Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10150

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
15/4687
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

zwaar inreisverbod, 1F, 3 EVRM, proportionaliteit, Afghanistan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15/4687

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 augustus 2015 in de zaak tussen

[naam] eiser,

gemachtigde: mr. J.C. van Zundert,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. N. Hamzaoui.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 februari 2015 (het bestreden besluit) waarbij hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren is opgelegd.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig D. Madjlessi, tolk in de Dari taal, en A.B. Dehzat als deskundige. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1952 en de Afghaanse nationaliteit te bezitten. Bij besluit van 22 augustus 2011 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 (het Vluchtelingenverdrag). Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam heeft het hiertegen gerichte beroep bij uitspraak van 6 december 2012 (AWB 11/30303) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft het ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 24 oktober 2013 (200902496/1/V2) kennelijk ongegrond verklaard. Hiermee is het besluit van 22 augustus 2011 in rechte komen vast te staan. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de beroepsgronden die hierop betrekking hebben, buiten bespreking moeten blijven.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd omdat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is. Daarbij heeft verweerder eveneens het standpunt ingenomen dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn bekering tot het christendom een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser voldoet echter niet aan de vereisten zoals genoemd in paragraaf C2/6.2.8.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Hoewel eiser aan het duurzaamheidsvereiste voldoet, is hij er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het onthouden van een verblijfsvergunning in zijn omstandigheden disproportioneel is. Niet is gebleken dat eiser zich in voldoende mate heeft ingespannen om aan zijn vertrekplicht te voldoen. De medische omstandigheden van eiser zijn, gelet op het advies van het Bureau Medisch Advisering van 12 januari 2015, niet dusdanig bijzonder dat om die reden moet worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod.

Artikel 8 van het EVRM verzet zich volgens verweerder evenmin tegen het opleggen van een inreisverbod.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om te kunnen vertrekken naar een derde land maar dat dit niet tot de mogelijkheden behoort. Hij heeft daartoe eerder in de procedure een brief van 24 februari 2013 van de Russische ambassade en in beroep een brief van 21 mei 2014 van de Oezbeekse ambassade overgelegd. Voorts heeft hij zich - zonder resultaat - bij brieven/e-mails van 26 november 2013 gewend tot de ambassades van Australië, Canada en Nieuw Zeeland.

Verder heeft hij gesteld dat het onthouden van een verblijfsvergunning inmiddels disproportioneel is. Daardoor bevindt hij zich al jaren in een uitzichtloze situatie die allerlei financiële- en medische problemen tot gevolg heeft. Tot slot leidt de oplegging van het inreisverbod tot een schending van artikel 8 van het EVRM nu hij hier te lande met zijn Nederlandse echtgenote het gezinsleven uitoefent.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

In paragraaf C2/6.2.8.6 van de Vc 2000 wordt, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

Duurzaamheid en proportionaliteit

Indien aan de vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, maar tegelijkertijd aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden:

a. of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja,

b. of de gevolgen voor de vreemdeling van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn, afgewogen tegen de belangen van de Staat om artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag te handhaven.

Ad a.

De term ‘duurzaam’ houdt in dat sprake moet zijn van alle volgende omstandigheden:

• de vreemdeling bevindt zich op het moment dat de beslissing wordt genomen al gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie dat de vreemdeling wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

• er is geen vooruitzicht op verandering binnen niet al te lange termijn, gerekend vanaf heden, in de situatie dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst vanwege een dreigende schending van artikel 3 EVRM;

• vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan vertrekplicht van de vreemdeling niet mogelijk.

Ad b.

De IND neemt disproportionaliteit aan indien de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt.

Indien de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond, en de vreemdeling niet in aanmerking komt van een verblijfsvergunning, nodigt de IND de vreemdeling uit een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. De IND willigt deze aanvraag in op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb. Het betreft in dat geval op grond van artikel 3.5, vierde lid, Vb een tijdelijk verblijfsrecht.

5. De rechtbank stelt vast dat terugkeer naar Afghanistan in strijd is met artikel 3 van het EVRM vanwege eisers bekering tot het christendom. Voorts staat tussen partijen vast dat eiser voldoet aan het eerder in het beleid vermelde duurzaamheidsvereiste.

6. In geschil is of er sprake is van disproportionaliteit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat vertrek naar een ander land dan Afghanistan onmogelijk is. De rechtbank verwijst daartoe naar de inhoud van de Engelstalige brief van 24 februari 2013 van de Russische ambassade. Daarin wordt eiser aangeraden om een Russisch visum aan te vragen en vervolgens na inreis een verblijfsvergunning te vragen. Ook uit de tekst van de brief van de Oezbeekse ambassade van 21 mei 2014 blijkt niet dat het onmogelijk is om alsnog een verblijfsvergunning aan te vragen. Uit de overgelegde brief van de ambassade van Nieuw Zeeland te Den Haag van 28 november 2013 blijkt voorts slechts dat dit land geen verzoeken om asiel accepteert van personen die zich buiten het territorium van Nieuw Zeeland bevinden. Nadere correspondentie betreffende zijn aanvraag voor verblijf in Canada is niet overgelegd. Tot slot is gebleken dat in de brief van de Australische ambassade in Den Haag van 5 december 2013 niet meer is vermeld dan dat geen advies gegeven kan worden over verblijfsvergunningen bij gebreke aan een afdeling Visas en Emigratie, onder verwijzing naar een in Londen gevestigde instantie (‘Europe Service Centre /Department of Immigration and Border Protection’). Niet is gebleken van enige nadere actie van de kant van eiser anders dan het versturen van voornoemde e-mails en brieven.

7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de uitvaardiging van het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Weliswaar is er sprake van inmenging in eisers gezinsleven, maar deze inmenging is gerechtvaardigd in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Eiser wordt, gelet op de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, verantwoordelijk gehouden voor ernstige misdrijven en vormt hierdoor een gevaar voor de internationale betrekkingen van Nederland. Dat eisers echtgenote, die afkomstig is uit Afghanistan, in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, maakt niet dat sprake is van een objectieve belemmering het gezinsleven in een ander land dan Nederland uit te oefenen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, gelet op het feit dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is verklaard, aan het belang van de Nederlandse samenleving bij handhaving van de openbare orde meer gewicht dient te worden toegekend dan aan het belang van eiser.

8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en heeft verweerder kunnen besluiten tot een inreisverbod voor de duur van tien jaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden in redelijkheid geen bijzondere omstandigheden gezien die aanleiding zouden moeten zijn om met toepassing van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod, dan wel deze te verkorten.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.