Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10156

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
15/4659
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, glijdende schaal, geen schending artikel 8 EVRM. Beroep ongegrond, geen proceskostenveroordeling.”

3.86 Vb + bescherming openbare orde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/4659

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam1] , eiser,

gemachtigde: mr. P.R. Klaver,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Hadfy Kovacs.

Procesverloop

Eiser heeft op 5 maart 2015 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 maart 2015 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 1 juni 2015. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens was ter zitting aanwezig [naam2] , eisers echtgenote. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van de uitspraak eenmaal verlengd.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1983 te Bakoe en bezit de Azerbeidjaanse nationaliteit. Hij heeft van 1989 tot november 1999 met zijn uit Armenië afkomstige vader en zijn zus in Oekraïne gewoond. Eiser is in 1999/begin 2000 naar Nederland gekomen en op 15 juni 2007 in het bezit gesteld van een reguliere verblijfsvergunning op grond van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet, laatstelijk verlengd van 3 juni 2008, geldig tot 15 juni 2013. Op 23 februari 2013 heeft eiser verzocht om verlenging van zijn vergunning. Bij besluit van 13 juni 2014 heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 4 juni 2012 ingetrokken op grond van artikel 19, in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 13 januari 2015 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser tegen de intrekking van zijn vergunning ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser vanwege het plegen van strafbare feiten een gevaar vormt voor de openbare orde wat tevens de reden is om hem een vertrektermijn te onthouden. Eiser is bij vonnis van de Correctionele rechtbank te Dendermonde (België) veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar wegens twee gewapende overvallen in vereniging en een poging daartoe alsmede deelname aan een criminele organisatie (bendevorming). Het Openbaar Ministerie in Nederland heeft een strafmaatvergelijking laten plaatsvinden. In aanmerking genomen de geldende richtlijnen is het advies van het Openbaar Ministerie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar. Bij zijn beoordeling heeft verweerder de glijdende schaal toegepast, zoals beschreven in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), geldend sinds 1 juli 2012. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een veroordeling tot een gevangenisstraf van vijf jaar zodat de normen van artikel 3.86, eerste lid, van het Vb 2000 op hem van toepassing zijn. Volgens verweerder is er met de intrekking van de verblijfsvergunning geen sprake van strijd met het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Eiser heeft in beroep gesteld dat artikel 3.86 van het Vb 2000 een zogenaamde kan-bepaling is, zodat een belangenafweging dient plaats te vinden. Daarbij is van belang dat eiser behoudens zijn veroordeling in België een blanco strafrechtelijk verleden heeft. Eiser doet voorts een beroep op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft tijdig gevraagd om verlenging van zijn verblijfsvergunning, maar werd daarbij onjuist geïnformeerd door verweerder. Bij brief van 17 mei 2013 kreeg eiser de informatie dat zijn verlengingsaanvraag werd ingewilligd, terwijl verweerder op de hoogte was van het feit dat eiser in detentie verbleef ten tijde van de verlengingsaanvraag. Eiser is sinds eind 1999/begin 2000 in Nederland. Hij is als minderjarige gevlucht vanuit Azerbeidzjan en uiteindelijk, na een verblijf in Oekraïne, naar Nederland gekomen. De familieleden van eiser zijn vermoord en hij heeft geen banden meer met zijn land van herkomst. Terugkeer is niet mogelijk vanwege asielmotieven en wegens het ontbreken van documenten. Eiser heeft geen paspoort en het is onduidelijk of hij naast de Azerbeidzjaanse nationaliteit ook staatsburger van de Russische Federatie en/of burger van Oekraïne is. Er is bovendien sprake van privé- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM hier te lande. Eiser heeft een langdurige relatie met zijn in Abchazië geboren partner, met wie hij op 18 oktober 2011 in een kerk in Rusland een orthodox huwelijk heeft gesloten. Zij verwachten in augustus 2015 een kind. De partner van eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. Er is sprake van objectieve belemmeringen voor eiser en zijn partner en hun kind om zich in Azerbeidzjan te vestigen.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Op grond van artikel 19 van de Vw 2000 kan – voor zover hier relevant – de verblijfvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid.

5. Op grond van artikel 3.86, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, zoals dit gold ten tijde hier van belang (zie Stb. 2010, 307), kan de aanvraag worden afgewezen op grond van artikel 18, eerste lid, onder e, van de Vw 2000, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd, bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, dan wel het buitenlandse equivalent van een dergelijke straf of maatregel is opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, bedoelde norm.

6. Op grond van het tweede lid van dit artikel bedraagt de in het eerste lid bedoelde norm bij een gevangenisstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van zes jaar of minder is bedreigd, een verblijfsduur van tenminste vier jaar maar minder dan vijf jaar, twaalf maanden.

7. De rechtbank constateert dat uit het onherroepelijk geworden vonnis van de Correctionele rechtbank te Dendermonde (België) van 13 april 2013 blijkt dat eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar voor twee gewapende overvallen op juwelierszaken in Dendermonde en Hasselt, in vereniging gepleegd en met (zeer) zwaar geweld tegen personen en een poging tot een overval op een juwelierszaak in Scherpenheuvel, gepleegd op 4 juni 2012, 25 juli 2012 respectievelijk op 19 september 2012 alsmede voor deelneming aan een criminele organisatie (bendevorming).

