke beoordeling gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

3. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen zelfstandige afweging heeft gemaakt als bedoeld in het arrest van 14 februari 2014 van de Hoge Raad (HR), ECLI:NL:HR:2014:277, zodat niet de juiste invulling wordt gegeven aan dat arrest. Eiseres betoogt dat [naam 1] wordt verzorgd en opgevoed door haarzelf en dat de vader, die waarschijnlijk in [plaats 2] woont, niet in beeld is. Er is geen contact met de vader en dat leidt eiseres tot de conclusie dat bij haar vertrek uit de Europese Unie, [naam 1] moet volgen. Dat zou in strijd komen met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 8 maart 2011, C-34/09 (Ruiz Zambrano). Eiseres doet in dit verband ook een beroep op het arrest van het HvJ van 10 oktober 2013, C-86/12 (Alokpa) waaruit zij afleidt dat getoetst dient te worden of het vertrek van de verzorgende ouder in de weg staat aan het uitoefenen van het Unieburgerschap. Ten slotte meent eiseres dat zij rechtmatig in Nederland verblijft op grond van haar verblijfsaanvraag en dat verweerder ten onrechte geen aandacht besteedt aan het eigen recht van [naam 1] op kinderbijslag.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is verzekerd overeenkomstig deze wet degene, die ingezetene is.

Artikel 6, tweede lid, van de AKW bepaalt dat niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

4.2.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, aanhef en onder a, van het VWEU genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben zij de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald en hebben zij, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

4.3.

Artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bepaalt dat de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder het beoordelingstijdvak voor het recht op kinderbijslag van eiseres in het bestreden besluit op grond van artikel 14 van de AKW op goede gronden heeft vastgesteld op de periode van het vierde kwartaal 2013 tot en met het eerste kwartaal 2014.

Verweerder heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat eiseres van het vierde kwartaal 2012 tot en met het derde kwartaal 2013 in [plaats 2] verbleef, zodat zij voor deze periode als niet verzekerd dient te worden aangemerkt en daarom geen recht heeft op kinderbijslag. Nu eiseres hiertegen geen beroepsgrond heeft aangevoerd, gaat de rechtbank uit van de juistheid van het standpunt van verweerder.

6. Met betrekking tot het beroep van eiseres op het Ruiz Zambrano-arrest overweegt de rechtbank als volgt.

6.1

In het arrest Ruiz Zambrano heeft het HvJ voor recht verklaard dat artikel 20 van het VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet, dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, die zijn kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten, en hem bovendien een arbeidsvergunning weigert, aangezien dergelijke beslissingen de betrokken kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ontzeggen.

6.2

In het arrest van 15 november 2011, Dereci e.a., C-256/11 (Dereci) heeft het HvJ een nadere uitleg gegeven van het arrest Ruiz Zambrano. In dit arrest heeft het HvJ geoordeeld dat het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten.

6.3

Uit deze arresten vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat betrokkenen een op artikel 20 van het VWEU gebaseerd rechtstreeks verblijfsrecht hebben, afgeleid van het verblijfsrecht van hun kind, indien dit kind zich bevindt in een situatie als in genoemde arresten bedoeld. Daarom moet worden onderzocht of sprake is van zodanige omstandigheden dat [naam 1] feitelijk wordt verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten als eiseres een verblijfsrecht wordt ontzegd.

6.4

In de bezwaarfase heeft verweerder de IND gevraagd te adviseren met betrekking tot de vraag of eiseres aan artikel 20 van het VWEU een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen. De IND heeft op 21 augustus 2014 het volgende aan verweerder meegedeeld:

“Gesteld wordt dat de Nederlandse vader uit beeld is en dat mevrouw [eiseres] als enige voor het Nederlandse kind zorgt.

Dat is echter onvoldoende voor een geslaagd beroep op Zambrano. Dat de vader inderdaad niet langer in beeld is, is niet aangetoond of zelfs maar aannemelijk gemaakt – het wordt slechts gesteld. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt dat de vader feitelijk niet in staat is om voor het kind te zorgen, eventueel met hulp van derden.”

