Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10151

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
15/14898
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oekraïne, oproep, mobilisatie, AA+beroep ogg, 31 Vw + 30b:1 e + 32:2 Procedurerichtlijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 15/14898 (beroep) en 15/15566 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde mr. drs. E.R. Weegenaar,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. I. Vleeshouwers.

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2015 (hierna: het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), is de asielaanvraag van eiser afgewezen.

Op 3 augustus 2015 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Hij heeft de rechtbank op 19 augustus 2015 tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op zijn beroep is beslist.

Ter zitting heeft hij het verzoek desgevraagd ingetrokken, gegeven de toezegging van de kant van verweerder dat eiser deze beroepszaak in Nederland mag afwachten.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Partijen hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1988 en de Oekraïense nationaliteit te bezitten. Op 20 juni 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat in de eerste helft van juni 2015 een oproep voor mobilisatie voor hem door de militaire oproepautoriteit persoonlijk bij zijn ouders is afgegeven. Eiser heeft geen gehoor gegeven aan deze oproep. Hij is dezelfde dag gevlucht.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw.

3. Als relevante elementen heeft verweerder onderscheiden:

1e de identiteit, Oekraïense nationaliteit, herkomst en religie van eiser;

2e de gestelde oproep door het militaire commissariaat voor eiser in verband met de mobilisatie.

Verweerder acht de onder punt 1 genoemde elementen geloofwaardig.

Het onder punt 2 genoemde element acht verweerder echter niet geloofwaardig.

4. Verweerder heeft in het verweerschrift zijn standpunt gewijzigd in die zin dat artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw niet langer wordt tegengeworpen.

5. De door eiser tegen het bestreden besluit aangevoerde beroepsgronden komen in de rechtsoverwegingen van de rechtbank aan de orde.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Ingevolge artikel 30b, aanhef, eerste lid en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

7. Ter beoordeling ligt de vraag voor of het aannemelijk is dat eiser een oproep voor mobilisatie heeft ontvangen en, zo ja, of hij als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag aangemerkt kan worden dan wel of hij bij terugkeer het risico loopt op een onevenredig harde bestraffing of een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vanwege zijn weigering gehoor te geven aan de oproep.

8. De rechtbank stelt vast dat verweerder de verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit geloofwaardig acht. Verweerder acht evenwel niet aannemelijk dat eiser een oproep heeft gehad voor het leger in verband met de mobilisatie en heeft daartoe aangevoerd dat eiser de betreffende oproep niet heeft overgelegd. Daarbij komt volgens verweerder dat niet aannemelijk wordt geacht dat de oproep, zoals eiser heeft verklaard, aan zijn moeder zou zijn afgegeven en deze voor ontvangst getekend zou hebben. Een oproep van het militaire commissariaat dient immers persoonlijk overhandigd te worden aan degene die opgeroepen wordt, aldus verweerder. Eiser heeft verder verklaard voor de militaire dienstplicht te zijn afgekeurd vanwege platvoeten. Dat betekent normaliter dat hij niet meer opgeroepen zal worden, zo stelt verweerder.

9. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde informatie, onder meer de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 31 juli 2015 met bijlagen, blijkt dat een oproep voor de dienstplicht niet per se in persoon hoeft te worden afgegeven. Ook acht de rechtbank het aannemelijk dat mannen, die vanwege geringe medische problemen in het verleden zijn afgekeurd, op dit moment uit militaire noodzaak alsnog opgeroepen kunnen worden voor zover zij verder in goede gezondheid verkeren. Naar het oordeel van de rechtbank mag echter van eiser verlangd worden dat hij contact met zijn ouders had opgenomen om te vragen het document alsnog op te sturen. Het is bevreemdend dat eiser enerzijds verklaart dat zijn moeder hem gebeld heeft om hem van de oproep op de hoogte te stellen, maar dat hij anderzijds stelt dat de relatie met zijn ouders zodanig slecht zou zijn dat hij geen contact met hen kan opnemen met een dergelijk verzoek respectievelijk dat hij daartoe hoe dan ook niet in staat is omdat hij hun telefoonnummer niet meer heeft daar hij zijn mobiele telefoon in Oekraïne heeft achtergelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser op zich zelf wel aannemelijk gemaakt dat hij voor mobilisatie opgeroepen zou kunnen worden, maar heeft hij zijn stelling dat hij daadwerkelijk opgeroepen is niet met bewijs onderbouwd. De rechtbank acht dientengevolge eisers verklaring dat hij opgeroepen is voor mobilisatie niet geloofwaardig.

10. Nu niet aannemelijk is dat eiser daadwerkelijk is opgeroepen vanwege de mobilisatie, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de gronden die eiser heeft aangevoerd tegen het standpunt van verweerder dat eisers weigering om gevolg te geven aan de mobilisatieoproep niet kan leiden tot vluchtelingschap of bij terugkeer tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM dan wel een onevenredige, discriminatoire bestraffing vanwege het geen gehoor geven aan de gestelde oproep.

11. Eiser heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.

12. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.