8. Onder verblijfsduur wordt ingevolge artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000, verstaan de duur van het rechtmatige verblijf direct voorafgaande aan het moment waarop het misdrijf is gepleegd of aangevangen. Het rechtmatig verblijf van eiser is ingegaan op 15 juni 2007. De datum van het eerste door eiser gepleegde misdrijf is 4 juni 2012. Eiser valt derhalve onder de categorie vreemdelingen met een verblijfsduur van ten minste vier jaar, maar minder dan vijf jaar. Het ten uitvoer gelegde gedeelte van zijn straf moet derhalve ten minste gelijk zijn aan twaalf maanden. Gelet op het voorgaande overtreft de totale duur van de onvoorwaardelijke aan eiser opgelegde straf deze twaalf maanden ruimschoots. Nu het advies van het Openbaar Ministerie van 24 december 2013, in aanmerking genomen de geldende richtlijnen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar is en de uitzonderingen als bedoeld in artikel 3:86, negende lid en verder, van het Vb 2000, zich niet voordoen, was verweerder bevoegd de aan eiser verleende verblijfsvergunning in te trekken.

9. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM oordeelt de rechtbank als volgt.

10. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

11. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft overwogen in het arrest van 2 augustus 2001 inzake Boultif tegen Zwitserland (nr. 54273/00; AB 2001/341), dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM een inmenging in het familie- en gezinsleven van de vreemdeling rechtvaardigt, een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het algemeen belang van de betrokken lidstaat. Daartoe heeft het EHRM in dat arrest een aantal zogenoemde "guiding principles" gedefinieerd. In aanvulling daarop heeft het EHRM in zijn arrest van 18 oktober 2006 in de zaak Üner tegen Nederland (nr. 46410/99; JV 2006/417) nog twee criteria genoemd. Bij voormelde afweging komt de lidstaat een zekere beoordelingsruimte (“margin of appreciation”) toe.

12. De rechter dient te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich, gelet op de "fair balance" tussen de belangen van eiser en de belangen van de Staat, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de inmenging in het recht van de vreemdeling op respect voor het familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

13. De rechtbank stelt vast dat verweerder de "guiding principles" als geformuleerd door het EHRM in het arrest Boultif tegen Zwitserland van 2 augustus 2001 heeft betrokken in de in het kader van artikel 8 van het EVRM te verrichten afweging.

14. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het individuele belang van eiser bij het in Nederland uitoefenen van zijn familie- en gezinsleven niet opweegt tegen het door de Nederlandse overheid te behartigen algemeen belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Daarbij heeft verweerder de aard en ernst van het door eiser gepleegde misdrijf in het nadeel van eiser laten wegen. Eiser is in België veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar wegens het medeplegen van roofovervallen waarbij een wapen werd vertoond en driest geweld werd gebruikt tegen personen (de juwelier in Dendermonde is zo toegetakeld dat hij een schedelbreuk opliep en zijn echtgenote is bewusteloos geslagen en evenals de werkster vastgebonden en gekneveld en bij de overval in Hasselt werd de winkelbediende vastgebonden en gekneveld). Gelet hierop heeft verweerder aangenomen dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Aan de duur van het verblijf van eiser in Nederland kan slechts een marginaal gewicht worden toegekend, nu eiser pas op vijftienjarige leeftijd naar Nederland is gekomen en niet het overgrote deel van zijn leven in Nederland heeft doorgebracht. Voorts heeft hij tijdens zijn rechtmatig verblijf in Nederland, te weten de periode van 15 juni 2007 tot 4 juni 2012, een vijfjarige gevangenisstraf opgelegd gekregen wegens geweldsdelicten. Artikel 8 van het EVRM creëert geen algemene verplichting voor de Nederlandse Staat om de vrije domiciliekeuze van een vreemdeling voor de uitoefening van het familie- en gezinsleven dan wel privéleven blijvend te eerbiedigen.

15. Ten aanzien van de gezinssituatie van eiser heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser de Azerbeidzjaanse nationaliteit heeft en zijn partner de Nederlandse nationaliteit. In zijn algemeenheid kan aangenomen worden dat Nederlanders zich ook buiten Nederland kunnen vestigen. Het gaat in dit geval om de keuze of eisers partner hem naar Azerbeidzjaan of een ander land wil volgen. Indien eiser meent dat het voor hem onmogelijk is om terug te keren naar zijn land van herkomst wegens asielgerelateerde problematiek, dient hij een asielaanvraag in te dienen.

16. De rechtbank is van oordeel, enigszins terughoudend toetsend, dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken en dat hij met inachtneming daarvan tot de slotsom kon komen dat inmenging in het recht op respect voor het gezinsleven van eiser gerechtvaardigd is. Niet ten onrechte heeft verweerder het belang van bescherming van de openbare orde zwaarder laten wegen boven het belang van eiser en de duur van zijn verblijf in Nederland. Artikel 8 van het EVRM verzet zich dan ook niet tegen de intrekking van eisers vergunning.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.