6.5

Vooropgesteld wordt dat het aan eiseres is aannemelijk te maken dat ontzegging van het verblijf hier te lande tot gevolg zou hebben dat haar kind, dat burger is van de Europese Unie, feitelijk wordt verplicht om met eiseres het grondgebied van Nederland en tevens het grondgebied van de Europese Unie als geheel te verlaten. De rechtbank acht eiseres hierin niet geslaagd en overweegt daartoe het volgende. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat de vader haar reeds voor de geboorte van [naam 1] heeft verlaten.

Volgens eiseres heeft de vader geen contact met [naam 1] onderhouden en heeft hij nooit voor zijn zoon gezorgd. Wel is de vader eenmalig langsgekomen voor de erkenning van [naam 1] . Eiseres is tot augustus/september 2013 in [plaats 2] gebleven. Daarna is eiseres naar haar zeggen in Nederland opgevangen door haar tante, bij wie ze met [naam 1] is ingetrokken. Ter zitting heeft eiseres een brief van 18 november 2014 afkomstig van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Veiligheid en Justitie overhandigd, waaruit blijkt dat de vader per 15 juli 2014 gedetineerd is met als vermoedelijke einddatum 21 september 2015.

6.6

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden in het hier aan de orde zijnde beoordelingstijdvak niet kan worden gesproken van een situatie dat de vader naar objectieve maatstaven in het geheel niet in staat zou zijn voor [naam 1] te zorgen. Dat de dagelijkse en daadwerkelijke zorg voor [naam 1] bij eiseres berust en niet bij de vader en dat de vader geen contact onderhoudt met zijn zoon, zijn gelet op de rechtspraak van het HvJ geen omstandigheden van doorslaggevende betekenis voor een geslaagd beroep op de zogenaamde Zambrano-situatie. Hierin zijn immers geen objectieve beletselen gelegen voor de vader om voor [naam 1] te zorgen. De detentie van de vader zou een dergelijk objectief beletsel wel kunnen opleveren, maar die vindt plaats buiten het hier van belang zijnde beoordelingstijdvak en kan daarmee niet leiden tot het aannemen van rechtmatig verblijf in dat tijdvak. Voor zover eiseres betoogd heeft dat zij rechtmatig verblijf in Nederland had, omdat zij in afwachting was van een beslissing op haar verzoek van 16 april 2014 tot vaststelling van haar rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, slaagt dit evenmin, nu ook hiervoor geldt dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat het gestelde rechtmatig verblijf samenvalt met het tijdvak dat in deze procedure moet worden beoordeeld.

7. Het beroep van eiseres op het arrest Alokpa (C-86/12) slaagt evenmin. De rechtbank is van oordeel dat waar het arrest Alokpa wordt beheerst door met name artikel 21 van het VWEU, dat ziet op het recht op vrij verkeer en verblijf van burgers van de Unie, een wezenlijk andere situatie aan de orde is dan in deze zaak, waar de zoon van eiseres niet in een andere lidstaat dan die van zijn nationaliteit verblijft. De omstandigheid dat eiseres primary caretaker is, doet hieraan niet af. Voor dit oordeel verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 13 november 2014, ECLI:NL:RBDHA: 2014:15288.

8. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat [naam 1] een eigen belang heeft bij het vaststellen van het recht op kinderbijslag, overweegt de rechtbank met verwijzing naar rechtsoverweging 3.5.10 van het arrest van 23 november 2012 van de HR,

ECLI:NL:HR: 2012:BW7740, dat een kind in zekere zin een eigen belang heeft bij de uitkering nu de AKW de verbetering van de positie van het kind nastreeft, maar noch op grond van de AKW, noch bij of krachtens enige andere Nederlandse wettelijke bepalingen het kind een zelfstandige aanspraak op kinderbijslag heeft of het eigen belang van het kind in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag resulteert. Het betoog van eiseres faalt dan ook.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Lagas, voorzitter, mr. D. Biever en mr. N.S.M. Lubbe, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.